Jezus en de Rare Jongens

Preek openluchtmis 8 juli 2018 Castellum Hoge Woerd

“Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en mijn knecht zal gezond worden” 1).
Lieve zusters en broeders, deze woorden komen ons heel bekend voor. Elke keer wanneer we de eucharistie vieren spreken we ze zelf uit. Als we op het punt staan ter communie gaan: “Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt maar spreek en mijn ziel zal gezond worden”.
Elke keer als we dat zeggen, gaan we even op de plaats staan van die Romeinse commandant. Een machtig man. Hij hoefde maar een bevel te geven en het werd uitgevoerd. Maar deze machtige man schaamt zich er niet voor in Jezus zijn meerdere te erkennen. Jezus belooft de Romein dat hij bij hem thuis zal komen om zijn zieke knecht te genezen. “Dat hoeft helemaal niet Heer, één woord van u is al genoeg”.
“Toen Jezus dat hoorde stond Hij verwonderd, en zei tegen zijn volgelingen: “Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb ik zo’n groot geloof gevonden.”
In de ogen van de meeste mensen was de Romeinse officier een heiden, een ongelovige, die je moest mijden. Bovendien een gehate vijand, een bezetter. Maar Jezus zag hem aan als mens, iemand die bezorgd was om zijn zieke knecht. En iemand die als vreemdeling beter dan anderen zag wat een bijzondere persoon Jezus was.
In onze tijd dreigen ook groepen van elkaar te vervreemden. Het gevolg is dat men de ander niet meer als persoon ziet, met een gezicht, met gevoelens, met een eigen levensverhaal. We zien de andere dan alleen als vertegenwoordiger van een groep, een cultuur, een godsdienst waar we wantrouwig of afwijzend tegenover staan. Jezus doorbrak dat patroon. Hij zag in de ander een echt mens, met pijn en verdriet, met verlangens én ook met oprecht respect voor God en voor hemzelf.

Als we onszelf christenen noemen, volgelingen van Jezus Christus, zullen we onze Heer daarin moeten volgen. Dat we de ander als mens aanzien, als iemand die net als wij op zoek zijn naar de zin van ons leven, die verlangt een bijdrage te leveren aan een betere wereld, een mens in wie verlangen leeft naar God.
Het Evangelie wil alle mensen met elkaar verzoenen, ondanks verschil in taal, kleur, geslacht en cultuur. Die verzoening vindt plaats waar we in de ander een kind van God zien. Het Evangelie wil ook ieder mens in aanraking brengen met de liefde van God voor wie alle mensen gelijk zijn. Maar dan kan alleen als we daar zelf uit leven en daar zelf mee beginnen.
Zo ging het in elk geval tweeduizend jaar geleden. De volgelingen van Jezus maakten daardoor diepe indruk op hun omgeving. In hun omgang met elkaar en anderen vielen de verschillen tussen mensen weg. Vrouwen, mannen, Joden, heidenen, slaven en vrijen, gingen als volkomen gelijken met elkaar om. Dat was uniek en ongekend. De oude Grieken en Romeinen beleden ook wel de gelijke rechten, maar dat gold alleen voor een kleine bovenlaag van vrije burgers. Slaven, vrouwen, vreemdelingen vielen daar buiten. Voor de volgelingen van Jezus waren álle mensen gelijk. En ze beleefden die vrijheid niet op een egoistische wijze, maar ze gebruikten die om elkaar te ondersteunen, elkaar lief te hebben, te vergeven. Zelfs als hun vijanden hen met de dood bedreigden of om het leven brachten, volharden ze in hun geloof in Jezus en in de vrijheid van Gods kinderen. Ze baden zelfs voor hun vervolgers.

