Preek zondag 3a 21/22 januari 2017 Mariakerk en Willibrordkerk

Lieve zusters en broeders, ooit had de profeet Jesaja verkondigd dat een achtergebleven provincie in Israel zou dansen van vreugde als mensen op een bevrijdingsfeest, en dat ze plotseling in de schijnwerper zouden komen te staan: “een volk dat in duisternis wandelt, ziet een groot licht” *). Die landstreek is Galilea. Dat moet de mensen daar in de loop der tijd een bijzonder gevoel hebben gegeven, een gevoel van verwondering en van verwachting. Wat moesten ze zich voorstellen bij die uitzinnige vreugde die ooit uit zou breken, en bij dat grote licht dat ze ooit zouden zien? Vandaag horen we hoe die profetie in vervulling gaat. Jezus begint in Galilea met de verkondiging van de Blijde Boodschap, en dat het rijk van God nabij is ***).
Hij roept Galilese mannen om hem te volgen als zijn leerlingen. Wat is daar zo bijzonder aan? In Jeruzalem, de hoofdstad, was de tempel. Daar waren de Schriftgeleerden. Daar verzamelden Rabbijnen leerlingen om zich heen. Die leerlingen waren de zonen van de rijke inwoners, jongeren en ouderen die niet hoefden te werken omdat ze voldoende bezittingen hadden.
Jezus begint helemaal aan de andere kant. In één van de onaanzienlijkste provincies. In Jeruzalem kozen de leerlingen die van rijke afkomst waren, zelf hun leraar uit. Wie de meeste leerlingen had kreeg de meeste inkomsten en roem. Jezus kiest zelf zijn leerlingen uit. Mensen die helemaal niets hadden om hem te onderhouden, eenvoudige vissers.
Aan het eind bij het laatste avondmaal herinnert Jezus zijn leerlingen daarin: “Niet jullie hebben Mij uitgekozen, maar ik jullie”. Het is Christus die het initiatief neemt. En hij doet dat op zijn eigen totaal onverwachte wijze.
Het is goed om dat steeds opnieuw te bedenken. We horen die oude woorden en verhalen niet om een kijkje in de historie te nemen. De kerk is geen museum waar we op zondag als vaste bezoekers ons verzamelen. We luisteren naar het Evangelie, en naar de profeten en apostelen, om ons bewust te zijn dat Jezus Christus vandaag niet anders is dan toen. Als Hij toen iedereen verraste, moeten we nu ook met die mogelijkheid rekening houden. Waar je het niet zou verwachten daar begint Hij, en van wie je het niet zou verwachten, die roept Hij.
We maken ons zorgen over de kerk. We maken ons zorgen over de overdracht van het geloof aan jongere generaties. Maar misschien kijken we gewoon niet goed. Soms gedragen we ons als verstrooide mensen die roepen: “hebben jullie ergens mijn bril gezien?”  terwijl ze die bril op hun neus hebben.
We zijn druk bezig met de kerk in stand houden. Zo druk dat we met een krimpend aantal gelovigen nergens anders meer aan toe komen. Paus Franciscus houdt ons voor, vanaf het begin van zijn pausschap, dat we niet moeten wachten tot mensen naar ons toe komen, maar dat we naar hen toe moeten gaan. Hij geeft zelf tot op de dag van vandaag het goede voorbeeld. “Huur een garage ergens in een buurt en begin daar de blijde boodschap te verkondigen en voor te leven” is één van zijn bekende uitspraken. Bedenk daarbij dat hij uit eigen ervaring spreekt van toen hij aartsbisschop van Buenos Aires was, een stad van negen miljoen inwoners. Hij reisde zelf per openbaar vervoer door de stad om te weten wat er onder de mensen leefden, vooral de armen en onaanzienlijken, en om aanspreekbaar te zijn. Misschien moeten we niet zo druk bezig zijn om het bestaande met alle mogelijke inzet in stand te houden, maar naar de mensen toegaan, de jongeren, de eenzamen, de armen.
Al zouden we maar een deel van alle moeite om de bestaande kerk in stand te houden, gebruiken om naar de mensen toe te gaan, dan zouden we misschien tot de ontdekking komen dat God ons allang voor is; dat Hij de harten van de mensen voorbereid heeft; dat Hij verlangen in hen gewekt heeft om het Evangelie te ontvangen door mensen die oprechte zorg en aandacht hebben voor hen.
Maar ik denk dat we nog dichter bij huis moeten beginnen. Bij onszelf. Waar is de vreugde? Waar is de verwondering waarover we hoorden bij Jesaja en in het evangelie? We lijken soms op mensen voor wie hun geloof een soort bezit is, iets dat verdedigd moet worden, in plaats van hartelijk te genieten.
Als gelovigen gedragen we ons soms als ontevreden consumenten, in plaats van dat we elke dag opnieuw beginnen met blijdschap dat Jezus ons geroepen heeft en dat Hij ons in de arm genomen heeft om te delen in zijn geweldige opdracht mensen bij God te brengen.
Bij vreugde hoort eenheid en saamhorigheid **). We bidden daarvoor maar we moeten er ook zelf naar streven. Eenheid niet als uniformiteit maar als passie en visie, als aanvulling op elkaar en ondersteuning van elkaar. “Niet jullie hebben mij uitgekozen” zegt Jezus op het moment dat Hij zich opmaakt het offer van zijn leven te brengen voor het eeuwige geluk van alle mensen “Ik heb jullie uitgekozen. En Ik heb jullie de taak gegeven op tocht te gaan en vruchten voor te brengen die blijvend zijn”.
Het begint er niet mee dat we om ons heen kijken om te zien waar God bezig is en wie Hij roept. Het begint ermee dat we ons mateloos verwonderen dat hij onszelf uitgekozen heeft. Vanuit die verwondering en vanuit die vreugde zullen we ook gaan zien hoe Christus even actueel is als toen Hij die eenvoudige vissers in die achterafstreek van Galilea riep. “Niet jullie hebben Mij uitgekozen, maar Ik jullie”. “Ons? Mij?! Hoe is het mogelijk. Amen

