Lieve help, de dokter komt voorbij

Overdenking op het Feest H. Mattheus 21 september 2020

‘”Niet de gezonden hebben een heelmeester nodig, maar de zieken” Deze uitspraak dit Jezus toen Hij in het huis van Mattheus was 1) . Kort daarvoor had Jezus Mattheus aangetroffen bij het tolhuis. Als uit het niets roept Jezus de man hem te volgen. Zoals hij de eerste leerlingen als uit het niets riep om hun schepen achter zich te laten en hem te volgen, zo roept hij deze tollenaar om hem te volgen. Later bij zijn afscheid zal Jezus zeggen: niet jullie hebben Mij uitgekozen, maar ik jullie.
De vissers waren eenvoudige arbeiders die zwoegden om het dagelijks leven van hun families en zichzelf in leven te houden. Ze hadden hun handen vol om te voorzien in hun naakte bestaan. Ze telden daarom niet mee in het openbare leven. Ze hadden geen aanzien in de wereld. Toch en juist daarom koos Jezus hen uit om hem te volgen. Zo kon Jezus zijn verkondiging van Gods genade illustreren en bevestigen.
Mattheus is geen arbeider, maar een ambtenaar. Hij is dus min of meer geslaagd. Hij kon lezen en schrijven. Maar om een andere reden is hij niet in aanzien. Hij wordt met een scheef oog aangekeken omdat hij belastingambtenaar is. In onze tijd geschiedt de belasting inning vrijwel geheel anoniem door aanslagen en overschrijvingen. In die tijd gebeurde de belasting inning helemaal met contant geld. Normaal hebben veel mensen al moeit belasting te betalen. Maar omdat de overheid in dit geval een vreemde overheerser was, hadden ze er vreselijk het land aan. Ze projecteerden die afkeer op de belastingambtenaar. Ze zagen die als een verrader als het een landgenoot was. In Mattheus geval klopt dit, want de oorspronkelijke naam was Levi. De stam van de Levieten was uitverkoren om de tempeldienst te verrichten. Daar bij hoorde ook het innen van de gelden voor de tempel. Deze Levi, de tollenaar, had dus zijn dienst aan de tempel verruild voor dienst aan de Romeinse staat. Kennelijk om er beter van te worden. Een belastingambtenaar in Jeruzalem pachtte eigenlijk tegen betaling de taak om belastingen te innen. Als gevolg daarvan verhoogde hij de belastingsom om zijn investering eruit te halen en ook nog winst te maken. Ik verhaal dit wat uitgebreid om duidelijk te maken hoe de Joden begrijpelijkerwijs neerkeken op zo’n tollenaar. Uitgerekend zo’n gehate ambtenaar riep Jezus Hem te volgen. Ook nu weer was Jezus bedoeling duidelijk: zo kon Hij Gods genade laten zien: “gezonden hebben geen heelmeester nodig, maar juist de zieken”.
Zo is Mattheus door Jezus in dienst genomen van het rijk van God. Hij is later evangelist geworden. Hij heeft bijvoorbeeld de woorden van Jezus opgetekend in de Zaligspreking: “Zalig de armen van geest want aan het behoort het rijk van God”.
Het roept de vraag op naar onze eigen roeping. Niet tot apostel of evangelist, maar gewoon tot volgeling van Jezus, tot christen. “Waarom ik” denken we op bepaalde momenten misschien. Laten we dan niet op zoek gaan naar kwaliteiten in eigen ogen of in de ogen van de mensen. Laten we Gods genade erkennen die in ons leven aan het licht mag komen.
De roeping van Mattheus is ook teken van God mensen een nieuw begin schenkt en dat wij dat leven ook echt opnieuw kunnen beginnen. Het is een oproep tot vergeving en verzoening.
In de wereld om ons heen zien we steeds meer de neiging om mensen vast te pinnen op fouten of keuzes die zij ooit gemaakt hebben. Opnieuw beginnen is nauwelijks mogelijk. Zeker niet nu via google het leven van veel mensen naspeurbaar is en open en bloot ligt. Voor God mag ieder mens een nieuw begin maken. De kerk moet daar beeld en voorbeeld van zijn. Het volwassendoopsel is vergeving van alle zonden, ja van de oude mens zoals Paulus het noemt.
De gezonden hebben geen heelmeester nodig, maar de zieken, zegt Jezus. Paus Franciscus knoopt daarbij aan als hij de kerk een veldhospitaal noemt. Moge we dat beamen in de manier waarop wij met elkaar en onze medemensen omgaan. Dan hebben we de wereld echt iets te zeggen. Iets volkomen nieuws. De blijde boodschap Amen

