over de duivel gesproken

Preek op de 10 zondag jaar 9 juni 2018 Wilibrordkerk

Af en toe stelt iemand mij wel eens de vraag: “gelooft u in de duivel?”. Als regel zal ik dan antwoorden: “waarom vraag je dat?” Want meestal is er wel iets gebeurd in het leven van de vraagsteller dat de aanleiding is tot die vraag of ik in de duivel geloof. Het kan zijn dat iemand hele vervelende ervaringen heeft gehad waardoor hij het gevoel had dat er een soort complot tegen hem of haar gericht was. Het delen van zo’n ervaring kan al een stuk angst verminderen. In een tijd van beproeving kan iemand ook het gevoel hebben dat er als het ware een macht is dat aan je trekt om de moed op te geven. Het kan een hele opluchting zijn om dat gevoel te delen. Dat de ander je begrijpt. En dat God je begrijpt. Dan verandert de vraag of de duivel bestaat in de overtuiging dat God ons kent en beschermt. De gedachte aan de duivel verdwijnt dan als sneeuw voor de zon, daar waar het geloof in God versterkt wordt.
Maar het gebeurt ook wel eens dat iemand aan mij vraagt: ‘gelooft u dat de duivel bestaat?” om mij een beetje aan de tand te voelen om te kijken of ik wel een orthodoxe priester ben. Want in de Bijbel komt immers de duivel voor. Meteen al in het scheppingsverhaal. God heeft de mens alles toegestaan. Alleen ze mogen niet eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. “Kijk” fluistert de duivel hen in “dat zegt God omdat hij niet wil dat je aan hem gelijk wordt” 1). Of denk aan het verhaal van de verzoeking van Jezus in de woestijn. Daarin probeert de duivel tot driemaal toe Jezus te verleiden om God te verloochenen.
U voelt wel aan, wat er op het spel staat. Als ik zeg “nee, ik geloof niet in de duivel” dan zegt de ander: “u houdt zich niet aan het Woord van God. Want de Bijbel spreekt duidelijk over het bestaan van de duivel. En als u zich niet aan het ene houdt, zult u ook wel allerlei andere dingen in de Bijbel ontkennen”.
Maar als ik zeg: “ik geloof dat de duivel inderdaad bestaat” dan lijkt het alsof ik de duivel erken als een bijna goddelijke macht die op zichzelf bestaan. alsof er een eeuwige strijd is tussen goed en kwaad, licht en donker. Dan zou ik mijn geloof in God tekort doen.

Wij geloven in God. We geloven niet in de duivel. Bestaat de duivel dan niet? Ja, maar hij bestaat zoals de schaduw bestaat. De schaduw bestaat niet op zichzelf. Ze bestaat daar waar het zonlicht wordt afgeschermd. Zodra dat scherm wordt weggenomen, is de schaduw verdwenen.
Daarom kunnen wij christenen nooit zeggen “ik geloof in de duivel”. Want voor ons is geloof jezelf toevertrouwen aan God bij wie je leven veilig is en die je nooit in de steek laat. We kunnen nooit God en de duivel op één lijn zetten. En zodra wij onze toevlucht tot God nemen in beproevingen of in verleidingen dan zal de macht van de duivel ook onmiddellijk verdwijnen als een schaduw voor de zonnestralen.
Het woord duivel komt van het Griekse diabolos wat betekent de macht die een wig drijft tussen wat bij elkaar hoort, die mensen tegen elkaar opzet door wantrouwen en jaloezie en onbarmhartigheid, die mensen van God probeert te verwijderen. Het gevolg is nooit het goede, maar altijd het kwade.
Daarom verwondert Jezus zich erover dat de Schriftgeleerden hem verwijten dat hij aan de kant van de duivel staat, nog wel de vorst van de duivels, Beelzebub 2). Want Jezus geneest mensen, spreekt woorden die mensen raken en hoop geven. Maar wat zeggen zijn tegenstanders: “ja, hij doet die wonderen om hij twee handen op één buik is met de duivel. Hij drijft boze geesten uit omdat hij macht over hen heeft. Als ze hem gehoorzamen, wil dat zeggen dat hijzelf de leider van de duivels is”. Een krankzinnige gedachte natuurlijk.
Als dat zo was – als de duivel tegen zichzelf op staat – dan stort zijn macht in, zegt Jezus.
Maar zo ver is het nog niet. Het beste bewijs is dat de tegenstanders van Jezus hem als handlanger of leider van de duivel zien ómdat hij het goede doet.
Dat is eigenlijk het ergste wat wij, mensen, kunnen doen. Als wij iemand die louter goed doet in een kwaad daglicht stellen. Als wij iemand zien die enkel goed doet, van wie een heilzame invloed uitgaat en daarom indruk maakt, en dan openlijk aan diens intenties twijfelen.
Als we God aan het werk zien in goede mensen om ons heen die Jezus echt proberen na te volgen, en dan dat we dan suggereren dat de duivel in hen aan het werk is.
“Daar is geen kruid tegen gewassen” bedoelt Jezus als hij zegt: “de zonde tegen de heilige Geest is onvergefelijk”. Als je dat doet, zaag je de tak waarop je zit, zelf weg. Maar tot inkeer komen is altijd mogelijk. Vele van de mensen die ervoor zorgden dat Jezus gekruisigd werd, kwamen tot inkeer toen ze de boodschap hoorden dat Jezus verrezen was en dat ze door in hem te geloven vergeving ontvingen en kinderen van God mochten worden.
Laten we niet in de duivel geloven. Laten we juist in God en zijn barmhartigheid geloven en in de macht van het kruis van onze Heer Jezus Christus. Laten we zelf van harte het goede doen. Dan geven we de duivel geen kans. De duivel verdeelt en is oorzaak van veel kwaad en verdeeldheid. Christus verbindt en heelt en zorgt voor vrede en eenheid. Door Hem zijn we altijd vol hoop, geloof en liefde. Amen