De apostel Paulus beschrijft deze levenswijze in zijn brief aan de Romeinen, aan zijn medegelovigen in Rome: “Uw liefde moet spontaan en oprecht zijn…..Bemint elkaar hartelijk met broederlijke genegenheid. Acht anderen hoger dan uzelf…..Zegent hen die u vervolgen in plaats van te vervloeken” 2).
Deze boodschap en vooral ook deze manier van leven maakte diepe indruk op de mensen in die tijd. Daardoor kon de Blijde Boodschap zich zo snel verspreiden, zonder enige vorm van dwang of geweld. De Romeinen droegen daar onbewust toe bij doordat ze een netwerk van wegen had aangelegd door heel het Romeinse Rijk om de vrede en veiligheid te handhaven. Daardoor kon de handel floreren. Door de verplaatsing van soldaten en kooplieden en rijke toeristen kon ook het Evangelie zich snel verspreiden.
De Romeinse officier die tot geloof in Jezus kwam, is niet de enige gebleven. Overal, in alle landen, tot in de hoofdstad Rome toe, omarmden mensen uit alle lagen de boodschap van Jezus. Ze leerden door hem God als een bron van liefde en eeuwig geluk kennen.
Misschien waren er onder de soldaten die hier in dit Castellum gelegerd waren en die uit heel het Romeinse Rijk kwamen ook die geraakt waren door het Evangelie. Een kerk hebben ze in elk geval niet nagelaten, want pas na het jaar 325 mochten christenen kerken bouwen. Dat was toen de keizer zelf christen geworden was.
Maar ik vind het een mooie ontroerende gedachte dat onder de garnizoenen die hier in dit Castellum op de Hoge Woerd hier aan de grote rivier mogelijk al een paar mensen waren die de boodschap van Jezus kenden en probeerden in praktijk te brengen. Het Evangelie kreeg overal voet aan de grond waar mensen uit allerlei nationaliteiten elkaar ontmoeten. Het geloof was vanaf het begin niet gebonden aan land of taal of huidskleur. Het was vanaf het begin internationaal, katholiek, voor iedereen.

Sint Servaas, de eerste bisschop van Maastricht omstreeks driehonderd kwam hemaal uit Armenie, het huidige Turkije, zoon van een Romeinse officier. Niemand minder dan Sint Maarten, patroon van de stad Utrecht, werd geboren in Pahonie, Hongarije, zoon van een Romeinse officier, en eerst zelf ook soldaat.Zij kozen ervoor hun leven te wijden aan God en de Blijde boodschap ver van hun geboorteplaats.
In Leidsche Rijn/Vleuten-De Meern zijn de afgelopen twintig jaar duizenden nieuwe mensen komen wonen, uit het hele land, uit heel Europa, uit de hele wereld. Dat zal zo doorgaan. Hoe gaan we daarmee om. Gaan we de verschillen benadrukken? Voeden we wantrouwen en discriminatie? Of zien we elkaar als medemensen. Slaan we bruggen naar elkaar of veroorzaken we kloven?
Het Evangelie en ons geloof in Jezus Christus zijn na tweeduizend jaar nog steeds krachtig genoeg om mensen te verbinden. De eerste christenen – vaak Romeinse burgers – zagen het Evangelie van Gods liefde als een grote uitdaging waar ze zelf hun leven voor over hadden.
In de verbinding van mensen door Gods liefde ligt onze roeping als kerk en als christenen. Aan ons de taak om samen een leven te leiden dat laat zien dat het anders kan, dat er alle reden is tot hoop.
U kent allemaal Asterix en Obelix, de Gallische helden uit de stripverhalen. Zij vonden de Romeinen rare jongens. Ze voelden zich sterker en slimmer dan die vreemde Romeinen.
De Romeinen op hun beurt vonden de eerste christenen maar rare jongens én meisjes. Omdat ze in een God geloofden die je niet kon zien, en in een Heiland die zijn eigen leven had gegeven om alle mensen te bevrijden. De eerste eeuwen was dit geloof zelfs niet wettelijk toegestaan. Een hopeloze onderneming zou je denken. Maar steeds meer mensen werden geraakt door de boodschap van hoop en liefde die de christenen voorleefden.
Laten we nu ook niet bang zijn ‘zulke rare jongens en meisjes” te zijn. De Romeinse officier schaamde zich er niet voor. Vandaag mogen wij het hem weer nazeggen: “Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden”. En Jezus Christus is vandaag nog dezelfde als tweeduizend jaar geleden en  tot het einde van de wereld. Amen

Pastoor Martin Los
1) Evangelielezing: Mattheus 8:5-13
2) 1e lezing: Romeinen 12:1-5,9-18

