60 eurocent retour Areopagus (Een dag in Athene, een reis in de tijd)

In een rammelende lijnbus rijden we vanuit een voorstadje waar we in een appartement verblijven, naar het centrum van Athene. ‘Een dik half uur’ vertelde de vriendelijke receptioniste van het hotel bij wie we de buskaartjes kochten. Ook in Griekenland krijgen 65-plussers korting. Voor 60 eurocent per persoon mochten we bijna gratis dezelfde rit maken als de bewoners van deze streek op weg naar hun werk of familie of om een lang uitgestelde boodschap noodzakelijke te doen. De meeste droegen kleding waaraan aan af te lezen was dat ze zich geen luxe konden permitteren. De Grieken zijn door de rest van Europa op water en brood gezet.

Waar wij instapten was de bus nog maar half gevuld. We hadden meteen een zitplaats aan de rechterkant. ‘Hé, iedereen zit links’ zei mijn vrouw. Meteen wisten we dat we onszelf verraden hadden als vreemdelingen. De zon stond aan de rechterkant. Nog niet meedogenloos brandend als later op de dag maar ook op die vroege uur al nadrukkelijk aanwezig. We glimlachten een beetje opgelaten naar elkaar.
Na een paar haltes vielen we niet meer op want ook de zonovergoten zitplaatsen aan onze kant waren spoedig bezet. Voorin waren nog twee plaatsen met de rugzijde naar achteren naast elkaar vrij. Achteruitrijden doen ze ook hier pas als het echt niet anders kan. Begrijpelijk want niemand, ook de buschauffeurs niet, houdt zich hier aan de snelheid. Borden met vijftig erop lijken vooral een aansporing om de limiet te overschrijden.
Een groepje nieuwe passagiers stapte in. Drie vrouwen voorop. Twee oudere en één jongere, vermoedelijk de dochter van één van hen. De voorste zette vlug met haar linkerhand haar tas op de stoel van de enige nog lege bank. En in één beweging stak ze met haar andere hand haar kaartje in de automatische stempelmachine aan de andere kant. De andere oudere vrouw wilde snel de lege plaatsen bezetten voor haar en haar dochter. Een buitenkansje. Hé, daar stond al een tas. Ze keek naar de passagiers die op de tegenovergestelde stoelen zaten. Of ze die tas niet even wilden weghalen. Ze keken haar niet begrijpend aan. Toen drong het tot haar door dat de tas toebehoorde aan de vrouw die tegelijk met hen ingestapt was. Die was hen te slim af geweest en had ongemerkt de plek voor zichzelf gereserveerd. Nu kon ze niet naast haar dochter zitten. Even schoten haar ogen vuur. Toen telde ze haar knopen en besefte dat er voor haar niet meer inzat dan aan de raamkant plaats te nemen zonder haar dochter naast zich. Die had minder moeite met de situatie. Ze knikte naar haar moeder dat ze een eindje verder de bus in ging. Opgelucht dat ze een moment bij haar eigen gedachten of mobieltje kon vertoeven. In elk geval hoefde ze zo geen deelgenoot te zijn van het gesprek van de twee dames in de rol van zwijgende toehoorder. Van haar moeder kon ze vermoedelijk wel raden wat die zou zeggen. Inderdaad waren de vrouwen snel met elkaar in gesprek. De slimme dame genoot eerst nog na van haar list. Ze had moeite haar voldane blik te verbergen. De andere vrouw greep al snel haar kans om het haar betaald te zetten. Ze voerde bijna de gehele tijd het woord. Zo stonden ze toch in punten gelijk. Hun getaande huid en gerimpelde gezichten verraden de schoonheid die ze ooit bezaten. Ze waren ook in dat opzicht aan elkaar gewaagd. Sterke, door het leven getekende, Griekse vrouwen, vol temperament.

