De Iftar en Antonius

De zon zou over een half uur ondergaan. Het is Ramadan voor de moslims onder ons. Nog even dan kunnen de knorrende magen gerustgesteld worden met oogstrelende en smakelijke halal hapjes. Weer een vastendag voorbij. Tijd voor de Iftar, het ontbijt in de avondschemering.
Deze zaterdagavond heeft het bestuur van het Islamitisch Centrum bij ons in de buurt een maaltijd belegd voor de hele gemeenschap. Er zijn gasten uitgenodigd. Ik behoor ook tot de genodigden. Omdat dit mijn eerste Iftar is heb ik mijn vrouw gevraagd mee te gaan om deze bijzondere ervaring te delen. Het is een mooie zomeravond met een blauwe hemel die met de ondergaande zon een Oriëntaalse sfeer oproept. We nemen de fiets om extra van dit moment te genieten.
Vol verwachting gaan we op weg. Het water van de Leidsche Rijn waar we langs fietsen, is een onbewogen spiegel waarin de blauwe hemel een laatste blik slaat voordat de schemer neerdaalt. Nog een halve kilometer dan zijn we bij het Islamitische Centrum dat door mannen en vrouwen van voornamelijk Marokkaanse afkomst bezocht wordt maar van wie de meesten in Nederland geboren en getogen zijn.
Dagelijks rijd ik langs dit gebouw dat met zijn okergele stenen muren en groene daken een aangename rustgevende indruk maakt. Houtsnijwerk als een soort vitrage voor de hoge ramen van de grote gebedsruimte binnen in, onthult aan de voorbijgangers iets van de mystieke betekenis van het gebouw.
Als we de Meernbrug overgaan zie ik in het plantsoen naast de statige Marekerk Wouter de Heus staan. Ik herken hem meteen aan zijn grijze krullen, opvallende bril en zijn speurende blik.  Hij is in gesprek met twee mannen waarvan één met een uitbundige witte haardos en scherpe groeven in het gelaat een fototoestel in de hand heeft. Wouter is journalist. Amicaal in de omgang. Maar waar hij verschijnt werpt de krant van morgen al zijn schaduw vooruit. Recht voor zijn raap schrijft Wouter in de krant wat hij aan misstanden of politieke rariteiten tegenkomt.
‘Hé, dag Wouter!’ roep ik hem toe. Vagelijk vraag ik me af wat hij op de late uur op dit grasveld doet. Er staat een graafmachine die in de afgelopen dagen wat boomwortels heeft verwijderd. Hier op de hoek naast de kerk moet binnenkort een echt dorpspleintje komen.   Mijn vrouw fietst een paar meter voor me. In gedachten verheug ik me al op de Iftar en de ontmoeting met allerlei mensen, het bestuur en de andere genodigden. ‘Dag, pastoor!’ roept Wouter terug. Hij knikt naar zijn twee metgezellen als een teken dat wij elkaar kennen. De fotograaf fluistert hem iets toe.
‘Pastoor, wacht even! Hebt u even tijd?’ Ik stap af en roep mijn vrouw toe even te wachten.
‘Weet u of hier een begraafplaats is geweest?’ vraagt Wouter.
In zijn hand houdt hij een gebroken stuk bot, bruin en dof. ‘Mijn buurman hier heeft vanmiddag allerlei botten en schedels hier gevonden. Ze zijn bij  de graafwerkzaamheden gisteren aan het licht gekomen’
Nu begrijp ik waarom Wouter hier op dit late uur rondsnuffelt. Hij is geen misdaad op het spoor, maar wel iets dat de lezer van zijn krant met de wenkbrauwen zal doen fronsen. Menselijke restanten die hier in het weekend uit de grond steken zonder dat hekken om het terrein geplaatst zijn, riekt naar onzorgvuldigheid van de kant van de aannemer of de ambtelijke instanties. Ik zie het artikel van Wouter al in de krant staan. ‘De kerk die hier nu staat, is honderdjaar oud’ antwoordde ik. ‘Daarvoor stond hier een ouder kerkje. Tot aan het begin van de negentiende eeuw begroef men de doden in en om de kerk’
‘Ja’ legde de man met de witte haarbos uit ‘die kerk stond loodrecht op de as van de huidige kerk’ ‘Dat kan kloppen, want kerken werden vroeger in Oostelijke richting gebouwd’ beaamde ik  ‘In elk geval stond hier voor de Reformatie al een kapel’
‘Er liggen ook een aantal stenen, kloostermoppen. Die zijn ongetwijfeld van die oude kerk’ voegde de fotograaf toe ‘Misschien zijn deze botten ook wel eeuwenoud’ opperde Wouter.
‘Stel je voor dat ze van voor de Reformatie zijn, toen de kerk in ons land nog één en ongedeeld was’ zei ik tegen het drietal, samen verzonken in gedachten aan de late Middeleeuwen. Zo afdalend in het verleden vergat ik zelfs even dat ik op weg was naar een Iftar.