Het bad van Pallas

Als op een lezenaar met partituur voor de dirigent liggen de menus voor de vele restaurants klaar voor de voorbijgangers om open te slaan en in gedachten te proeven van de afgebeelde maaltijd.  What you see is what you get. Maar voor ze die stap doen, begroet de eigenaar hoffelijk zijn mogelijke gasten: kalimera, you like something to eat, to drink, cafe, ice or whatever you want? Hij heeft hij al gezien dat we geen Grieken zijn en helemaal geen Kretenzers. Zijn we gewoon één van de vele anonieme toeristen voor hem? Is er toch iets speciaals wat hem opvalt? Misschien een gevoelige plek, een zweem van ijdelheid of een onzekere houding waarbij hij kan aanknopen ons te verleiden het niet bij kijken te laten.
Bij het vierde terras werpen we nonchalant een blik in de partituur. Het is aan het einde van de siësta, veel te vroeg voor een hele maaltijd. Een glas ice-cafe of fresh orangejuice met een gebakje dat we met zijn tweeën delen, is genoeg. Op dat moment stapt de uitbater op ons af en wijst ons op de afbeeldingen van de gerechten. Hij bladert behendig door geplastificeerde bladen. Het wordt nu lastiger om hem af te wimpelen en verder te zoeken naar een volgend terras dat ons aanspreekt. De wat oudere man, grijs haar, getaande huid, in een soort bakkersjasje, maakt een bescheiden indruk. Zijn vriendelijkheid is niet gekunsteld. Dat bevalt ons. We knikken naar hem. ‘Evcharisto’ zeg ik uit respect voor zijn gastvrijheid en die van zijn landgenoten. ‘Parakaló’ antwoord hij met een ontspannen glimlach.
We nemen plaats bij een tafeltje vooraan in twee gemakkelijke stoelen. Een beetje ouderwets, rotan met kussentjes. We komen niet alleen om iets fris te drinken, maar ook om wat uit te rusten en te genieten van deze prachtige plek. Voulismeni, mysterieus binnenmeertje op een steenworp van de haven van Agios Nikolaos. Een klein smal kanaal – minder dan anderhalve halve eeuw oud – verbindt deze plas na een eeuwigheid met de azuurblauwe zee. Een opstaande kraag van hoge zandkleurige rotsen met aan de beide uiteinden van de heuvel een lint van terrassen omgeeft het meertje.
Alsof we nu aan de andere kant van de lezenaar met de partituur hebben plaatsgenomen, in het orkest, krijgen we een kleiner exemplaar van het menu aangereikt, onze eigen partij. We bestellen een ice-capuccino, een glas geperst sinaasappelsap en één punt aardbeienkwark voor ons beiden. ‘No strawberry’ verontschuldigt de gastheer zich. Hij legt uit dat het deze morgen heel druk was geweest en dat iedereen de aardbeikwark had gekozen. Er is alleen nog appeltaart. We hebben bijna met hem te doen.
Even later wordt onze bestelling geserveerd door een vrouw. Gezien haar leeftijd en voorkomen de echtgenote van onze gastheer. Hijzelf staat alweer op de uitkijk. Langs de kade liggen kleine bootjes, de meeste wit met blauwe randen. Ze liggen hier voor de sier, lijkt het. Onze ogen dwalen over het rimpelloze donkergroene water. ‘Ik heb gelezen in de reisgids dat volgens de legende Pallas Athene ooit in dit meertje gebaad heeft” merkt mijn vrouw op. ‘Dan is het maar te hopen dat er niemand heimelijk heeft gekeken’ grap ik ‘want met stervelingen die een godin naakt zien baden loopt het altijd slecht af. Als de jonge jager Aktaion door het struikgewas Artemis bespiedt die daar baadt, smijt ze water naar zijn hoofd. Ogenblikkelijk verandert hij in een edelhert dat door zijn eigen honden verscheurd wordt.’ ‘Maar als dat zo is heeft niemand het na kunnen vertellen. Hoe weten we dan dat Pallas een duik in dit water hier genomen heeft?’ antwoordt zij de glimlach van een overwinnares alsof Pallas zelf even deelnam aan ons gesprek. Om beurten prikken we met ons ene vorkje een stukje van de appeltaartpunt af.
