Vrees niet

Preek op de 19e zondag door het jaar C op zondag 11 augustus 2019 in Mariakerk en Willibrordkerk

“Vrees niet, kleine kudde’ zegt Jezus in het Evangelie van deze zondag ‘het heeft uw Vader behaagt u het koninkrijk te schenken” 1
Lieve zusters en broeders, wanneer plotseling de schijnwerper op je gericht wordt en je een hoofdrol krijgt toebedeeld terwijl je daar in de verste verte niet op gerekend had, omdat er zoveel betere kandidaten in jouw ogen waren dan jij, dan is de eerste reactie die van ongeloof, schrik en de neiging om weg te duiken.
Zo ongeveer moeten de mensen die naar Jezus’ woorden luisterden zich gevoeld hebben, toen Jezus tegen hen zei: “Zoek eerst het koninkrijk van God en al het andere zal je gegeven worden”.
Het koninkrijk van God, dachten ze, binnen handbereik, van ons eenvoudige mensen? Dat kan niet waar zijn. Het visioen dat Jezus hen voorhoudt, overvalt hen, verblindt hen. Te mooi om waar te zijn?
Is dat eigenlijk nog steeds niet onze eerste reactie?
Daarom zegt Jezus: “Vrees niet, kleine kudde, het heeft uw Vader behaagt u het koninkrijk te schenken”  Vrees niet, schrik niet terug, het is echt waar.
We herinneren ons de verschijning van de engel Gabriel aan Maria die zegt: ‘wees gegroet Maria, begenadigde, de Heer is met u”. Als zij ondersteboven is van die verschijning antwoordt de engel: “Vrees niet, Maria, want je hebt genade gevonden bij God”. Dat rijmt bijna op: “Vrees niet, kleine kudde, want het heeft uw Vader behaagd u het koninkrijk te geven”. Hoe vaak schrikken we niet terug bij het visioen van het rijk van God dat Jezus ons geeft? Niet omdat we er niet naar verlangen zouden, maar omdat we ons te schamel vinden om deel te nemen aan dat grote avontuur waartoe Jezus ons allemaal uitnodigt. Hoe vaak stuiten Jezus woorden niet af op ons ongeloof. Op het beslissende moment haken we af, trekken ons terug, hullen ons voortaan in onverschilligheid, verliezen ons in onbelangrijke kleinigheden. De vreugde verdwijnt.
Als gelovigen mensen zullen we altijd het bewustzijn hebben dat we op weg zijn omdat we ons niet neerleggen bij het bestaande. Door het geloof zien we iets wat nog niet zichtbaar is. We zien zelfs de dood, die het meest van alles vaststaat voor de mensen, niet als het laatste.
Het enige dat we nodig hebben is ‘geloof’. Dat we onze vanzelfsprekendheden achter ons laten – vooral dat in ons alledaagse leven geen ruimte is voor het rijk van God – en dat we het wagen met de beloften van God en proberen te leven als zijn kinderen. Eke dag opnieuw. Telkens ons bewust van Gods nabijheid die zegt: “Vrees niet. Ik ben met u. Geloof alleen”.
Geloof lijkt op een afstand op een sprong in het duister. Verlies van zekerheid. Afscheid van gebaande paden. Dwaasheid. Maar voor wie geloven, is het een  boeiend avontuur, de enige zekerheid die we hebben.
De schrijver van de Hebreeënbrief 2) zegt: “En wat is het geloof? Het geloof is de vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen”. Het geloof is de vaste grond van onze hoop. Het geloof is de basis van wat wij als christenen hopen. Zonder geloof geen hoop. Want het geloof overtuigt ons van wat we nog niet zien. Het geloof laat ons met de ogen kijken die ons laten zien wat nog onzichtbaar is.
De schrijver illustreert dit met het voorbeeld van Abraham en Sara en vele anderen. Ze lieten alles achter zich en gingen op weg. Ze hadden slechts een glimp opgevangen van een toekomst die nog ver was. Ze woonden in tenten en trokken steeds verder geleid door de stem van de levende God. Uiteindelijk stierven ze zelfs met alleen het visioen van het hemels vaderland, de stad met de fundamenten die God voor hen bereid had.
Waar de wereld voor vreest – een vrees die we kennen want we zijn ook mensen, en we kijken ook t.v. en we horen ook de bezorgde stemmen om ons heen – die wereld is voor ons niet het laatste. Waar de wereld voor buigt is voor ons ook niet het hoogste. God is de werkelijke eerste en de laatste.
“Vrees niet, kleine kudde, want het heeft uw Vader behaagt u het koninkrijk te geven”.
Nu de kerk krimpt, lijken sommigen van de nood een deugd te maken door te zeggen: de kleine kudde die overblijft zijn de ware gelovigen. Klein maar fijn. Maar volgens mij bedoelt Jezus dat niet met ‘kleine kudde”. Hij weet dat de toehoorders zich te gering achten voor het rijk van God. Hij klopt ze als het ware op de schouder.
Het enige wat van ons gevraagd wordt is geloof. Het lijkt alsof we tasten in het duister, want het enige wat we in handen hebben zijn de beloften van God en de woorden van Jezus Christus onze Heer. Maar voor wie gelovigen is dat een vreugde om in de geest al burgers te zijn van het koninkrijk der hemelen. Laten we ons daarnaar dan ook gedragen. Altijd vol hoop. Altijd vervuld van liefde. Met volharding en geduld.
“Vrees niet”. Het is één van de meest voorkomende woorden in de Bijbel uit de mond van de Jezus en van God. Wist u dat? Wat een bemoediging. Maar die geruststellende woorden waardoor zelfs de sterkste storm gaat liggen, klinkt ook nu door het geloof: “Vrees niet”. Amen