‘Ik hoop dat de werkzaamheden opgeschort kunnen worden en dat de stadsarcheoloog verder onderzoek zal gaan doen’ voegde ik toe.”
‘In elk geval moeten we de wethouder waarschuwen dat deze situatie onhoudbaar is. Ze moeten zo snel mogelijk hekken om de omgewoelde grond zetten’ zei Wouter ‘je moet er niet aan denken dat deze botten van je overgrootouders zijn’
‘De toon voor een column of artikel in de krant is gezet’ dacht ik
Toen ik opkeek zag ik honderd meter verderop mijn vrouw staan met haar fiets. Ze zwaaide met haar arm. Op haar lippen kon ik lezen: ‘Kom je nou?’
Ze had natuurlijk geen idee waarom ik met die drie mannen stond te praten.
‘Heren, ik moet er echt vandoor. We zijn op weg naar de Iftar van het Islamitische centrum verderop. Nog even dan is de zon onder en dan gaan we aan tafel. Succes met je artikel, Wouter’.
‘Wie waren dat?’ vroeg mijn lieve metgezel terwijl ze weer op de fiets stapte. ‘Dat was Heuswaar, een journalist van het Algemeen Dagblad. Ach, nee, sorry. Dat is zijn twitternaam’ verbeterde ik mijzelf ‘in het echt heet hij De Heus’. Ik praatte haar bij over Wouter en zijn ontdekking bij de kerk.
Bij het Islamitisch Cultureel Centrum Leidsche Rijn zetten we onze fietsen tegen elkaar. Onafscheidelijk verstrengeld met één kettingslot. We werden heel vriendelijk ontvangen door mannen in gebedskleding.
Rondom het gebouw van het ICCLR stond buiten een menigte aan tafels en witte plastic stoelen. Wat een geluk dat het mooi en droog weer was. Op elke tafel flesjes water en mandjes met stukjes stokbrood, en een brandende kaars in een papieren zak waarin vensters geknipt waren. De jongeman die ons verwelkomde leidde ons naar de tafels. Ik herkende andere genodigden zoals een wijkagent in burger en de rector van een College in de buurt. Iedereen stond nog met elkaar te praten want de zon was nog niet onder.
“Mag ik u naar het gedeelte van de vrouwen begeleiden?” zei de vriendelijke jongeman tegen mijn vrouw. Ineens realiseerde ik me dat we er geen rekening mee hadden gehouden dat vrouwen en mannen gescheiden zitten in deze gemeenschap. Ze reageerde welwillend.
“Nou, tot straks” zei ze laconiek tegen me. Verderop zag ik de tafels met allemaal jonge vrouwen met hoofddoekjes en kleurige gewaden. Vanuit de verte zwaaide ze nog even. Ze nam plaats bij een aantal vrouwen met wie ze met een in gesprek raakte. Later vertelde ze me dat de vrouwen allemaal perfect Nederlands spraken. Ze waren heel vriendelijk geweest. Ze hadden haar ook even de gebedsruimte voor de vrouwen laten zien toen ze daar een kort gebed voor de maaltijd baden.
Zelf zat ik aan een grote tafel ronde tafel met negen personen, moslims en niet-moslims. Ook een vrome vader van elders met twee tieners. Vrijwilligers droegen schalen met hapjes aan. We begonnen met kekererwtensoep. Het was een hartelijke sfeer. Ik had niet anders verwacht natuurlijk. Samen de maaltijd houden, verbindt. Dat is de bedoeling van de Iftar.
Na anderhalf uur brak het uur van het avondgebed aan. De tafelgenoten begaven zich naar de gebedsruimte. Met de andere  genodigden bedankte ik de organisatoren voor de gezelligheid. Ik zocht mijn vrouw op die met de rug naar mij toe gekeerd nog zat te praten met een jonge moslima.
‘Ga, je mee?” voeg ik haar ‘want ze gaan nu allemaal naar binnen om te bidden’. Ik zag dat ze het naar de zin had gehad. Dat we niet bij elkaar hadden kunnen zitten, had haar helemaal niet gestoord.
‘Weet je nog, vroeger bij ons thuis’ zei ze met een glimlach ‘dat op een verjaardag van mijn ouders de vrouwen in de voorkamer zaten en de mannen in de achterkamer? Dat is nog maar een halve eeuw geleden’.
Het was donker geworden. Door de lege stille straat fietsten we terug naar huis. Ieder vol van de eigen gedachten, innerlijke beelden, en verzadigd van de maaltijd, het voedsel en de gesprekken. Toen we de kerk passeerden zagen we niemand meer. Het donker was neergedaald over de vermoedelijke kleine begraafplaats die hier ooit geweest was.