Intussen raakte de bus overvol. We naderden het centrum. Ik ging staan om te kunnen zien op het beeldscherm voorin – het enige moderne snufje – of we bijna bij de halte waren waar we uit zouden stappen. Meteen wees een oudere kalende man, in een wit shirt en witte broek, mijn vrouw erop dat het puntje van mijn portefeuille uit mijn broekzak stak. In zijn ogen een gemakkelijke prooi voor zakkenrollers. Hij had gelijk. Eén van de vele voorbeelden van behulpzaamheid en vriendelijkheid tijdens ons verblijf. We raakten gehecht aan de Grieken.

Makriyanni heette de halte en de buurt waar we ons de bus uit wurmden. Want we waren tenslotte op weg naar de Akropolis, die hoge heuvel met zijn Parthenon. Voor de Atheners heel gewoon, maar voor de rest van de wereld een magische werkelijkheid, een enorme magneet die dagelijks vele duizenden toeristen trekt.
We waren bewust vroeg. Nog geen lange rijen voor de kassa’s. Op een groot bord bij de ingang het bekende teken van de Europese Gemeenschap, een cirkel van gele sterren op een blauw vlak, en het logo van het Europese Erfgoed. De tekst erop verkondigt dat alles wat Europa groot heeft gemaakt en te bieden heeft aan democratie, filosofie, theater, kunst en kunde, hier haar oorsprong vindt. “Europa begint hier” eindigt de proclamatie die veel weg heeft van een bezweringsformule.
Het klinkt als ‘Alléén hier’. Maar Europa heeft natuurlijk meer bronnen en erflaters, dan alleen de Akropolis of zelfs Athene, denk ik bij mezelf. Een forse jonge vrouw met een Aziatisch uiterlijk, voor ons in de rij voor de kassa, koelt haar hoofd met een elektronische waaier die lucht door haar haren blaast. Ze is zo te zien alleen. Zou zij het bord ook gelezen hebben? Op datzelfde moment arriveren twee Nederlandse gezinnen die luidruchtig grappen maken alsof ze een dagje naar de Efteling gingen of naar een wedstrijd van hun favoriete voetbalclub. Ze hebben totaal geen oog voor het bord in het Grieks en het Engels.Teksten is iets voor school. Het is nu vakantie.
We bestijgen de hoge versterkte heuvel met flesjes water in de hand vanwege de hitte. Af en toe rusten we even uit wanneer we stilstaan bij plekken waar de grote filosofen hebben vertoefd en gesprekken hebben gevoerd zoals Socrates die Plato heeft opgetekend. Ik hoor in gedachten de leraren op het Gymnasium die met ons teksten van Plato lazen. Nooit had ik in die tijd kunnen dromen nog eens hier te lopen waar de Stoa was, over dezelfde enorme stenen blokken, gepolijst door de ontelbare voeten, zo glad dat je nu moet oppassen niet uit te glijden. We lopen stil van bewondering rondom het enorme Parthenon met zijn reusachtige zuilen onder een strak blauwe hemel. De vele stemmen van de andere toeristen gaan verloren in deze grootsheid.

Vermoeid gaan we zitten op een bankje waar net twee mensen opstaan. We kijken schuin tegen de voorkant van het Parthenon aan. Deze immense tempel is gewijd aan de maagd (parthenos) Athene. Op dat moment komt een gids met parasol vergezeld van een groep Amerikaanse toeristen voor ons staan. Ze wil haar uitleg beginnen, maar bedenkt zich en verontschuldigt zich eerst naar ons toe dat ze ons uitzicht beneemt: ‘Sorry, It takes only a minute’. We horen haar iets vertellen over de staatsman Pericles onder wiens bestuur het Parthenon gebouwd is, en zijn geliefde door wie hij beïnvloed is. De toehoorders lijken niet echt geboeid ondanks deze romantische wending. ‘U ziet aan de voorkant van het Parthenon dat op de hoeken beelden gestaan hebben. Van ons uit rechts Aphrodite, de godin van de liefde, en links Dionysos, de god van de wijn. U begrijpt – hier probeerde de gids een beetje ondeugend te kijken – dat maagden hiertegen in bescherming genomen moesten worden want liefde en levenslust en maagdelijkheid gaan natuurlijk niet samen’. Instemmend gegniffel. De gids gaf ons een triomfantelijk knikje en vertrok met haar groep naar de volgende stop.

