Je laten leiden door de Geest van God

Korte preek tijdens Middag voor zieken en kwetsbare ouderen 4 oktober 2018 Mariakerk

‘Talrijke mensen stroomden op Jezus toe, die lammen, gebrekkigen, blinden, stommen en vele anderen met zich meevoerden om ze aan zijn voeten neer te leggen” 1)
Lieve zusters en broeders, we zijn zo vertrouwd met het beeld van mensen die hun gebrekkige en afhankelijke vrienden en familieleden bij Jezus brachten, dat we niet meer beseffen hoe uniek dat was en wat een indruk dat maakte.
Andere rabbi’s hielden zich op in Jeruzalem. Ze hadden rijke leerlingen. Kennis van God was bij wijze van spreken alleen weggelegd voor gezonde welgestelden mensen.
Het leek wel alsof Jezus alles op zijn kop zette. Hij koos gewone mensen uit de provincie als zijn leerlingen. Arbeiders staakten hun werk om hem te horen. Mensen gingen niet alleen zelf naar hem luisteren. Ze zeiden tegen hun gebrekkige familieleden en vrienden: ‘kom mee. We hebben nu een rabbi ontmoet die ons allemaal raakt door wat hij zegt, en die ons allemaal de indruk geeft dat we er toe doen in zijn ogen, en die van ons allemaal betere mensen maakt. Kom mee. Voor jou is er ook hoop”
Zo droegen ze hun verzwakte vrienden en familieleden ten koste van grote inspanningen en over grote afstanden naar Jezus toe. “Hij genas hen tot verbazing van het volk” 1). Er ging een ongekende kracht van Hem uit.
Vandaag leggen we ons ook neer aan de voeten van Jezus. Sommigen van u hiernaar toe gebracht door familie of vrienden, anderen op eigen gelegenheid, want we hebben tegenwoordig rollators, rolstoelen, scootmobiels. Maar ook dan mag u zich gedragen weten door de hele geloofsgemeenschap die u bij wijze van spreken aan Jezus voeten legt en die hun ogen naar de Heer opheffen in gebed om sterkte en kracht en herstel voor u.
Er gaat een weldadige invloed van Jezus uit die ons als de levende Heer nabij is, en die door die aanraking ons doet delen in de Heilige Geest.
De apostel Paulus houdt ons voor: ‘allen die zich laten leiden door de Geest van God, zijn kinderen van God” 12). Dat is de kracht en de troost die van Jezus uitgaat. Ook al ben je ziek, of verzwakt, afhankelijk en eenzaam, je bent een kind van God. Wie afhankelijk is, of eenzaam, voelt zich vaak de mindere, alsof je niet mee telt en er niet toe doet, in de ogen van de samenleving. Mensen schamen zich als ze niet goed mee kunnen komen. Maar in Gods ogen ben je volledig mens. Dat Jezus ons de handen oplegt door het sacrament van de zieken, betekent dat Hij ons onder zijn bescherming stelt. Hij verenigt zich met ons zieken en met onze tekortkomingen. Daardoor richt Hij ons op.
Onze ziekten en gebreken zijn dan geen teken meer dat we voor spek en bonen meedoen en bij voorbaat verliezers zijn. Je leert daardoor dat onze Heer je des te meer nabij is, en dat je kostbaar bent in zijn ogen.
Ziekten, gebreken, eenzaamheid maken dat we op ons zelf teruggeworpen worden, ook door ongemak en lijden. Ze maken dat je ontzettend met jezelf bezig bent. En soms zelf wat egoistisch en jaloers wordt. De Geest van God die ons door de handoplegging geschonken wordt, maakt dat we ons weer bewust worden van Gods nabijheid, en dat we eraan herinnerd worden dat we één met Jezus Christus geworden zijn, onze Heer, die geleden heeft aan het kruis en die al onze pijn en lijden gedeeld heeft.
Laten we daarom niet alleen bidden om hulp tegen angst en pijn, maar laten we ook bidden: “Heer, hoe kunnen wij U dienen als uw geliefde kinderen? Hoe kunnen wij leven tot uw eer, ook nu ik geconfronteerd wordt met gebreken, ouderdom? Geef mij kracht en geloof om een mens te zijn die hoop uitstraalt en dankbaar is voor het leven dat u mij gegeven heeft. Maak mij tot de gave mens die ik graag wil zijn.
En wat ons allen vooral kracht moet geven is wat Paulus zegt: “ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan de openbaring ons nog te wachten staat” 2) . Maakt dat ons lijden niet lichter om te dragen? We blijven als gelovige mensen altijd mensen met uitzicht op de vervulling van ons leven bij God in het eeuwige leven. Laten we dat niet onder invloed van deze ongelovige tijd uit het oog verliezen. Laten we het anderen voorleven tot eer van onze Heer Jezus christus. Amen