In gedachten zag ik Wouter in een verlichte huiskamer in Leidsche Rijn achter zijn laptop met muziek van zijn geliefde band uit de jaren tachtig uit de boxen.  Wat hij schreef zou natuurlijk de nodige stof doen opwaaien bij de betrokken instanties en bewoners van De Meern. Ik voelde met hem mee. Je wil zoveel aardige dingen schrijven als journalist, maar je stuit steeds weer op allerlei ongerechtigheden zoals vandaag menselijke botten die bij graafwerkzaamheden bloot komen te liggen zonder dat iemand er naar om kijkt.
We dronken thuis nog een glas wijn ter afsluiting van deze wonderlijke avond. Bijna sprookjesachtig vanwege de Iftar en spookachtig vanwege de bottenberg onderweg. Wat een toevallige samenloop.
Op weg naar de betekenisvolle maaltijd met mensen van een andere religie om onderlinge vrede en goede wil te vieren, waren we gestuit op de resten van een oud vergeten kerkhof dat een verleden oproept van de ene kerk die er vijfhonderdjaar geleden nog was. Christenen zijn daarna verdeeld geraakt en gunden elkaar vaak het licht in de ogen niet. Gelukkig is dat nu totaal veranderd. We moeten steeds weer bruggen bouwen in plaats van muren optrekken.
Met het glas wijn in de hand mijmerde ik wat over het nieuw te maken dorpsplein op de plek van een voormalig kerkhof. In Maastricht zitten mensen op terrassen op het Vrijthof. Andre Rieu organiseert daar elk jaar een muziekfeest dat we op de televisie kunnen volgen. Utrecht heeft zijn bekende Janskerkhof waar je gezellig kunt zitten. Zoals de wijn over mijn tong gleed proefde ik de namen ‘Hofplein’ ‘Oud-kerkhof’. Ik stelde me de zitjes voor op het nieuwe dorpsplein in de zon tegenover de Meernburg met een concert van de Bazuin of de Vleutense Harmonie.   Het proeven van deze namen smaakte naar meer.
Voor de reformatie hadden alle kerken en kapellen een naam, die van de patroonheilige van de kerk. Naar wie was de kapel die bij de Meernburg stond, genoemd? Ik stuurde een mailtje naar Ton van Schaik, historicus, aan de Groenedijk geboren.
‘De kapel die er in elk geval in 1480 al stond, behoorde tot de Oud-munster van Utrecht, de H. Salvator. Ze is genoemd naar H. Antonius de Grote, gestorven op 17 januari 365 in Egypte’ mailde hij terug de volgende dag.
Natuurlijk had ik altijd al geweten dat daar vroeger een kapel had gestaan, maar ik had me nooit afgevraagd of de kerk een naam had gehad. Dus de Marekerk staat op de plaats van wat ooit de H. Antoniuskerk was.  Het kerkhof is het kerkhof van de Antoniuskerk. Genoemd naar dezelfde patroon naar wie het grote nieuwe ziekenhuis in Leidsche Rijn is genoemd. Zou het niet mooi zijn, dacht ik, als het nieuwe dorpsplein, door zijn naam herinneringen oproept aan de tijd dat christenen nog niet gescheiden waren geraakt.
De naam Antonius herinnert ook aan de maatschappelijk zorg van de kerk toen. Want zorg voor de behoeftigen was een belangrijke taak. Op de dag van H. Antonius, 17 januari, werd brood uitgedeeld aan hen die een steuntje in de rug konden gebruiken. Ton van Schaik vertelde verder dat de Hervormde Gemeente deze Antoniusbrooduitdeling nog een tijd heeft voorgezet tot er eigentijdere vormen van ondersteuning voor in de plaats waren gekomen.
Vieren we binnenkort gemeenschappelijke momenten van de Meernse gemeenschap in de Antoniushof of het Antoniusplein? Mensen van alle geloven en culturen? ‘Antoniuskerkhof’ zei ik een paar keer hard op om te horen hoe dat klonk. Ik probeerde ‘Antoniushof’. Of misschien ‘Antoniusplein’? Ineens begint het nieuwe dorsplein voor me te leven.
Ik besloot deze merkwaardige avond met een inspirerende gedachte. Want de Iftar is oorspronkelijk toch ook bedoeld als maaltijd waarop degenen die in overvloed leefden hun arme medemensen aan tafel nodigden. Iftar en Antonius hebben heel veel met elkaar te maken. H. Antonius verdeelde al zijn bezit onder de armen en behoeftigen om zich helemaal aan contemplatie en gebed te wijden. Stel je voor dat het nieuwe dorpsplein naar Antonius genoemd zou worden. Dan zouden de gemeenschappelijke wortels van alle christenen in De Meern weer zichtbaar worden. Op die manier zou de ontdekking van verwaarloosde oude botten in een plantsoen op weg naar een Islamitische zou maaltijd misschien een heilzaam gevolg hebben. Ook zou zo recht worden gedaan aan de overblijfselen die gevonden zijn, uit welke eeuw dan ook
Ik hoor het de chauffeur van lijn 28 bij de Meernbrug al zeggen: Halte Antoniushof.