Martin Los
1) Evangelie van deze zondag: Lukas 12:32 en volgende
2) 2e lezing van deze zondag: Hebreeën 11:1-2,8-19


Overweging op de drempel van het nieuw jaar

Preek op Nieuwjaarsdag, het feest van H. Maria, Moeder van God (jaarwisseling 2018/2019)

‘Toen de acht dagen voorbij waren, en men het kind moest besnijden, ontving het de naam Jezus’ 1)
Lieve zusters en broeders, op deze dag, bij zijn besnijdenis die altijd een week na de geboorte plaatsvond, ontvangt het kind van Maria en Jozef de naam Jezus. Dat is voor ons een bijzonder vreugdevol moment. Doordat we die naam kennen en aanroepen is ons leven en ons levensverhaal verbonden met God. Heden, verleden en toekomst staan voor ons in het teken dat Jezus in de wereld en in ons leven gekomen is en dat wij Hem mogen kennen. Dit ‘kennen’ wordt in de Bijbel ‘ eeuwig leven’ genoemd. Door het geloof in Jezus neemt God ons zelfs aan als zijn kinderen, houdt Paulus ons voor. 2)
Het begin van het nieuwe jaar herinnert ons altijd aan het moment waarop de naam van Jezus voor de eerste keer klonk, en sindsdien voor ontelbaar veel mensen en generaties een hoop en houvast is geworden. Door zijn verrijzenis is hij de levende Heer die altijd bij ons is. We mogen het samen beleven in de Kerk waarin hij tegenwoordig is en in de sacramenten waarin Hij ons bijstaat en als de Goede Herder zijn kudde leidt opdat ‘het ons aan niets zal ontbreken’ (Ps. 23)
Het afgelopen jaar is zonder twijfel anders verlopen dan we ons hadden voorgesteld, zowel waar het de positieve punten betreft, als de tegenvallende of pijnlijke. Dat zal het komende jaar niet anders zijn. Terecht wensen we persoonlijk elkaar alle goeds toe voor het Nieuwe jaar. Maar natuurlijk weten we dat het niet altijd rozengeur en maneschijn zal zijn. Wil dat zeggen dat op de moeilijke momenten we niet kregen wat we wilden? Dat God op die momenten niet thuis gaf? Wil dat zeggen dat Hij wel op de mooie momenten zorg voor ons had?
Bij de voorbereiding van deze preek moest ik denken aan Psalm 92. In die psalm komt een mooie regel voor. De beginregel: “Het is goed de Heer te loven, uw naam te bezingen, Allerhoogste, bij de dageraad uw goedheid te prijzen en in de nachten uw trouw”
“Het is tof de Heer te loven en uw naam te bezingen
”. Tof is hetzelfde woord dat klinkt aan het begin van de schepping: ‘En God zag, dat het tof was’. Tof is iets wat in zichzelf goed is, dus niet een middel tot iets anders. Alleen al het noemen van de naam van Jezus is tof. Het is goed. Op welk moment van de dag en van ons leven dan ook. Laten we daarom niet beknibbelen op onze gebeden waarin de naam Jezus voorkomt. We kunnen wel denken: ‘Ach, waarom bidden, God weet toch alles al?’ God heet niet ons gebed nodig, maar wijzelf. Om steeds weer innerlijk een blij en gerust gevoel te krijgen. En om nieuwe kracht te krijgen en gevoed te worden door die naam. “Het is tof uw naam te bezingen” fluistert de Psalm ons in.
