Een heel bijzonder, maar toch gewoon gezin

Preek op het feest van de H. Familie – Jezus, Maria en Jozef 29/30 december 2018 Mariakerk en Willibrordkerk

“Waarom heb je toch naar mij gezocht. Wist je niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ 1)

Lieve zusters en broeders, het is voor ouders en kinderen een troost dat in het gezin waarin Jezus opgroeide, ook misverstanden en conflicterende belangen voorkwamen zoals in elk gezin.
Een goed gezin is geen gezin waarin nooit onderlinge problemen voorkomen, tussen ouders onderling en tussen ouders en kinderen. We begrijpen soms niet waarom de ander zich anders gedraagt dan je zelf zou willen vanuit je eigen perspectief. Een goed, veilig gezin is wel een gezin waarin men op een goede manier met die verschillen en conflicten omgaat. Belangrijk is dat je zaken uitpraat en elkaar begrijpt. Voorwaarde is dat ieder respect voor de ander heeft, de ouders voor elkaar, de kinderen voor de ouders en de ouders voor de kinderen.
Het helpt enorm om steeds oplossingsgericht te werk te gaan. Niet gekwetste eer mag de sfeer bepalen, niet behoefte aan vergelding van onbetaalde onderlinge rekeningen, maar de wil om te leren van wat er mis ging in de omgang met elkaar. Laat het ook niet ontbreken aan humor en relativeringsvermogen. Kortom, als er conflicten zijn is dat geen teken dat er gebrek is aan liefde en wijsheid. Liefde blijkt uit de wijze waarop we misverstanden en botsende belangen waardoor we elkaar soms onbedoeld pijn doen, oplossen.
Daarvan is het gezin waarin Jezus opgroeide, wel een mooi voorbeeld. Jezus is nu twaalf jaar oud. Een puber, zouden wij zeggen. Wij zijn allemáál pubers geweest. Als Maria en Jozef na dagenlang koortsachtig zoeken hun zoon eindelijk vinden in de tempel, zegt zijn moeder niet: “kind, hoe kun je zo ongehoorzaam te zijn tegen je vader en mij. Heb je dan helemaal geen respect voor ons?” Ze blijft dicht bij haar eigen gevoel, niet van gekwetste eer, maar van de zorg die ze gehad hebben, de angst die ze hebben uitgestaan: “Waarom heb je ons dit aangedaan. Denk toch eens met wat een pijn uw vader en ik naar je gezocht hebben?’
En Jezus op zijn beurt antwoordt, niet aangebrand, maar oprecht verbaasd, bijna enthousiast : ‘Wat heb je toch naar mij gezocht. Wist je dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” Hij was al twaalf jaar bij hen? Hadden ze dan niet kunnen bedenken dat hij als een vis in het water was in de tempel waar diepzinnige gesprekken over God gevoerd werden, door vrome en wijze geleerden? Hij was nu twaalf jaar, dan mocht je al met de grote mannen meepraten, al deden de meeste jongens dat natuurlijk niet. Die waren liever bezig met spelen, of ze durfden nog helemaal geen vragen te stellen omdat ze bang waren te worden uitgelachen.