Een gevoel van moedeloosheid overviel me. ‘Wat een onzin’ zei ik tegen mijn vrouw die niet naar de gids geluisterd had en met haar eigen gedachten bezig was geweest. ‘Ach, laat maar’ zuchtte ik. ‘Nee, zeg het maar’ zei ze. ‘Nou, Athene en haar maagdelijkheid staan symbool voor onaantastbare waarden zoals waarheid, gerechtigheid en wijsheid. Wanneer die in de samenleving gerespecteerd worden, bloeit de liefde en is er ware levensvreugde alom. Dáár staat het Parthenon voor. Die Amerikaanse gids trok alles weer in het kleinburgerlijke’.
‘Zullen we verder gaan’ zei ze, genoeg bijgekomen van de klim en de wandeling in de zinderende hitte boven op de Akropolis. ’Jij wilde toch nog naar een andere plek toe?’ ‘Ja, de Areopagos. Die moet hier vlak bij zijn, naast de Akropolis’.
We daalden de trappen af omstuwd door een menigte van allerlei nationaliteiten. Sommige groepen maakten van de gelegenheid gebruik om op de treden als natuurlijke tribune groepsfoto’s te maken met de Akropolis op de achtergrond. Dat schoot niet op. Na een paar honderd meter verspreidde de menigte zich.

We sloegen een pad rechts af in dat leidde naar een kleine heuvel. Areopagos stond er op een pijl. Voor ons lag een marmeren gevaarte. Glimmend in de zon, afgetrapt door eeuwenlang bezoek. Dichterbij gekomen lazen we een bordje dat ons afraadde deze halsbrekende toer nu nog te proberen. Gelukkig was er een ijzeren trap.
 ‘Is dit nou de Areopagos?’ zei ik teleurgesteld. Ik had me een soort plein voorgesteld. Want hier werd in de oudheid rechtgesproken. Hier vergaderden de vrije burgers. Hier gold vrijheid van meningsuiting althans voor diezelfde beperkte groep bevoorrechte vrije burgers. Maar dit is ook de plaats die de apostel Paulus bezocht heeft tijdens zijn verblijf in Athene. Op een zwart marmeren plaat die in de rots gemetseld was stond in het Grieks gekerfd de tekst uit de Handelingen der apostelen die hierover vertelt.
Paulus, een van de eerste volgelingen van Jezus – of dé eerste – die Athene bezoekt, gaat in gesprek met de aanwezige Atheners. Hij verbaasde zich erover dat de Atheners een veelheid van goden vereren. Maar hij knoopt daar juist bij aan om contact te leggen: ‘temidden van de vele tempels ontdekte ik ook een altaar voor de ‘onbekende god’. Waren de Atheners bang dat ze een god hadden overgeslagen? Paulus legt uit dat hij inderdaad die voor hen onbekende god kent. Dan vertelt hij hen over de onzichtbare God die alles geschapen heeft over wie de Bijbel vertelt. En zo komt hij uit bij Christus die door God in de wereld gezonden is om de mensen de vrijheid van Gods kinderen terug te schenken.
Het doet denken aan de velen in onze tijd die vervreemd zijn geraakt van religieuze tradities en praktijken. Toch zeggen de meesten van hen dat ze geloven dat er wel ‘iets’ is. Ik begrijp niet goed hoe ‘gelovigen’ hier soms smalend over ‘ietsisten’ spreken. Ik vind het een teken van respect als iemand die geen concreet geloof heeft, toch vermoedt dat er iets hogers is. Dat ‘iets’ of die ‘onbekende iemand’ zou juist een kans moeten zijn om samen op een nieuwe frisse manier het Evangelie te herontdekken. Niet al iets wat jij al bezit, maar de ander nog niet, maar wat zich onthult in de ontmoeting.