Martin Los
1) Mattheus 9:9-13

Inzegening van de pastorietuin in Vleuten

Inleidend woord hij de inzegening van de volledig gerestaureerde pastorietuin rond de Willibrordkerk in Vleuten 13 september 2020

Het is altijd een genot om naar een mooie tuin te kijken. Het is aan de ene kant natuur en aan de andere kant menselijk inzicht en inspanning. Je zou ook kunnen zeggen: een mooi stuk samenwerking tussen God die alles schiep en de mens die naar zijn beeld geschapen is en de tuinman is
Al aan het begin van de Bijbel horen we dat de eerste mens een tuin, de hof van Eden, mocht bewonen. De eerste woning was niet in een wildernis of woestijn, maar een menselijke omgeving, bewerkte hof, herkenbaar werk van mensen, een thuis.
Een tuin herinnert ons ook aan het leven zelf, in weer en wind. Een tuin confronteert ons ook met het feit dat alles vergaat, de mooiste bloemen. Net als wijzelf.
Maar door Jezus Christus zijn we vervuld van hoop, dat we eens mogen wonen in het paradijs, een hemelse stadstuin. Onze woord ‘tuin’ is verwant met het engelse ‘town’. We zijn op weg naar de stad van God en mensen.
Zo mag ook deze pastorietuin ons vervullen van hoop omdat ze onderdeel van het mooie complex hier van de kerk heeft. Zij heeft als taak teken van hoop in de wereld te zijn voor alle mensen. Bovendien leidt deze tuin via het pad van de Broederschap van Onze Lieve Vrouw van Vleuten naar het kerkhof. We gaan van nu af dat pad gebruiken als we parochianen vergezellen bij hun laatste gang op aarde vanuit uit de kerk. Dat maakt deze tuin tot een heel bijzondere tuin. Want wij begraven onze doden in de verwachting van de opstanding. Zo moge Gods zegen deze tuin met bomen en de planten bloeien door de seizoenen en jaren. Maar dat niet alleen, moge deze hof met Gods zegen ook altijd de hoop in ons doen groeien samen met geloof en liefde. Laten we tenslotte ook niet het belang van de tuinlieden niet vergeten. Door Maria Magdalena werd Jezus eens op de eerste dag van de week, de dag van de opstanding, aangezien voor de tuinman.

Evangelielezing

Maria stond buiten bij het graf te schreien. En al schreiend boog zij zich naar het graf toe  en zag op de plaats waar Jezus’ lichaam gelegen had, twee in het wit geklede engelen zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde. 
Zij spraken haar aan: “Vrouw, waarom schreit ge?” Zij antwoordde: “Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.”  Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. Jezus zei tot haar: “Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?” In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: “Heer, mocht gij Hem hebben weggebracht, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen.”  Daarop zei Jezus tot haar: “Maria!” Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: “Rabboeni!” – wat leraar betekent. Toen sprak Jezus: “Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.”  Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had, en wat Hij haar gezegd had.

Zegeningsgebed

Almachtige eeuwige God, Gij hebt deze aarde geschapen met alles daarop. Aan mensen hebt Ge de opdracht gegeven haar te onderhouden als een bloeiende tuin uit liefde voor elkaar en voor al wat leeft.
Wij vragen u: verhoor in uw goedheid ons gebed waarmee we uw zegen afsmeken over allen die deze tuin bewerken, bewandelen en bewonderen, in het bijzonder wanneer wij onze gestorven broeders en zusters vergezellen op hun laatste gang op aarde en wanneer we als gemeenschap zich verzameld bij bijeenkomsten en vieringen in de lucht. Dat allen U voortdurend als het hoogste goed erkennen en in oprechte liefde met elkaar omgaan als broeders en zusters in Jezus Christus, onze Heer. Amen

hierna volgt de besprenkeling van de tuin met inbegrip van de aanwezigen (die vanwege de corona niet zelf besprenkeld kunnen worden)