Jezus wilde zijn ouders niet kwetsen, maar hij wist toen al dat God een bijzondere weg met Hem zou gaan. Hij wist dat de tijd nog niet rijp was. Hij zou wachten tot God, de Vader, hem riep. Daarom voegde hij zich weer naar zijn ouders en ging met hen mee. Hij wilde hen geen pijn doen. Thuis kon hij ook verder groeien in wijsheid en toewijding aan God en mensen. Maria begreep dat ze wat eerder gebeurd was niet moest afdoen als een incident, een kwajongensstreek. “Ze bewaarde alles wat er gebeurd was –  net als toen de herders in Bethlehem haar vertelden wat de engel had gezegd – in haar hart”. Ze koesterde niet de pijn, maar keek uit naar hoe haar kind zich verder zou ontwikkelen, al begreep ze nog niet hoe.
Dit mooie Evangelieverhaal vertelt over loslaten, kinderen de kans geven een eigen verantwoordelijkheid te leren. Alle ouders weten dat dit soms pijn kan doen. Bij de ouders die het beste met hun kind voor hebben, én bij de kinderen die een leven moeten leren leiden en daarvoor ruimte vragen.
Maria en Jozef waren echt geen overbezorgde ouders. Ze vertrouwden erop dat hun zoon geen gekke dingen zou doen. En ze vertrouwden op de gemeenschap. Dat die ook een oogje in het zeil hield. “In de mening dat Jezus zich bij de karavaan bevond gingen ze een dagreis verder en zochten hem onder familieleden en bekenden”.
Het is zo belangrijk dat kinderen opgroeien in een gemeenschap – een “karavaan” die groter is dan de ouders alleen. Dat kinderen op zoek naar de juiste waarden ooms, tantes, en bekenden, verschillende rolmodellen ontmoeten. En ook kunnen zien hoe andere kinderen uit diezelfde gemeenschap zich gedragen. Ze delen allemaal in dezelfde normen en waarden, maar passen ze toch steeds net iets anders toe. Zo leren kinderen dat regels geen dictaten zijn, maar met situaties te maken hebben en keuzes. Voor de geloofsopvoeding is het ook zo belangrijk dat we onder onze familie, vrienden en bekenden ook medechristenen mogen rekenen, een omgeving waarin kinderen zien dat ook andere ouders thuis bidden, regelmatig naar de kerk gaan, en proberen evangelische waarden als vergeving, iets voor anderen overhebben, voorop staan.
Laten we een omgeving voor elkaar en onze kinderen creëren waarin ze kunnen opgroeien tot goede mensen. Maar we hopen ook dat onze kinderen gaandeweg gaan ontdekken dat zij niet alleen onze kinderen zijn, maar ook kinderen van God. Dat ze opgroeien in een sfeer waarin voorgeleefd wordt dat God liefde is en dat Hij hen altijd nabij is. Dat Hij met hen het goede voorheeft, en hen roept om in het voetspoor van Jezus gave en krachtige mensen te zijn.
“Vrienden” zegt Johannes “nu al zijn wij kinderen van God, maar wat wij zijn is nog niet geopenbaard” 2). Als mensen die geroepen zijn in Jezus Christus zijn we een leven lang in ontwikkeling. “Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard”:  Ook wij ondergaan tegenslagen en zijn sterfelijk. Ook wij schieten vaak tekort, maken fouten en laden soms schuld op ons. Maar in geloof mogen we al Gods kinderen zijn. We mogen steeds verrast zijn door wat God in zijn liefde in ons ziet. We mogen steeds verwonderd en blij zijn met de genade die Hij ons geeft om te groeien als zijn kinderen binnen het hele huisgezin van God dat de kerk is en zou moeten zijn.
‘En dat God in ons woont, weten de door de Geest die Hij ons gegeven heeft” Amen