Ik klim de trap op. Boven op de steenmassa moet ik toch toch uitkijken niet uit te glijden over de uitgesleten steen. Mijn vrouw maakt van beneden af een foto van me, man in witte broek en geel t-shirt, op zoek naar sporen van Paulus. Het is hier veel minder druk dan boven op de Akropolis. Helemaal geen grote groepen met gidsen.
Hoeveel toeristen zullen na hun bezoek aan de imponerende Akropolis beginnen te vermoeden dat er wel ‘Iets’ moet zijn, of daarin gesterkt worden. Al is het maar op grond van de schoonheid die er zich onthult, en dat is nog maar een glimp van hoe het er in de bloeitijd vijfentwintighonderd jaar geleden echt heeft uitgezien.
‘Europa begint hier’ stond bij de toegang naar de Akropolis. Het bord zou evengoed kunnen staan bij de Areopagos. Want het geloof in de vrijheid van de mens als een kind van God is het centrale thema van Paulus. Deze boodschap heeft Europa met vallen en opstaan door haar hele geschiedenis gevormd. Gelovig of niet zijn we allemaal erfgenamen van die geschiedenis. Al torent de Akropolis fier boven de Areopagus uit. Ze kunnen niet zonder elkaar.

Verzadigd van zoveel indrukken verlaten we deze historische grond waar nog veel meer te zien is. Direct buiten de hekken treffen we op een schaduwrijk pleintje een terras waar we ons te goed doen aan een glas bier ‘Mythos’ en een koele witte wijn. De tijd staat even stil. Na een uurtje rekenen we af. We lopen door een drukke winkelstraat terug naar de bushalte. In een zijstraat eten we nog een eenvoudige sandwich. Met zoveel warmte neemt de eetlust drastisch af.
In de abri bij de halte aan een drukke laan stond een oudere man. Kort grijs haar. Een ouderwetse chroomkleurige bril. Hij droeg een geblokt overhemd, lichtblauw en wit, de kleuren van de Griekse vlag, met een lichtbruin colbertjasje, overblijfsel van een kostuum. 
‘Waar komt u vandaan?’ vroeg hij in het Engels met een vriendelijkheid die we al zo vaak ontmoet hebben hier. 
‘Hollandia’. Zijn ogen lichtten op. ‘Mijn zoon woont in Rotterdam. Hij heeft gestudeerd aan de Erasmus Universiteit. ‘Nou, dat is ook toevallig. Rotterdam. Daar heb ik mijn jeugd doorgebracht’ antwoordde ik opgetogen. ‘Wat voor studie?’ vraag ik. ‘Economie’. Hij hield even in en zei daarna vol trots: “Hij heeft nu een baan bij Unilever’.
‘Gefeliciteerd’ zei ik. Op dat moment kwam zijn bus voorrijden. Als een engel verdween hij weer even snel als hij gekomen was.
Wie bedenkt dit! Een vriendelijke Athener wiens zoon was afgestudeerd aan de Nederlandse Universiteit genoemd naar de grote Europeaan Erasmus. Uitgerekend deze man verbond de klassieke oudheid met het christelijk geloof in de vrijheid van de mens als kind van God. Een echte humanist. Akropolis én Areopagus.

Kort daarop stopte ook onze bus, A2. We namen plaats achter een echtpaar. Opvallend door hun zwarte huidskleur. Zij droeg een hoofddoek als in Afrikaanse landen. Een baby lag in haar linkerarm. Samen keken ze vertederd naar hun kind en naar elkaar. Hij droeg een rood T-shirt. Op de rug stond te lezen in het Frans: ’Artsen zonder grenzen komen overal waar dat nodig is’.
Dit is zo’n dag waarop alles samenvalt. Tijden, plaatsen, levens. Alsof alles betekenis heeft. Alsof?