© Martin Los

De toekomst van de kerk in een verstedelijkte wereld

De verstedelijking en de toekomst van de kerk

PasssionRotterdam2015Soms valt ons ineens iets op. We wisten het allang, maar het had nog geen bijzondere betekenis voor ons. Mogelijk negeerden we het, bewust zelfs misschien, omdat de boodschap onprettig was. Door die schok van de ontdekking kan het gebeuren dat het probleem verandert in een enorme uitdaging. Je voelt een tinteling door je handen gaan. Je wil aan de slag gaan. Geen moedeloosheid meer, maar goede moed. Geen onverschilligheid meer maar passie.

Terreinverlies
Politiek commentator Hans Goslinga schrijft in Trouw in zijn column bij gelegenheid van  het 35 jarige lustrum van het CDA dat de partij in de vier grote steden slechts 10 van de 180 te verdelen zetels heeft.
Voor een partij die zich tot de invloedrijksten van ons land rekent, is dat iets om zich grote zorgen over te maken.
De partij scoort het hoogst in de provincies, en dan nog in die aan de rand van ons land. Friesland, Overijssel en Limburg.
Waar het leven nog een beetje overzichtelijk lijkt, gedijt het CDA  kennelijk, volgens Goslinga. Maar waar de samenleving onoverzichtelijk is, zoals in de steden, verliest de partij nog steeds terrein.
Met de trek naar de grote steden vanuit de provincie is dat geen hoopvol vooruitzicht voor de christendemocraten. In de steden is hun invloed klein, en de randen van ons land waar ze wel een rol spelen, neemt het aantal inwoners af.

Er is een duidelijke parallel met de kerken in ons land. In provincies waar het leven enigszins overzichtelijk lijkt, is er in de regel nog sprake van enige vorm van kerkelijke presentie. Maar in de grote steden heeft de kerk moeite om het hoofd boven water te houden in de zee van mensen.
Gezien de krimp van de bevolking in de provincies en de moeite van de kerken om zich in de steden enigszins staande te houden, is dit geen rooskleurig beeld.

