Shtisel, subcultuur en spiegelbeeld

Door ziekte geveld zocht ik naar enige afleiding op Netflix. Ik zag de titel van een Israëlische serie voorbijkomen: Shtisel. Dat associeerde ik voor mijzelf meteen met het Jiddische woord Schtettel, dat een Joods stadsdeel aanduidt waar uiteraard Jiddisch gesproken wordt, een soort vermenging van Duits (Habsburgs) en Hebreeuws. Sjtitel is de naam van een familie van vier generaties die in een wijk van Jeruzalem wonen, de Geula. De oudste twee spreken en zingen nog Jiddisch.
Er zijn twee jaargangen (2015 en 2016) uitgebracht met elk 12 afleveringen van 45 minuten. Mij boeide elke minuut. Door close-ups van de hoofdpersonen en hun emoties als trage rimpelingen in spiegelbeeldig water. En door het inzicht in het alledaagse leven van een Orthodox-Joodse familie met de uitgesproken en onuitgesproken rituelen. Vooral ook door de strijd die religieuze mensen hebben om trouw te blijven aan hun tradities en tegelijk een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen die op gespannen voet staat of lijkt te staan met de tradities. Dit levert invoelbare innerlijke en onderlinge conflicten op. Hoe gaat een jongeman die een talent heeft om te schilderen – dat hij als een kind dat een goudvis in een plastic zakje met water bij zich draagt en in leven houdt – met een omgeving om die kunst wantrouwt. Zeker als het beelden van mensen betreft, want in de Tien Geboden staat: “gij zult u geen gesneden beelden maken”. Is een leven van studie in de heilige teksten niet de eigenlijk bestemming van elke waarachtig Joodse man? Hoe gaan de weduwen en weduwnaars om met hun trouw aan de overleden partner met wie men immers op weg is naar het rijk van God én de behoefte aan warmte en gezelschap in hun eenzaamheid? Hoe vinden de jongeren een metgezel voor eeuwig in een milieu waar contact tussen opgroeiende mannen en vrouwen zeer beperkt is. De huwelijksmakelaar speelt een belangrijke rol. Gaat deze koppelaar(ster) dood dan valt heel veel kennis weg.
Kijkers die niet in een religieuze cultuur zijn opgevoed, zullen misschien afhaken door gebrek aan kennis van de godsdienstige gebruiken die het hele leven doortrekken, en vaak onuitgesproken, maar bepalend aanwezig zijn. Ook de op het oog volgzame rol van de vrouwen kan je de lust om je verder te verdiepen, ontnemen. Wie zichzelf graag als een autonoom, modern, mens ziet, zal veel vooroordelen bevestigd zien tegenover elke vorm van religieus leven of het nu Orthodox-Joods is of Islamitisch, Rooms-katholiek, en a la de protestantse Bijbelbelt. Mijn waardering voor de serie houd ook zeker geen pleidooi in voor de levenswijze in de familie Shtisel. Maar wie geduld en respect opbrengt, kan geboeid blijven door de wijze waarop men omgaat met teleurstellingen, kleinmenselijkheid, hypocrisie, in een traditionele religieuze setting. Hoe verlangens zich een weg banen en liefde kan groeien en bloeien als steenbreek door een rots.
Maar vooral stelt Shtisel een vraag aan ons allen als kijker. Hoe kan Shtisel een spiegel zijn voor elke persoon, gemeenschap en cultuur om zich af te vragen welke belemmerende en inspirerende elementen de eigen cultuur kent. Bezitten ook vooruitstrevende mensen in hun opvoeding en gezinsleven en cultuur niet vaak onuitgesproken codes en vanzelfsprekend gewoontes die mensen in de weg staan en beknellen? Heeft iedereen wel het welzijn van zijn/haar kind op het oog of spelen bepaalde idealen van de ouders een grotere rol? Is de omgang in de relaties van dien aard dat men de ander werkelijk de ruimte laat zich te ontplooien? Kunnen we dat altijd wel gezien onze menselijke tekorten. Inderdaad is enige bescheidenheid op zijn plaats. De Belgische psychiater Dirk de Wachter (Borderline Times) legt uit dat we ons wel bevrijd hebben van een beperkende, religieus bepaalde samenleving, maar dat de nu ontstane grenzenloze samenleving ook veel psychisch leed veroorzaakt. Geen mens komt op de wereld in een nog onontgonnen situatie. Elke tijd en cultuur kent mensen die meer of juist minder lijden aan de omgeving waarin zij geboren zijn. Hoe zullen series eruit zien die over vijfentwintig of vijftig jaar gemaakt worden over onze moderne gezinnen en families, samenleving en subculturen?
Begrijp me goed, ik ben niet fatalistisch. Waar ik voor waken wil is dat we met kritiek op het verleden – vaak vanuit persoonlijke ervaring – op onze emancipatorische lauweren gaan rusten. Zelfgenoegzaamheid is altijd de dood in de pot