“Bij de dageraad uw goedheid te prijzen en in de nachten uw trouw”. Bij de dageraad gaat de zon op. Alles lacht ons toe. Het is licht, dus we kunnen ver kijken, kunnen plannen maken, we kunnen doen wat onze hand vindt om te doen. Dan voelen we ons gezegende mensen die alle reden hebben tot dankbaarheid.
Maar ’s nachts als het pikkedonker is, zien we niets. We tasten in het duister en moeten op passen niet te vallen. De dageraad is symbool van het geluk dat ons toelacht. De nacht is symbool voor momenten van pijn en onzekerheid, van teleurstelling en bitterheid. Dat je je afvraagt: “waar is God nou?”
Soms hebben we de neiging God te verbinden met succes hebben en dat het ons voor de wind gaat. Gaat het slecht, dan wenden we ons teleurgesteld van God af en twijfelen aan zijn bestaan.
Soms verbinden we God juist met de moeilijke momenten in ons leven. Toen voelde echt Gods nabijheid, hoor ik soms iemand zeggen. Maar als het dan weer goed gaat, men vindt weer werk, men hersteld van een ziekte, dan lijkt God opeens niet meer nodig.
De psalm leert ons dat we in alle omstandigheden aan God moeten vasthouden en zijn naam bezingen. Zowel als het ons goed gaat, als wanneer het tegenzit. Want in het duister van de nacht mogen we rekenen op zijn trouw.
Laten we met die wetenschap het oude jaar afsluiten in dankbaarheid dat we de naam van Jezus mochten kennen en aanroepen, en laten we het nieuwe jaar beginnen met diezelfde naam aan te roepen en te bezingen. Die naam die Maria al voordat ze zwanger werd van de engel Gabriel ontving: Jezus. De naam die vandaag bij zijn besnijdenis voor het eerst openbaar in deze wereld klonk.
We wensen elkaar alle goeds toe en Gods zegen in het nieuwe jaar. Maar vooral dat we met het goede en het kwade zo mogen omgaan dat we gesterkt mogen worden in ons geloof als vrije en verantwoordelijke kinderen van God. Ja, dat we een wijs hart verkrijgen door de naam van Jezus.
Ik moet denken aan dit lied dat ik als kind mijn moeder vaak hoorde zingen als ze ontwaakte uit een sombere bui en in de keuken aan de slag ging voor het avondeten.

Daar ruist langs de wolken een lief’lijke Naam,
die hemel en aarde verenigt te zaam,
Geen naam is er zoeter en beter voor ’t hart,
Hij balsemt de wonden en heelt alle smart.
Kent gij, kent gij, die Naam nog niet?
Die Naam draagt mijn Heiland, mijn lust en mijn lied!

Amen

(c) Martin Los
Evangelievolgens r.k. leesrooster voor zon- en feestdagen1 januari: Lukas 2: 16-21
2e lezing: Galaten 4:4-7