Kerksluiting
In de Rooms-katholieke kerk neemt met name kardinaal Eijk geen blad voor de mond als hij vanuit deze ontwikkeling de toekomst van de parochies en kerken in het aartsbisdom beschouwt.
De komende vijftien jaar zal als de ontwikkelingen niet veranderen, volgens de kardinaal, het bisdom nog uit ongeveer 20 parochies bestaan met één of meer kerken afhankelijk van de vitaliteit. Op dit moment zijn er nog 50 parochies met samen enige honderden kerken. Vijfentwintig jaar geleden waren er nog 350 parochies in het Aartsbisdom Utrecht.
In de media en in de volksmond wordt de niet erg optimistische visie van de kardinaal vaak voorgesteld als een bewust beleidsplan. De aartsbisschop zou er volgens tegenstanders op uit zijn om kerken te sluiten en op die manier een aantal orthodoxe centra over te houden.
Maar de kardinaal benadrukt telkens dat hij helemaal niet bewust aanstuurt op sluiting van kerken. Hij kan dit zelfs niet volgens het kerkrecht, legt hij uit, omdat niet de bisschop, maar parochiebesturen kerkgebouwen voordragen om gesloten te worden. Reden kan zijn dat de inkomsten ver achter blijven bij de uitgaven voor personeel en gebouwen, en dat een faillissement dreigt.
Door de kritiek op de persoon, wordt de aandacht van de zaak zelf afgeleid. Waar het om gaat is de kerkelijke presentie in onze tijd. Welke vorm kan zij aannemen in onze tijd. Het werkelijke probleem wordt verhuld door de mist van de commotie. Als die mist is opgetrokken zal het probleem intussen alleen maar toegenomen zijn. Terwijl de tijd dringt.

Algemeen kerkelijk probleem
Ook in de Protestantse Kerk Nederland is sluiting van kerken een zaak die velen bezig houdt. Daar geen bisschop die men verwijten kan maken. Tenminste nog niet, want af en toe klinkt in de PKN de roep om een bisschop om kordater problemen te kunnen aanpakken.
Een kerkrentmeester uit Enschede schrijft in een ingezonden brief in Trouw naar aanleiding van de commotie rond kardinaal Eijk dat in die stad zes kerken gesloten zullen worden.
Op de homepage  van de EO stond deze week het bericht dat tachtig procent van de protestantse kerken in de rode cijfers is beland. Alles bevestigt het beeld van gestage teruggang van kerkelijke presentie in de provincies en marginalisering in de steden.
Hoe onoverzichtelijker en gevarieerder de samenleving, hoe minder kerk en christelijke politiek nog zichtbaar zijn. Elkaar van dit proces de schuld geven, is geen oplossing. Het gaat om een proces dat zich in de samenleving voltrekt. Natuurlijk is sluiting van kerkgebouwen heel pijnlijk. Gelovigen en niet-meer-gelovigen zijn vaak emotioneel verbonden met een kerk. Daar moet zeer zorgvuldig mee worden omgegaan. Het vraagt om een zorgvuldige communicatie.

Maatschappelijke en cultureel probleem
Verder is het ook een zaak van heel de gemeenschap van een dorp, stad of buurt wat er met een kerkgebouw moet gebeuren als de kerkelijke gemeente niet meer in staat blijkt het gebouw open te houden.
Terecht heeft de Christen Unie aandacht van de politiek gevraagd om zich te buigen over de toekomst van de kerken in ons land. Ze bepalen vaak de horizon, of het beeld van de buurt.  De bouwstijlen zijn van belang vanuit cultureel opzicht. En vaak vervullen kerken afgezien van hun religieuze functie een rol als centrum in een gemeenschap.
Sluiting van kerkgebouwen is iets dat ons allen als burgers aan gaat. Onttrekken aan de eredienst wil niet zeggen dat de kerk ook als gebouw hoeft te verdwijnen. Het zou goed zijn als de politiek zich hierover buigt. In Frankrijk zijn de kerken van de overheid. En in Duitsland betalen kerkleden kerkbelasting via de overheid. Dat is een situatie die in ons land niet denkbaar of wenselijk is. Maar het kerkgebouw als speelbal van krachten zoals de marktwerking is toch ook niet de bedoeling. Het heeft al genoeg te lijden van weer en wind.

Hoe langer hoe meer worden de contouren van het werkelijke probleem duidelijk: hoe onoverzichtelijker, gevarieerder en dynamischer de samenleving, hoe onzichtbaarder en marginaler kerk en geloof. Door de verstedelijking en de ontvolking van het platteland en de randen van ons land zal dit proces alleen maar toenemen.