(c) Martin Los

verlangen laat zich niet kooien

Preek op de 28ste zondag door het jaar in de Willibrordkerk 8 en in de Mariakerk op 9 oktober 2016

Lieve zusters en broeders, een groep van tien melaatsen komt Jezus tegemoet maar ze blijven op grote afstand staan. Ze schamen zich voor hun aangevreten ledematen en geschonden gezichten. Dichterbij komen mogen ze niet. Ze zijn verbannen uit de samenleving. Vreemdelingen in hun eigen omgeving. Toch overbruggen ze de afstand. Op de enige manier waarop dat kan. Met hun stem: “Jezus meester, eleison, ontferm u over ons!” ***)
We roepen aan het begin van elke eucharistieviering ook: “Kyrie eleison”. We ontmoeten God. Maar lijken we daarin niet een beetje op die melaatsen. Zouden we niet allemaal soms even weg willen kruipen vanwege de dingen waarvoor we ons schamen? Ook voelen we de nood en de wanhoop van de eenzamen, armen, de vluchtelingen, en al degenen die het gevoel hebben dat ze buitengesloten zijn, dat ze er niet toe doen. We scharen ons ook achter hen en roepen met hen uit: Kyrie eleison, Heer, ontferm u!
We doen dat elke keer opnieuw omdat we geloven dat er één is die het roepen hoort. Die ene is God.
Geloven is schaamteloos alle óngeloof overboord gooien, alle maatschappelijk stigma’s – wat anderen van je denken en je voorschrijven – afwerpen, afstanden overbruggen en roepen: “Heer, ontferm U. Christus, ontferm U, Heer, ontferm U”. Geloven is ook alle zelfverwijten vergeten en uit diep verlángen naar echt léven roepen: Heer, ontferm U over mij!”
Soms denk ik wel eens dat wij dát roepen verleerd hebben. Deels omdat we menen God niet meer écht nodig te hebben. Alsof God iets is van vroeger toen de mensen nog niet zoveel wisten als wij. Wij moeten het nu zelf oplossen. Deels hebben we het roepen verleerd omdat we denken dat toch niemand ons hoort. Dat het geen zin heeft. Dat je je belachelijk maakt. Dat je gestoord bent. Een normaal mens doet zo iets niet: luidkeels roepen, je longen uit je lijf: “kyrie eleison!
therefugeeToch is dat wat de melaatsen deden. Hun diep verlangen – onderdrukt door zovele vooroordelen en gewoontes – dat diepe verlangen naar echt leven, vocht zich door alle reserves een weg naar buiten op het moment dat ze Jézus zagen.
Schoten ze daar iets mee op? Jezus zei: “ga je aan de priester laten zien”. Stuurde hij hen daarmee niet met een kluitje in het riet? Waaróm moesten ze zich aan de priester in de tempel laten zien? Omdat dat stond in de wet van Mozes: “Als je genezen bent, ga dan naar de priester”. De tempel was het heiligdom. Daar mochten ze helemaal niet komen met hun gevlekte huid, aangevreten neuzen, stompjes van vingers. Maar tellen voor God niet alle mensen mee? In de tempel zouden ze alléén welkom zijn als ze genezen waren. “Ga je laten zien aan de priester” kon alleen maar betekenen: dat ze dan genezen zouden zijn. Ze gingen. Zonder enige zekerheid. Ze hadden alleen geroepen “Heer, ontferm U”. En ze hadden die vreemde opdracht van Jezus. Maar ze gingen op weg. “En onderweg werden zij genezen” vertelt Lukas.
Roepen vanuit nood en vervreemding en op weg gaan met de belofte van Jezus zonder nog iets te zien. Dát is geloven. Dáár gebeurt iets. Daar ontdekken mensen dat ze niet meer buitengesloten zijn. Daar worden mensen weer nieuw. Daar ervaren we dat we voor God ertoe doen, wat iedereen er verder van mag denken, de wereld om ons heen, maar ook alle tegenstemmen in onszelf.