(c) Pastoor Martin Los
Schriftlezingen tijdens de Mis op de 10e zondag door het jaar (B cyclus):
1e lezing: Genesis 3:9-15 1)
2e lezing: II Corinthiërs 4:13-5:1
Evangelie: Markus 3:20-35 2)
Afbeelding Chimere Notre Dame de Paris in Fransche caricaturisten(1918) Cornelis Veth, geraadpleegd via DBNL (KB)

“Niets staat jou in de weg om mens te zijn”. Mijn preek op de 4e zondag door het jaar A 29 januari 2017 Mariakerk en Willibrordkerk

Lieve zusters en broeders, drie jaar geleden was ik met een groep pelgrims in het Heilige Land. De groep bestond uit allemaal mensen met een gebrek zoals blinden en lammen vanwege een dwarslaesie of een hersenbeschadiging. We waren de tweede dag ’s morgens bij het meer van Genesareth. We vierden er de eucharistie op de plek waar Jezus volgens de overlevering de Zaligsprekingen heeft uitgesproken. Jezus’ eerste grote toespraak tot een grote menigte.
Ik las op die plek de Zaligsprekingen voor omringd door deze mensen die één voor één door een grote beperking in hun leven getroffen waren. Ze waren volkomen afhankelijk. Om hen heen de mannen en vrouwen die hen verzorgden. Hun leven had door de beperking van hun echtgenoot, of kind of vader of vriend ook een andere wending genomen. Allemaal mensen die in de ogen van de wereld beklagenswaardig zijn. Allemaal medemensen die zich vaak afvroegen of ze er nog wel toe deden.
“Zalig de armen van geest want aan het behoord het rijk der hemelen. Zalig de treurenden want zij zullen getroost worden” hoorde ik Jezus door mijn eigen stem tot deze pelgrims zeggen. Het kostte me moeite om mijn tranen te bedwingen. Tranen, niet van verdriet, maar van ontroering en blijdschap dat op die plek deze woorden van onze Heer tot hen en ons allemaal gesproken werden. Omdat deze woorden waar waren. Ze zijn waar omdat het woorden van Christus zijn.
Door zijn woorden opent hij een vergezicht dat we anders niet zouden zien. Het gaat er niet om wat wij in de ogen van de wereld zijn. Ook niet in eigen ogen waardoor we soms een te hoge dunk of nog vaker en lage dunk van onszelf hebben. Het gaat erom wie je in de ogen van God bent.
Hij kijkt niet naar de macht die je hebt, naar de ophef die je veroorzaakt, naar je roem of je rijkdom waarom mensen elkaar benijden. God kijkt naar het hart en hij kent je hart. Hij staat volledig achter je wanneer je echt mens probeert te zijn, je bewust van je beperkingen, open en eerlijk, met aandacht voor je eigen verdriet en dat van anderen.
Om zó mens te zijn hoeft niets je in de weg te staan. Om zo mens te zijn hoef je niet vals te spelen door je toevlucht te nemen tot bedrog en geweld. Je zult je doel met Gods zegen bereiken. Het is de weg van Christus zelf.