Angst en onzekerheid
Volgens Goslinga in zijn column in Trouw is het verdwijnen van de christendemocratie in de steden een gevolg van angst om met het onbekende en vreemde om te gaan. Naar zijn mening heeft het CDA de boot gemist in de afgelopen periode door onvoldoende ruimte te bieden aan mensen van andere culturen en geloven in de partij en aan hun verlangens.
Ik ben onvoldoende op de hoogte met wat erin de hoofden van de leiders van het CDA omgaat, maar het woordje “angst” is denk ik wel terecht. Angst voor wat niet overzichtelijk is, wat onbekend is, wat buiten de gebaande paden gaat. In de onzekerheid van de moderne samenleving kun je met angst niet uit de voeten.
Natuurlijk is er angst. De meeste moderne mensen, en vooral jonge, hebben last van angst. Maar zij weten dat die angst als raadgever tot niets leidt.
Tegen de angst knokken, de kansen grijpen die er liggen, wendbaar zijn, is de remedie van de jonge mensen om het hoofd boven water te houden en een beetje gelukkig te zijn in alle onzekerheid en dynamiek.
Als ik Goslinga goed begrijp, moeten de christendemocraten de angst afleggen voor alles wat onzeker maakt, om weer voet aan de grond te krijgen in de moderne samenleving. Geen angst hebben voor de buitenwereld, maar er helemaal voor openstaan.

Zichtbaarheid
Ook hier zie ik een parallel met de kerk en de christelijke presentie in onze samenleving.
De kerk is meester geweest in het zichtbaar zijn in een overzichtelijke wereld.
Kerken werden gebouwd op hoogste punten, vaak nog op de plek waar de heilige eik of andere voor-christelijke heiligdommen stonden.
In de tijd van de industrialisatie en de uitbreiding van de steden met nieuwbouw wijken was het beleid dat in elke wijk een kerk werd gebouwd, een rooms-katholieke, een Hervormde en een Gereformeerde.
Velen van ons zijn nog met dat beeld vertrouwd uit onze jeugd. Daardoor heeft het model iets normatiefs. We zien het verdwijnen ervan als een groot probleem en steken alle energie erin om groter verval tegen te houden.
Maar als het probleem nou eens een geweldige uitdaging blijkt te zijn? Als we  de angst voor het onzekere en onbekende afleggen, zouden we als christenen dan niet veel meer kunnen betekenen met de boodschap van het Evangelie?
Meester zijn in een overzichtelijke wereld uit zich in een presentie en macht die zegt: “kom maar naar ons toe. Wij hebben alles wat jij nodigt hebt”.
Daar tegenover leerling zijn. Leerling van Jezus zijn in een onoverzichtelijke situatie betekent naar de mensen te gaan, zijn waar zij zijn, met alle angst, onzekerheid en armoede, om zo de rijkdom en de blijdschap van het Evangelie te beleven.

Een paus uit een wereldstad
Het is voor mij een bijzonder teken van Gods voorzienigheid dat juist in deze tijd een paus gekozen is die meer dan vijfentwintig jaar aartsbisschop is geweest van een stad van minstens 13 miljoen inwoners: Buenos Aires.
Andrea Riccardi, oprichter van de nieuwe kerkelijk beweging San’Egidio,  schrijft in zijn boek La Sopresa di Papa Francesco (Milaan 2013) over de grondmotieven van het pastoraat van paus Franciscus dat de verkondiging van het Evangelie in verstedelijking op aarde één van zijn grote passies is.
We leven in een tijd waarin sommige hoofdsteden meer bewoners tellen dan de rest van het land. In Argentinië is dat al het geval. De stad is een wereld die de alles bepalende horizon van mensen geworden is.
Paus Franciscus ziet de bijna onmetelijke stad niet als gebied dat in religieus opzicht als verloren moet worden beschouwd. Hij ziet de stad van de mens juist als een enorme uitdaging voor het Evangelie. In zijn visie moeten we als christenen present zijn door de armen te helpen in nood, door mensen zonder uitzicht hoop te bieden. “Huur een garage waar je met anderen bidt en waar mensen kunnen aankloppen” adviseert de paus de priesters en de leiders van gemeenschappen.