© Martin Los

Een heel bijzonder, maar toch gewoon gezin

Preek op het feest van de H. Familie – Jezus, Maria en Jozef 29/30 december 2018 Mariakerk en Willibrordkerk

“Waarom heb je toch naar mij gezocht. Wist je niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ 1)

Lieve zusters en broeders, het is voor ouders en kinderen een troost dat in het gezin waarin Jezus opgroeide, ook misverstanden en conflicterende belangen voorkwamen zoals in elk gezin.
Een goed gezin is geen gezin waarin nooit onderlinge problemen voorkomen, tussen ouders onderling en tussen ouders en kinderen. We begrijpen soms niet waarom de ander zich anders gedraagt dan je zelf zou willen vanuit je eigen perspectief. Een goed, veilig gezin is wel een gezin waarin men op een goede manier met die verschillen en conflicten omgaat. Belangrijk is dat je zaken uitpraat en elkaar begrijpt. Voorwaarde is dat ieder respect voor de ander heeft, de ouders voor elkaar, de kinderen voor de ouders en de ouders voor de kinderen.
Het helpt enorm om steeds oplossingsgericht te werk te gaan. Niet gekwetste eer mag de sfeer bepalen, niet behoefte aan vergelding van onbetaalde onderlinge rekeningen, maar de wil om te leren van wat er mis ging in de omgang met elkaar. Laat het ook niet ontbreken aan humor en relativeringsvermogen. Kortom, als er conflicten zijn is dat geen teken dat er gebrek is aan liefde en wijsheid. Liefde blijkt uit de wijze waarop we misverstanden en botsende belangen waardoor we elkaar soms onbedoeld pijn doen, oplossen.
Daarvan is het gezin waarin Jezus opgroeide, wel een mooi voorbeeld. Jezus is nu twaalf jaar oud. Een puber, zouden wij zeggen. Wij zijn allemáál pubers geweest. Als Maria en Jozef na dagenlang koortsachtig zoeken hun zoon eindelijk vinden in de tempel, zegt zijn moeder niet: “kind, hoe kun je zo ongehoorzaam te zijn tegen je vader en mij. Heb je dan helemaal geen respect voor ons?” Ze blijft dicht bij haar eigen gevoel, niet van gekwetste eer, maar van de zorg die ze gehad hebben, de angst die ze hebben uitgestaan: “Waarom heb je ons dit aangedaan. Denk toch eens met wat een pijn uw vader en ik naar je gezocht hebben?’
En Jezus op zijn beurt antwoordt, niet aangebrand, maar oprecht verbaasd, bijna enthousiast : ‘Wat heb je toch naar mij gezocht. Wist je dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Hij was al twaalf jaar bij hen? Hadden ze dan niet kunnen bedenken dat hij als een vis in het water was in de tempel waar diepzinnige gesprekken over God gevoerd werden, door vrome en wijze geleerden? Hij was nu twaalf jaar, dan mocht je al met de grote mannen meepraten, al deden de meeste jongens dat natuurlijk niet. Die waren liever bezig met spelen, of ze durfden nog helemaal geen vragen te stellen omdat ze bang waren te worden uitgelachen.