‘In dezelfde reisgids’ vervolgde ze ‘las ik dat men vroeger dacht dat dit meer geen bodem had. Geen duiker die zo diep kon duiken dat hij ook maar in de verte iets van een bodem ontwaarde. Met nieuwe technieken ontdekte men later dat het meer in werkelijkheid drieënzestig meter diep is.’ ‘Ah, nu begrijp ik het verhaal dat Pallas hier gebaad heeft. Ze is de wijsheid die alles doorgrondt – de diepste diepten – maar zelf niet doorgrond kan worden. Haar bad moet dus wel bodemloos zijn. Niet oeverloos.
De gastheer had intussen steeds voorbijgangers geprobeerd naar binnen te loodsen. Soms met succes. We begonnen ons te verdiepen in de reacties van de toeristen die een blik in de openliggende partuur wierpen. Kon je aan hun houding al zien dat ze zich zouden laten verleiden? Waarom liepen sommigen door en kwamen dan toch weer aarzelend terug. Lag het aan het uitgebreide menu, de prijzen, de aanblik van de tafels en stoeltjes? Sommigen mensen durven niet op een leeg terras te gaan zitten omdat ze dit zien als bewijs dat er iets met zo’n zaak aan de hand is. Twee dames waren eerst doorgelopen, ze hadden even in de het menu gekeken, ze hadden zelfs de charme van onze gastheer doorstaan, en kwamen toch terug. Ze namen plaats en meteen vroeg één van de vriendinnen waar het toilet was. Toen zij terug was, stond de ander op. Misschien zou in de partuur ook een afbeelding van een onberispelijk schoon toilet moeten staan.
‘Dit is zo’n filmische plek’  zei ik ‘ik zie het zo voor me dat hier een serie wordt opgenomen. In elke  aflevering staan toeristen centraal die hier op dit terras plaatsnemen. De kijker krijgt in een kijkje in hun leven, waarom ze hier even neerstrijken voor een rustpauze. Dit restaurant is vast een familiebedrijf waarin man en vrouw, kinderen, opa’s en oma’s allemaal meewerken. Een overvloed aan thema’s en verhalen levert dat op. Een scenarioschrijver kan er zijn hart aan op halen’.
We keken beiden naar het meer vlak voor ons, een peilloze bron van inspiratie voor een nieuwe serie op Netflix. Zoiets als een A Modern Family. Of juist heel anders?|
Na een uurtje stonden we op om het kapelletje onderaan de rotswand te bezoeken. Kalkwit tegen de achtergrond van de zandkleurige heuvel schitterde het in de zon. We wandelden tussen de bootjes en de terrasjes door. Waar het laatste terras eindigde en de rotswand begon zag ik een bord staan. Wit met blauwe letters en in de vier hoeken een druiventros: ‘This is the place. The Lotuseaters is a BBC television drama made between 1972 and 1973’ “ Moet je kijken’ riep ik uit tegen mijn lieve metgezel: ‘wat wij zoeven bedacht hebben, is vijfenveertig jaar geleden ook al gerealiseerd’. Er stond dat de serie ging over Britse expats die hier in Hagios Nikolaos een eethuis runden, Erik en Ann Shepherd, over de lotgevallen van hen en hun gasten. De naam van de taverne “Sheperd’s Bar’. ‘Was dat niet de tijd dat Pia Beck een bar had aan de Costa Brava?’  opperde mijn vrouw ‘Dat was ook een soort serie met gasten. En ook allemaal expats in de hoofdrollen’. ‘Inderdaad, andere tijden’ zei ik ‘nog een beetje koloniaal. We zouden nu zeker de hoofdrol laten spelen door echte Kretensers en de toeristen als echte buitenlanders.’
‘Ach’  dacht ik ‘ fantasie is ook als een bodemloos meer. Er komt geen einde aan de vondsten hoe diep je ook duikt.  Daar heb je toch de oude legende weer’.
We liepen verder naar het witte kerkje dat in haar eenvoud alle aandacht op zich vestigde. We beklommen de vijf treden naar het kleine plateau voor de kerk. We voelden aan de deur. Op slot. Siesta? The good Shepherd shall never slumber no sleep but his employees need a little rest now and then. Ook ik, nietwaar?

(c) Martin Los