Geen gebouwen maar getuigen
We moeten zichtbaarheid van de kerk niet verwarren met zichtbaarheid door kerktorens. Wat bijna iedereen vergeet, is dat christenen in het begin drie eeuwen lang geen kerkgebouwen mochten bouwen omdat de kerk verboden was. Gelovigen werden vervolgd en velen werden om hun trouw aan het Evangelie gedood. Zij heetten “martelaren” (Grieks martyr “getuige”), christenen die met hun leven getuigden.
Drie eeuwen lang duurde deze situatie, denk je eens in. Toch werd het geloof doorgegeven en groeiden de christelijke gemeenschappen.
Pasen na 325 mochten er kerken gebouwd worden en monumenten op heilige plaatsen worden opgericht.
Waar was God al die tijd? Was Hij nergens vanwege het ontbreken van gebouwen? Hij was in de harten van de gelovigen, in de hartelijke wijze waarop zijn samenkwamen op een binnenplaats om het brood te breken, in de voorbeeldige wijze waarop men met de armen omging. In de vrijheid die men beleefde doordat voor God iedereen gelijk was: vrije en slaaf, rijke en arme, man en vrouw, enzovoort. Niets was voor de eerste christenen zeker, alleen God. Maar juist daardoor konden ze voor hun medemensen zoveel betekenen.

Vergeten we ook niet de tijd van de Reformatie toen de Rooms-katholieken alle openbare kerkgebouwen verloren. Drie eeuwen lang mochten ze alleen thuis en in schuilkerken hun geloof vieren. Het waren vooral de gezinnen waarin generaties lang het geloof werd doorgegeven en beleefd in de huiselijke rituelen.

Het begon in de steden
De verkondiging van het Evangelie door de apostelen en de eerste christenen begon in de grote steden. Lees het boek van de Handelingen der apostelen erop na. Paulus begaf zich naar de plekken waar mensen samenkwamen. Natuurlijk waren die steden kleiner dan de moderne, maar op een bepaalde manier waren ze heel onoverzichtelijk.  Er waren vele rondtrekkende handelslieden. En overal waren Romeinse garnizoenen gelegerd die vaak snel van samenstelling wisselden. Er was een mengelmoes van culturen en talen. De apostelen zagen de stad niet als een onoverkomelijk probleem, maar als “velden die wit waren om te oogsten en waarin de Heer van de oogst hen had uitgezonden”.

De stad van God en mensen
In zijn eerste encycliek Gaudium Evangelii bespreekt paus de uitdaging om de vreugde van het geloof te verkondigen en ook zelf te beleven in de stad. Meer dan wie ook is de voormalige aartsbisschop van Buenos Aires zich bewust van de menselijke ellende in de stad, maar het is ook de plaats waar de stad van God zich voltrekt.
“Het nieuwe Jeruzalem, de heilige Stad , is het einddoel waarnaar de hele mensheid op weg is. Het is interessant dat de openbaring ons zegt dat de volheid van de mensheid en de geschiedenis wordt verwezenlijkt in een stad. Wij moeten de stad vanuit een contemplatief standpunt herkennen, ofwel vanuit een standpunt van het geloof dat de God ontdekt die in haar huizen, in haar straten, op haar pleinen woont. De tegenwoordigheid van God begeleidt het oprechte zoeken dat mensen en groeperingen doen om steun en zin voor hun leven te vinden. Hij leeft onder de burgers en bevordert de solidariteit, de broederlijkheid, het verlangen naar het goede, naar waarheid, naar gerechtigheid. Deze tegenwoordigheid mag niet worden vervaardigd, maar moet worden ontdekt, onthuld. God verbergt zich niet voor hen die Hem zoeken met een oprecht hart, hoewel zij dat tastend doen, op een onnauwkeurige en vage wijze “ Evangelii Gaudium (Hoofdstuk II, 71)

Hoe anders is vaak nog onze eigen instelling. We willen houden wat we hebben en we zien de onkerkelijke omgeving als bedreiging van ons geloof en de waarden van het geloof. Hoe christelijk is deze visie en hoe vreugdevol is deze beleving? Hoe kan zo een gemeenschap iets uitstralen naar anderen, met name jongeren voor wie de wereld onoverzichtelijk is en zal blijven, net als voor de armen en ontheemden, en voor wie niet?

