Genezing van een blindgeborene

Preek op de 4e zondag van de Veertigdagentijd Mariakerk en Willibrordkerk 26 maart 2017

Lieve zusters en broeders, op weg naar Pasen horen we vandaag het verhaal van de blindgeborene die door Jezus genezen wordt.
In die tijd zag men algemeen ziekte als een soort strafwerk dat je als mens kreeg opgelegd van Godswege. Ook blindheid. In sommige culturen nog steeds. Want er moet toch een verklaring voor zijn dat de ene mens door ziekte getroffen wordt en de andere niet? Als dat zomaar toevallig gebeurde, zou dat toch heel onrechtvaardig zijn?
“Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders dat hij blind geboren werd?” *) vragen de leerlingen van Jezus als ze de blindgeborene die aan de kant van de weg zit te bedelen, passeren. Gelukkig zijn er altijd mensen die kritische vragen stellen bij opvatting die voor velen als vanzelfsprekend gelden. Het gemakkelijkst kun je de onhoudbaarheid van bepaalde opvattingen aantonen daar waar ze zichzelf tegenspreken.
De leerlingen van Jezus stellen die vraag omdat de schuldvraag bij een ziekte zoals aangeboren blindheid problemen oplevert. Hoe kan iemand nou gestraft wordt, voordat hij iets verkeerds gedaan kan hebben? En als de ouders iets verkeerds hebben gedaan, waarom moet hun kind daar dan onder lijden? Daar hebben ze natuurlijk een punt.
Gelukkig denken wie bij ziekte tegenwoordig helemaal niet meer in termen van schuld of straf. Maar het ligt altijd wel op de loer. Iedere zieke krijgt wel te maken met vragen of je de ziekte toch niet aan jezelf te danken hebt.
“Heb je gerookt?” vraagt de omgeving aan iemand die longkanker blijkt te hebben.  Het maakt je ziekte moeilijker te dragen als je het gevoel hebt dat je omgeving of de maatschappij denkt: “eigen schuld, dikke bult”.
Jezus doet hier niet aan mee. Voor hem is maar één ding belangrijk: “Wat kan ik doen voor deze arme bedelaar? Hoe kan ik hem Gods barmhartigheid laten ervaren: “de werken van God moeten in hem aan het licht komen. We moeten de werken van Hem die mij gezonden heeft, verrichtten zolang het dag is” antwoordt hij zijn leerlingen.
Hoeveel discussies over hulpbehoevenden, vluchtelingen, eenzamen blijven niet theoretisch. We vergaderen. We discussiëren. We verwijten elkaar vanuit politieke standpunten de oorzaak van de ellende in de wereld. Als we al die energie en tijd zouden steken in concrete hulp aan mensen die we op onze weg tegenkomen, zou dat niet veel effectiever en menselijker zijn, voor de naaste in nood en voor onszelf?

Jezus spuwt op de grond, maakt met het speeksel slijk, bestrijkt daarmee de ogen van de man. Dit gebaar herinnert aan de schepping van de mens door God die hem boetseerde uit de klei. Maar de blindgeborene moet zelf ook iets doen: “ga u wassen in de vijver van Siloam”.
Jezus vraagt geloof van de man, geloof in hem en in God. Hij moet zijn verleden achter zich laten, en een nieuwe mens worden. Door de reiniging met het water moet hij opnieuw geboren worden. Jezus schenkt de man het levenslicht. Voor het eerst van zijn leven. Hij was als kind uit de moederschoot gekomen, maar het was altijd duister voor hem gebleven.
Dat gebrek van de blindgeborene werd voor Jezus aanleiding om de ogen van iedereen ervoor te openen dat hijzelf het licht der wereld is: “Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld”.
We hebben ogen gekregen om te zien. Maar zíen we ook werkelijk? We zien de mensen, de natuur, de dingen, gebeurtenissen. We zien de nood in de wereld. Je vraagt je af: waarvoor leven we eigenlijk? De vraag aan ons is, of we zelf niet in het duister tasten.  We zijn dan geneigd om terug te kijken. “Het is nooit anders geweest” zijn we geneigd te zeggen “Het wordt nooit wat”.
Jezus houdt ons voor: “Ga niet vruchteloos proberen uit te vinden, hoe het komt dat je als mens het idee hebt in het duister rond te tasten. Laat mij je de ogen openen: “Ik ben het licht der wereld”.
Met andere woorden: “Als je mij ziet en in mij gelooft, leef je in het licht. Als je mij volgt, dan wandel je in het licht. Dan hoef je geen duisternis te vrezen”.
We horen dit verhaal van de genezing van de blindgeboren op weg naar Pasen. Omdat Pasen het feest is van het kruis, de dood en de verrijzenis van Jezus. Daardoor is Hij het licht dat alle duisternis verdrijft. We leven niet meer met het duister en de dood voor ogen, maar met het licht van Christus.
Door de doop en het geloof zijn we opnieuw geboren en zijn onze ogen geopend, dat we kinderen van God zijn. We zelf zijn het licht niet. We hebben het licht niet in onszelf. Onze ogen zijn geopend door onze Heer. Laten we daar dankbaar voor zijn.
En als we soms toch niet zien hoe het verder moet, met onszelf, met de kerk, of helemaal met de wereld, laten we dan vurig roepen als een blinde bedelaar aan de kant van de weg: “Heer, toon ons uw barmhartigheid. Laat ons weer ziende worden. Wees ons licht, ga ons voor. Laat ons niet zo tobben, maar laat de werken van God ook vandaag in ons midden, in ons leven, aan het licht komen. Want dat is toch Gods bedoeling met ons, mensen, en met zijn gehele schepping?” Amen

(c) Pastoor Martin Los

*) Evangelielezing op de 4e zondag Laetare volgens het universele r.k.lectionarium: Johannes 9:1-41