(c)Martin Los
Evangelielezing: Lukas 2:41-52
1e lezing: Eerste brief van Johannes 3:1-2,21-24
Afbeelding: Palestijnse familie door Sliman Mansour

Allerheiligen is een Christusfeest

Preek op het hoogfeest van Allerheiligen Mariakerk 2018

‘Verheugt u en juicht want groot is uw loon in de hemel’ 1)
Lieve zusters en broeders, we vieren vandaag één van de grote feesten van de kerk. Dit feest staat niet los van de andere feesten. Want met Pasen vierden we dat Jezus Christus door zijn dood en verrijzenis als de graankorrel is die in de aarde valt, en schijnbaar verloren gaat, maar juist zo veel vrucht draagt als de korenaar. Met Allerheiligen vieren we dat Jezus met Pasen de eersteling is van de oogst van een schare die niemand tellen kan. Allerheiligen is dus bij uitstek het feest van de overwinning van Jezus Christus. Door hem en met hem en in hem hebben tallozen deel aan het eeuwige leven en de eeuwige vreugde.
Dat was de missie van onze Heer. Dat was zijn grote passie waar hij zichzelf en zijn leven voor over had. Jezus wilde de mensen terug brengen bij God. Hij wilde dat ze zouden ontdekken dat ze kinderen van God zijn. Dat Gods liefde zo groot was dat hij daar zijn eigen zoon voor in de waagschaal had gezet.
We kunnen Jezus om die reden nooit apart zien. Zodra we aan onze Heer denken, zien we rondom een menigte die niemand tellen kan. Ze behoren aan Hem. De heiligen.
In de loop der tijd is de nadruk komen te vallen op heiligheid als een soort eigenschap van bijzondere gelovigen. Medegelovigen die een kerkelijk onderscheiding kregen na hun dood. Maar oorspronkelijk en nog steeds betekent heilig in de eerste plaats zij die door Jezus Christus geheiligd zijn. Zij die door hun geloof in de gestorven en verrezen Heer, hem toebehoren. Die zoals Johannes in de Openbaring zegt: ‘hun gewaden wit gewassen hebben in het bloed van het lam” 2).
Als gelovige mensen laten we dus onze doden niet achter ons. We weten dat zij bij hun dood volledig zijn opgenomen in Christus. Ze leven voor ons uit. We bewaren hen in ons hart en hopen eens verenigd te worden met hen. Zij moedigen ons aan om zelf vol te houden zoals zij hebben gedaan.
Want het lijkt als je als je gelooft in Jezus in de wereld aan het kortste eind trekt. Je verzet je tegen onrecht. Je doet niet mee met hen die haat en verdeeldheid zaaien. Je denkt niet alleen aan je zelf. Je bent bereid liever onrecht te ondergaan dan zelf te doen. Je gelooft in een God die niemand kan zien. Maar je houdt vast aan de beloften van Jezus: “Zalig zijn jullie als men je beschimpt, vervolgt, en lasterlijk van allerlei kwaad beticht, want groot is uw loon in de hemel”.
Sommige mensen die niet geloven, maar wel  opkomen voor hen die onrecht lijden, zoals humanisten, verwijten ons christenen dat we door ons geloof in de hemel en het eeuwige leven, het ons te comfortabel maken en te weinig doen aan het leed in de wereld. Deze kritiek is niet terecht. Juist omdat we uitzien naar de overwinning van Jezus op het kwade en de dood, leggen we ons er juist in deze wereld niet bij neer.
Het feest van Allerheiligen betekent dus niet dat we al op onze lauweren gaan rusten. De heiligen die ons zijn voorgegaan willen ons juist bemoedigen en aanvuren in het voetspoor van Jezus zelf te gaan.
Soms lijken we dan alleen te staan, soms lijken we verlies te lijden, maar we houden taai vol, en niets kan ons afbrengen van onze liefde tot God en ons geloof in Jezus. Want ‘we worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook” zegt Johannes. “nu is nog niet geopenbaard wat we zijn, maar eens zullen we aan God gelijk zijn omdat ze Hem zullen zien, zoals Hij is” 3).
Zo leven we toe naar de voltooiing en bekroning van ons leven bij God, wanneer Hij eindelijk alles in allen is. We kunnen niet wachten en tegelijk zijn we blij met alle tijd die ons gegeven wordt, om de goede strijd te strijden voor gerechtigheid en vrede, voor liefde tot de naast en allen die in nood zijn. In het gezelschap van alle heiligen in de hemel om ons heen. Amen

(c) Martin Los
1) Evangelie van het feest: Mattheus 5:1-12
2) 1e lezing: Openbaring van johannes 7:2-4, 9-14
3) 2e lezing: I Johannes 3:1-3