Kerk in de kinderschoenen
Ik ben zelf pastoor in Leidsche Rijn (inclusief Vleuten/De Meern). In minder dan 15 jaar is de bevolking hier gegroeid van 17.000 tot 85.000. Ze zal doorgroeien tot 100.00. Vanuit heel Nederland en van over de hele wereld komen hier mensen wonen.  Er zijn weinig historische en natuurlijke verbanden. Er zijn geen nieuwe parochiekerken bijgekomen ondanks de enorme toevloed van mensen. Kerksluiting lijkt de komende tien jaar niet aan de orde vanwege de vitaliteit van de geloofsgemeenschap en de aanwas met jonge mensen. Maar de vraag hoe je buiten de kerkgebouwen kerk kunt zijn, hoe je als christenen zichtbaar en vruchtbaar kunt zijn in enorme woonwijken zonder zichtbare kerken, is des te urgenter.
Ik merk hoe belangrijk in zo’n stedelijke omgeving sociale media zijn als Facebook en Twitter. Maar dat is slechts één aspect van presentie.
Samenwerking met de nieuwe buurtteams is een nieuwe mogelijkheid door samen mensen te helpen. Bondgenoten zoeken bij de medechristenen, en bij alle groepen die opkomen voor menselijkheid en andere gemeenschappelijke waarden.
En vooral door persoonlijk als christenen herkenbaar present te zijn door onze hoop, door liefde en blijdschap, en edelmoedigheid, door samen te komen en te bidden en elkaars verhalen en ervaringen te delen.

Het is ook nodig voor ogen te houden dat de kerk een instituut is met ambten, maar ze is evenzeer ook een beweging met charisma’s.
De kerk is tweeduizend jaar oud, maar ze staat ook nog steeds in de kinderschoenen. Het is niet of-of, maar en-en.
Plaatselijke kerken moeten samenwerken met kerkelijke bewegingen en congregaties. Elkaar niet als concurrenten beschouwen

Ik denk ook aan de vele katholieken die uit andere werelddelen hier komen wonen. Zij zijn vaak een voorbeeld hoe je spontaan kunt geloven, zonder de vertrouwde sociologische context die voor ons geboren en getogen Nederlanders zo nodig blijkt om het geloof te bewaren. Met het verlies van die context lopen velen letterlijk met hun ziel onder de arm. Vooral van de Zuid-Amerikaanse, Aziatische, Oost- en Zuid-Europese christen kunnen we veel leren.

Christelijke presentie als permanente uitdaging
Leidsche Rijn is deel van de gemeente Utrecht. Volgens berichten lijkt in de stad Utrecht sluiting van meerdere kerkgebouwen onafwendbaar.
Als dat zo is zullen die monumentale kerken hopelijk behouden blijven voor de buurt. Toch betekent dit dat ook in de stad Utrecht mogelijk op korte termijn hele stadsdelen zonder kerkelijk presentie in de vorm van zichtbare kerken zullen komen.
Hoe kunnen we daar als christenen present zijn. Hoe voorkomen we dat we daar door de “angst voor de buitenwereld” geen mogelijkheden meer zien om het Evangelie aan velen te verkondigen en samen met velen te beleven?
Wat zou het jammer zijn als we blijven steken in de discussie en de pijn van kerksluitingen. Sluiting van kerken kan nooit een doel op zich zijn, maar behoud ervan ook niet.
Natuurlijk is voor ons een kerk meer dan een gebouw. Het is een huis van God. Het is zichtbaar teken van Gods tegenwoordigheid onder de mensen. Maar sluiting, als het echt niet anders kan, betekent niet het einde van de tegenwoordigheid van Christus in ons midden.
Het kan ook het begin zijn van de ontdekking hoe krachtig de blijde boodschap is als we naar buiten treden. Het zou heel goed zijn als we als parochies binnen Utrecht samen kijken hoe we aan de oproep van paus Franciscus gehoor kunnen geven om in onze stad als christenen present te zijn.
Laten we de stad niet als een bedreiging van kerk en christelijke waarden zien, maar als een enorme uitdaging om de vreugde van het Evangelie te beleven als in de dagen van de eerste christenen.

(c) Martin Los, 29 april 2015