© Martin Los

1) Evangelielezing: Matteus 15:29-31
2) 1e lezing: Brief van Paulus aan de Romeinen 8:14-18
foto’s (c) zr. Lucia Schnekemberg

Jezus en de Rare Jongens

Preek openluchtmis 8 juli 2018 Castellum Hoge Woerd

“Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en mijn knecht zal gezond worden” 1).
Lieve zusters en broeders, deze woorden komen ons heel bekend voor. Elke keer wanneer we de eucharistie vieren spreken we ze zelf uit. Als we op het punt staan ter communie gaan: “Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt maar spreek en mijn ziel zal gezond worden”.
Elke keer als we dat zeggen, gaan we even op de plaats staan van die Romeinse commandant. Een machtig man. Hij hoefde maar een bevel te geven en het werd uitgevoerd. Maar deze machtige man schaamt zich er niet voor in Jezus zijn meerdere te erkennen. Jezus belooft de Romein dat hij bij hem thuis zal komen om zijn zieke knecht te genezen. “Dat hoeft helemaal niet Heer, één woord van u is al genoeg”.
“Toen Jezus dat hoorde stond Hij verwonderd, en zei tegen zijn volgelingen: “Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb ik zo’n groot geloof gevonden.”
In de ogen van de meeste mensen was de Romeinse officier een heiden, een ongelovige, die je moest mijden. Bovendien een gehate vijand, een bezetter. Maar Jezus zag hem aan als mens, iemand die bezorgd was om zijn zieke knecht. En iemand die als vreemdeling beter dan anderen zag wat een bijzondere persoon Jezus was.
In onze tijd dreigen ook groepen van elkaar te vervreemden. Het gevolg is dat men de ander niet meer als persoon ziet, met een gezicht, met gevoelens, met een eigen levensverhaal. We zien de andere dan alleen als vertegenwoordiger van een groep, een cultuur, een godsdienst waar we wantrouwig of afwijzend tegenover staan. Jezus doorbrak dat patroon. Hij zag in de ander een echt mens, met pijn en verdriet, met verlangens én ook met oprecht respect voor God en voor hemzelf.

Als we onszelf christenen noemen, volgelingen van Jezus Christus, zullen we onze Heer daarin moeten volgen. Dat we de ander als mens aanzien, als iemand die net als wij op zoek zijn naar de zin van ons leven, die verlangt een bijdrage te leveren aan een betere wereld, een mens in wie verlangen leeft naar God.
Het Evangelie wil alle mensen met elkaar verzoenen, ondanks verschil in taal, kleur, geslacht en cultuur. Die verzoening vindt plaats waar we in de ander een kind van God zien. Het Evangelie wil ook ieder mens in aanraking brengen met de liefde van God voor wie alle mensen gelijk zijn. Maar dan kan alleen als we daar zelf uit leven en daar zelf mee beginnen.
Zo ging het in elk geval tweeduizend jaar geleden. De volgelingen van Jezus maakten daardoor diepe indruk op hun omgeving. In hun omgang met elkaar en anderen vielen de verschillen tussen mensen weg. Vrouwen, mannen, Joden, heidenen, slaven en vrijen, gingen als volkomen gelijken met elkaar om. Dat was uniek en ongekend. De oude Grieken en Romeinen beleden ook wel de gelijke rechten, maar dat gold alleen voor een kleine bovenlaag van vrije burgers. Slaven, vrouwen, vreemdelingen vielen daar buiten. Voor de volgelingen van Jezus waren álle mensen gelijk. En ze beleefden die vrijheid niet op een egoistische wijze, maar ze gebruikten die om elkaar te ondersteunen, elkaar lief te hebben, te vergeven. Zelfs als hun vijanden hen met de dood bedreigden of om het leven brachten, volharden ze in hun geloof in Jezus en in de vrijheid van Gods kinderen. Ze baden zelfs voor hun vervolgers.