Jezus wilde zijn ouders niet kwetsen, maar hij wist toen al dat God een bijzondere weg met Hem zou gaan. Hij wist dat de tijd nog niet rijp was. Hij zou wachten tot God, de Vader, hem riep. Daarom voegde hij zich weer naar zijn ouders en ging met hen mee. Hij wilde hen geen pijn doen. Thuis kon hij ook verder groeien in wijsheid en toewijding aan God en mensen. Maria begreep dat ze wat eerder gebeurd was niet moest afdoen als een incident, een kwajongensstreek. “Ze bewaarde alles wat er gebeurd was –  net als toen de herders in Bethlehem haar vertelden wat de engel had gezegd – in haar hart”. Ze koesterde niet de pijn, maar keek uit naar hoe haar kind zich verder zou ontwikkelen, al begreep ze nog niet hoe.
Dit mooie Evangelieverhaal vertelt over loslaten, kinderen de kans geven een eigen verantwoordelijkheid te leren. Alle ouders weten dat dit soms pijn kan doen. Bij de ouders die het beste met hun kind voor hebben, én bij de kinderen die een leven moeten leren leiden en daarvoor ruimte vragen.
Maria en Jozef waren echt geen overbezorgde ouders. Ze vertrouwden erop dat hun zoon geen gekke dingen zou doen. En ze vertrouwden op de gemeenschap. Dat die ook een oogje in het zeil hield. “In de mening dat Jezus zich bij de karavaan bevond gingen ze een dagreis verder en zochten hem onder familieleden en bekenden”.
Het is zo belangrijk dat kinderen opgroeien in een gemeenschap – een “karavaan” die groter is dan de ouders alleen. Dat kinderen op zoek naar de juiste waarden ooms, tantes, en bekenden, verschillende rolmodellen ontmoeten. En ook kunnen zien hoe andere kinderen uit diezelfde gemeenschap zich gedragen. Ze delen allemaal in dezelfde normen en waarden, maar passen ze toch steeds net iets anders toe. Zo leren kinderen dat regels geen dictaten zijn, maar met situaties te maken hebben en keuzes. Voor de geloofsopvoeding is het ook zo belangrijk dat we onder onze familie, vrienden en bekenden ook medechristenen mogen rekenen, een omgeving waarin kinderen zien dat ook andere ouders thuis bidden, regelmatig naar de kerk gaan, en proberen evangelische waarden als vergeving, iets voor anderen overhebben, voorop staan.
Laten we een omgeving voor elkaar en onze kinderen creëren waarin ze kunnen opgroeien tot goede mensen. Maar we hopen ook dat onze kinderen gaandeweg gaan ontdekken dat zij niet alleen onze kinderen zijn, maar ook kinderen van God. Dat ze opgroeien in een sfeer waarin voorgeleefd wordt dat God liefde is en dat Hij hen altijd nabij is. Dat Hij met hen het goede voorheeft, en hen roept om in het voetspoor van Jezus gave en krachtige mensen te zijn.
“Vrienden” zegt Johannes “nu al zijn wij kinderen van God, maar wat wij zijn is nog niet geopenbaard” 2). Als mensen die geroepen zijn in Jezus Christus zijn we een leven lang in ontwikkeling. “Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard”:  Ook wij ondergaan tegenslagen en zijn sterfelijk. Ook wij schieten vaak tekort, maken fouten en laden soms schuld op ons. Maar in geloof mogen we al Gods kinderen zijn. We mogen steeds verrast zijn door wat God in zijn liefde in ons ziet. We mogen steeds verwonderd en blij zijn met de genade die Hij ons geeft om te groeien als zijn kinderen binnen het hele huisgezin van God dat de kerk is en zou moeten zijn.
‘En dat God in ons woont, weten de door de Geest die Hij ons gegeven heeft” Amen

(c)Martin Los
Evangelielezing: Lukas 2:41-52
1e lezing: Eerste brief van Johannes 3:1-2,21-24
Afbeelding: Palestijnse familie door Sliman Mansour