Nachtbrakers

Zo’n avond. De laatste cicade onderbreekt zijn concert. Hij spitst de oren. Huh, waar is de rest gebleven? Op slag is het heel stil. De avond houdt de adem nog in. Achter het appartementencomplex waar we vakantie houden, zwelt het verkeerslawaai aan. Het gebrom van de darren en bezige bijen van auto’s en motoren dat na de siesta weer op gang is gekomen. Eerst waren ze nog overvleugeld geweest door de rest van het subtropische orkest, de jazzband van cicaden die uit hun dak gaan met hun lijf als waanzinnig wasbord.
Ook het geronk van de auto’s en motoren wordt gaandeweg minder. Er vallen pauzes. Nu is het helemaal donker geworden. Tijd voor het gejammer van kleine kinderen van de vakantiegangers die met tegenzin in voor hen vreemde bedden worden gelegd. Elke avond opnieuw dat gevecht met de angst voor spoken van de nacht.
Uit een bar bij de jachthaven klinken nog flarden muziek die de avondbries wegvoert totdat de laatste klant vertrokken is en een kelner het metalen rolluik neerlaat. We nemen een laatste glas locale witte wijn op het balkon dat uit ziet op het strand en de zee. Alleen de golven kruipen nog onder de stilte uit als ze op het strand hun laatste adem uitblazen.
˜Waf. Waf. Waf’.
Ergens, wie weet kilometers hier vandaan, slaat een hond aan. Met de heuvels als klankbord. Is het vanwege een late voorbijganger – wat we vurig hopen – dan houdt het geblaf wel weer op. Maar anders komt er geen einde aan, weten we uit ervaring van vakanties in andere gebieden.
˜Waf. Waf. Waf………’Waf. Waf. Waf. Waf’.
Steeds hetzelfde geblaf. Monotoon. Met gelijke pauzes. Net als je denkt ‘dit was de laatste keer’ begint het opnieuw. Ruikt die eenzame hond achter een hek ergens in de verte constant onraad? Een vos, een slang, een rat. Er beweegt onzichtbaar voor onze ogen in het donker zoveel daarbuiten. En dan nog de vele geuren die de hondenneus bereiken, nu de hitte plaats heeft gemaakt voor een aangenamere temperatuur en de dampen zich losmaken van de grond. De nacht is een wereld op zich. Een soort onderwereld. Voor andere zintuigen bestemd dan de ogen.
Toch maar naar bed.  Maar als ik een paar uur later even wakker wordt met aandrang om naar het toilet te gaan, klinkt onverbiddelijk onheilspellend:
‘Waf. Waf. Waf’………Waf. Waf. Waf. Waf’
Eindelijk wanneer de zon opkomt, is het geblaf verstomd. Wat blijft is de herinnering aan een spookachtige nacht. Zo’n ervaring die niet in de reisgidsen en verhalen voorkomt.

Eind mei. We zitten in de tuin van ons huis te genieten van een kostelijke lenteavond. De vakantiebestemming hebben we al vastgelegd. Met de ogen dicht wanen we ons voor even in Zuidelijke streken. Het nachtelijk ‘Waf. Waf. Waf’ denken we weg. Dat is lastig, want het heeft zich in onze herinnering aan warme Mediterrane avonden genesteld. Vanuit de stilte klinkt opeens:
˜Waf. Waf. Waf’……………Waf. Waf. Waf. Waf’
Laat iemand zijn hond uit en komen ze een andere wandelaar met hond tegen? Het is er de tijd van de dag voor. De baasjes willen naar bed.
‘Waf. Waf. Waf’…………………..’Waf. Waf. Waf. Waf’
We kijken elkaar aan. We dromen toch niet? Dit is hetzelfde eentonige geblaf dat we van onze vakanties kennen. Kan iemand die hond niet even weer binnenlaten. Trouwens, de naaste buren van de hondenbezitter zullen toch wel reageren? Tot onze verwondering houdt het niet meer op. Een plotselinge windvlaag bezorgt ons kippenvel. Tijd om naar binnen gegaan. De slaap wacht.