De apostel Paulus beschrijft deze levenswijze in zijn brief aan de Romeinen, aan zijn medegelovigen in Rome: “Uw liefde moet spontaan en oprecht zijn…..Bemint elkaar hartelijk met broederlijke genegenheid. Acht anderen hoger dan uzelf…..Zegent hen die u vervolgen in plaats van te vervloeken” 2).
Deze boodschap en vooral ook deze manier van leven maakte diepe indruk op de mensen in die tijd. Daardoor kon de Blijde Boodschap zich zo snel verspreiden, zonder enige vorm van dwang of geweld. De Romeinen droegen daar onbewust toe bij doordat ze een netwerk van wegen had aangelegd door heel het Romeinse Rijk om de vrede en veiligheid te handhaven. Daardoor kon de handel floreren. Door de verplaatsing van soldaten en kooplieden en rijke toeristen kon ook het Evangelie zich snel verspreiden.
De Romeinse officier die tot geloof in Jezus kwam, is niet de enige gebleven. Overal, in alle landen, tot in de hoofdstad Rome toe, omarmden mensen uit alle lagen de boodschap van Jezus. Ze leerden door hem God als een bron van liefde en eeuwig geluk kennen.
Misschien waren er onder de soldaten die hier in dit Castellum gelegerd waren en die uit heel het Romeinse Rijk kwamen ook die geraakt waren door het Evangelie. Een kerk hebben ze in elk geval niet nagelaten, want pas na het jaar 325 mochten christenen kerken bouwen. Dat was toen de keizer zelf christen geworden was.
Maar ik vind het een mooie ontroerende gedachte dat onder de garnizoenen die hier in dit Castellum op de Hoge Woerd hier aan de grote rivier mogelijk al een paar mensen waren die de boodschap van Jezus kenden en probeerden in praktijk te brengen. Het Evangelie kreeg overal voet aan de grond waar mensen uit allerlei nationaliteiten elkaar ontmoeten. Het geloof was vanaf het begin niet gebonden aan land of taal of huidskleur. Het was vanaf het begin internationaal, katholiek, voor iedereen.

Sint Servaas, de eerste bisschop van Maastricht omstreeks driehonderd kwam hemaal uit Armenie, het huidige Turkije, zoon van een Romeinse officier. Niemand minder dan Sint Maarten, patroon van de stad Utrecht, werd geboren in Pahonie, Hongarije, zoon van een Romeinse officier, en eerst zelf ook soldaat.Zij kozen ervoor hun leven te wijden aan God en de Blijde boodschap ver van hun geboorteplaats.
In Leidsche Rijn/Vleuten-De Meern zijn de afgelopen twintig jaar duizenden nieuwe mensen komen wonen, uit het hele land, uit heel Europa, uit de hele wereld. Dat zal zo doorgaan. Hoe gaan we daarmee om. Gaan we de verschillen benadrukken? Voeden we wantrouwen en discriminatie? Of zien we elkaar als medemensen. Slaan we bruggen naar elkaar of veroorzaken we kloven?
Het Evangelie en ons geloof in Jezus Christus zijn na tweeduizend jaar nog steeds krachtig genoeg om mensen te verbinden. De eerste christenen – vaak Romeinse burgers – zagen het Evangelie van Gods liefde als een grote uitdaging waar ze zelf hun leven voor over hadden.
In de verbinding van mensen door Gods liefde ligt onze roeping als kerk en als christenen. Aan ons de taak om samen een leven te leiden dat laat zien dat het anders kan, dat er alle reden is tot hoop.
U kent allemaal Asterix en Obelix, de Gallische helden uit de stripverhalen. Zij vonden de Romeinen rare jongens. Ze voelden zich sterker en slimmer dan die vreemde Romeinen.
De Romeinen op hun beurt vonden de eerste christenen maar rare jongens én meisjes. Omdat ze in een God geloofden die je niet kon zien, en in een Heiland die zijn eigen leven had gegeven om alle mensen te bevrijden. De eerste eeuwen was dit geloof zelfs niet wettelijk toegestaan. Een hopeloze onderneming zou je denken. Maar steeds meer mensen werden geraakt door de boodschap van hoop en liefde die de christenen voorleefden.
Laten we nu ook niet bang zijn ‘zulke rare jongens en meisjes” te zijn. De Romeinse officier schaamde zich er niet voor. Vandaag mogen wij het hem weer nazeggen: “Heer, ik ben niet waardig dat Gij tot mij komt, maar spreek en ik zal gezond worden”. En Jezus Christus is vandaag nog dezelfde als tweeduizend jaar geleden en  tot het einde van de wereld. Amen

Pastoor Martin Los
1) Evangelielezing: Mattheus 8:5-13
2) 1e lezing: Romeinen 12:1-5,9-18