De apostel Paulus drukt deze kracht van het geloof nog een keer Timotheus op het hart. Timotheus, zijn leerling, zijn geestelijke zoon en erfgenaam. Hij zegt: “zo luidt de boodschap die ik verkondig en waarvoor ik zelfs als een misdadiger in gevangenschap te lijden heb. Maar het woord van God laat zich niet in boeien slaan” **)
Déze twee laten zich nooit het zwijgen opleggen. De kreet van mensen die roepen om ontferming. En het woord van God dat zich niet in boeien laat slaan.
We kunnen onze oren dichtstoppen voor de kreet van mensen. We kunnen mensen zeggen dat ze niet zo’n kabaal moeten maken. Maar de kreet zal doorgaan. Altijd. En het woord van God zal steeds weer opnieuw klinken. Al verklaart men dat God dood is, dat geloof achterhaald is, het Evangelie van Jezus klinkt steeds opnieuw om mensen in beweging te brengen en te helen waar mensen hem ontmoeten.
Om dat te zien moeten we zelf ook oog hebben voor mensen die zich schamen voor hun nood, hun verleden, hun armoede, hun eenzaamheid en vervreemding net als Jezus.
Wanneer we hen met hun gebrek zien staan, en hen als kinderen van God zien, zullen we hen niet de rug toe keren en roepen “Ga weg. Houd afstand”. We zullen ons over hen willen ontfermen. Dan gaan we weer ervaren hoe bevoorrecht en gelukkig we zijn dat we zelf door het geloof in Jezus kinderen van God mogen zijn. Het geloof zal weer levend voor onszelf worden.
Slechts één van de melaatsen keert terug toen hij zag dat hij genezen was en verheerlijkte God. Met diezelfde stem waarmee hij eerst luid “Kyrie leison. Heer, ontferm U” heeft geroepen” en met diezelfde intensiteit verheerlijkt hij nu God en roept: “Eer aan God in de hoge”.
Zo is ook de liturgie van de kerk: op het “Heer, ontferm U” volgt het “eer aan God in den hoge”. Het loopt vervolgens uit op het grote dankgebed van de eucharistie: dank dat we als smekelingen deel mogen hebben aan het goddelijk leven. Dat we er bij mogen horen, bij God en bij elkaar. Wie we ook zijn.
Jezus is oprecht verwonderd dat niet alle tien melaatsen zijn teruggekeerd om God te danken. Alleen de ene van wie je dat het minst had verwacht, een vreemdeling, net als die Syriër Naaman *) die een vracht aarde wilde meenemen uit Israël om thuis daarop neer te knielen voor God.
Voor Jezus geen reden om ermee op te houden. Hij kijkt niet naar het getal. Het Evangelie is niet aan cijfers af te meten. Geloof is geen zaak van statistiek al heft zelfs onze kerk een bureau voor de statistiek. Geloof is geen zaak van kwantiteit.  Die ene telt voor Jezus. die ene die we zelf zijn. Die ene die de ander is. Laten ook wij gewoon leven vanuit het geloof dat alles doorbreekt en alles overwint. En God daarvoor danken. Dat is echt leven zoals alleen God het geven kan. Dat kan geen macht ter wereld tegenhouden als we dat eenmaal gezien en geproefd hebben. Geloof is verlangen naar God. Maar het is ten diepste vooral ook verlangen van God naar ons. Amen

(c) pastoor Martin Los
Schriftlezingen voor deze eucharistie op de 28e zondag door het jaar volgens het universele lectionarium van de r.k. kerk.
*) 1e lezing 2 Koningen 5:14-17 **) 2e lezing 2 Timotheus 2:8-13 ***) Evangelie: Lucas 17:11-19