De aangename temperatuur houdt ook de volgende dagen aan. We zoeken ’s avonds weer onze toevlucht tot het tuinterras. De merels en de vinken sluiten de dag met hun opgewekte gefluit en getwiet. Op de grens van licht en donker, in het tweelicht, verschijnen de vleermuizen met hun dolle duikvluchten. Dan valt de stilte en is het donker om ons heen, op de flakkerende kaars na die op het tafeltje staat.
‘Waf. Waf. Waf’…………….’Waf. Waf. Waf. Waf’.
We hadden helemaal niet meer gedacht aan de hond van de vorige avond. We zijn niet op vakantie. Hadden die bewoners een paar straten verder op hun hond weer buiten de deur gezet? Zoiets doe je toch niet? We zitten hier niet tussen eenzame boerderijen.
˜Waf. Waf. Waf’…………..Waf. Waf. Waf’.
Ik krijg het koud. Ik ga vast naar binnen’ zei mijn vrouw

”Ga jij maar vast. Ik blijf nog even zitten lezen Het is zo’n heerlijke avond. Wie weet voorlopig de laatste.. Verdiept in mijn boek drong het geblaf op den duur niet meer tot me door. Plotseling kwam het naderbij. Alsof de hond was losgebroken en opgerukt was tot aan de stevige ligusterheg van onze tuin. Het was zeker dat ik van nabij bespied werd. Zelf kon ik vanwege het donker bijna niets zien. Als het een hond was, moest het een kleine hond zijn, want het geblaf was wel dichterbij en luider – op tien meter afstand – maar het volume was niet evenredig toegenomen
Ik keek om me heen. Ik hoorde geritsel in de boom. Een grote vogel fladderde van de ene boom naar de andere. Nu hoorde ik bijna boven mijn hoofd in de tamme kastanjeboom:
˜Waf. Waf. Waf’……………..Waf. Waf. Waf. Waf’. Dit kon helemaal geen hond zijn. Maar wat dan? Een nachtvogel? Een behoorlijke grote vogel.

De herinnering aan onze vakanties had ons op een dwaalspoor gezet toen we voor het eerst in onze tuin ‘Waf. Waf. Waf’ hoorden.
Welke vogel brengt ’s nachts een geluid voort als van een keffende hond’ twitterde ik in de tuin met mijn mobieltje.
Even later kwamen de online reacties al: ‘een ransuil’

Dus dat is het? Al sinds vorig jaar horen we regelmatig klaaglijk gepiep in de bomen rondom onze tijd als het donker is geworden. En soms ook in de middag. ˜D”at zou een ransuil kunnen zijn’ had iemand die we erover spraken, ons verteld. Dat gepiep als van een deur die gesmeerd moet worden, was van een jong, dat om voedsel riep. Waar een jong is, moet ook volwassen vogels zijn.

Gek genoeg hebben we na deze ontdekking helemaal geen moeite meer met dat irritante monotone geblaf. Bij het eerste ‘Waf. Waf. Waf’ als de zon onder is, spitsen we onze oren. Geen vreemd geluid maar vertrouwd. We zijn trots op ‘onze’ ransuil.  Ik moet denken aan mijn kindertijd toen we op school liedjes leerden als ‘De uil zat in de olmen.  Bij het vallen van de nacht’.  Ik had het kunnen weten.
Vakanties. Kindertijd. Een uitzonderlijke lenteavond. In het donker vloeit alles in elkaar over. Het raadsel rond ons huis is opgelost.
Nu blijft nog wel die ene vraag: waren die nachtelijke hondjes tijdens onze zomervakanties in het buitenland misschien ook uilen?
De herinnering zal het antwoord niet geven. De nachtelijke herinnering is vol dwaalsporen zoals de aanleiding tot dit verhaal. In het donker lijkt alles op elkaar. Voor ons, maar niet voor honden en uilen en andere nachtbrakers.

(c) Martin Los