Het Nederlandse woordje “zalig” kan aanleiding zijn tot misverstanden. Alsof armoede, verdriet, vervolging verheerlijkt wordt. Dat is niet de bedoeling van de zaligsprekingen. Het Hebreeuwse woord “Asrej” betekent: “ruim baan” (Hoera). Het is een aansporing: “Ga zo door” want dan zal niets je kunnen verhinderen je doel te bereiken. “Word jij vervolgd vanwege de gerechtigheid, omdat je doet wat goed is en opkomt voor de waarheid? Twijfel niet, want uiteindelijk zul jij overwinnen”. “Ben jij eenvoudig en bescheiden, wees dan niet bang dat jij voor spek en bonen meedoet. Jij bent juist degene die met elke stap en elke daad dichter bij je bestemming komt: een mens naar Gods hart te zijn. “Word jij gediscrimineerd vanwege je geloof, vanwege je eerlijkheid, vanwege je persoonlijke keuzes die tegen de stroom ingaan? Houd vol want dan ben je op de goede weg”.
Het bezoek van het Heilige Land met de zorgbehoevende pelgrims was onvergetelijk, elk moment, en elke plaats. Maar het diepst waren we onder de indruk toen we aan de oever van het meer van Genesareth zaten als de menigte tweeduizend jaar geleden. De woorden van Jezus klonken nu even nieuw en wonderlijk en bemoedigend als toen. Ieder zag zichzelf met nieuwe ogen: met de ogen van Jezus, de ogen van God.
We hoeven niet naar Israel te reizen voor die ervaring. Gelukkig horen we die aansporingen en felicitaties ook hier in de kerk, in de eucharistie waar ze worden voorgelezen. “Zalig de vredestichters want zij zullen kinderen van God genoemd worden”.
Die woorden zijn vandaag nog even actueel. Want het is de levende Heer die ze tot ons spreekt. Vandaar zegt de lector aan het einde van de lezing: Woord van de Heer. En we antwoorden met Wij danken God. Hij die zelf deze woorden waargemaakt heeft door zijn kruis op zich te nemen.
Het is deze week Nationale Voorleesweek. Bekende Nederlanders trokken langs de scholen om hun favoriete verhalen voor te lezen. Verhalen laten je verder kijken dan wat je ziet. Ze verwijden je blik. Ze stimuleren je geest. Ze scheppen een band. Het is fijn als ouders hun kinderen voorlezen voor het slapen gaan. Of grootouders als hun kleinkinderen op bezoek komen.
Gelukkig leest de kerk elke dag en elke zon- en feestdag uit de Bijbel voor. Het is meer dan een boek. Een hele bibliotheek. De oude verhalen over de aartsvaders, de beloften en visioenen van de profeten. De unieke brieven van de apostelen die Jezus zelf gekend hebben. En bovenal de woorden van de Christus zelf: de blijde boodschap. Laten we de kracht ervan niet onderschatten. Het is God zelf die door de heilige Geest tot ons spreekt, ons raad geeft, hoop schenkt.
We leven in een tijd van grote woorden. De kranten en nieuwsprogramma’s staan er vol van. Mensen worden er bang en onzeker door. Daarom is het des te belangrijker dat we met nieuwe oren luisteren naar Jezus Christus. Dat we zijn woorden als nieuw horen, woorden van troost en eeuwig leven. Laten we ons niet te groot achten om gewoon te schuilen onder het gehoor van onze Heer zoals eens die eenvoudige mensen aan de oever van het meer van Genesareth. En wij, u en ik, nu hier gewoon, hier in deze kerk. Schuilen bij de Heer. Daar is de kerk voor. De tijd is er rijp voor om mensen weer uit te nodigen mee te komen. Amen

Schriftlezingen voor deze zondag volgens het universele r.k. leesrooster: 1e lezing Seganja 2:3 3:12-13; 2e lezing I korinthiers 1:26-31

(c) Pastoor Martin Los