(c) Pastoor Martin Los
Schriftlezingen tijdens de eucharistie op de 3e zondag door het jaar A volgens het lectionarium van de r.k. kerk. 1e lezing: Jesaja 8:23b-9,3 *) 2e lezing: I Korinthiers 1:10-13.17 **) Evangelie: Mattheus 4:12-23 ***)

korte homilie donderdag in de 9e week door het jaar op 2 juni 2016 Mariakerk

letterToTimothyIn het Evangelie van deze dag (Mattheus 12:28-34) ligt alle nadruk op waar het in de kerk en in het gelovige leven om gaat: de liefde tot God met hart en ziel, en de naaste beminnen als jezelf.
Hielden we dat maar altijd voor ogen! Ja, volgden we maar de raad van Paulus aan Timotheüs (2 Timotheüs 2:8-15) die zijn leerling aanbeveelt: “Houd Jezus Christus in gedachten”, want hij is het beeld is van de volmaakte liefde van en naar God en tot medemensen, dan zou het leven van ieder van ons, van de kerk en van de hele wereld er heel anders uitzien. Maar we moeten tot onze schande bekennen dat wij die hoofdzaken ook niet altijd voor ogen houden, en soms bijzaken verwarren met waar het echt om gaat. Daarom raadt Paulus in zijn brief aan Timotheüs aan woordentwisten te vermijden. Dat is een goede raad voor alle tijden. Wij hebben het tegenwoordig steeds over de vrijheid van meningsuiting. Maar in alle tijden is er natuurlijk de vraag van hoe we met elkaar communiceren. Doen we dat wel op een manier die echt vruchtbaar is en inspirerend en opbouwend, of zijn we onder het mom van waarheid en rechtvaardigheid alleen maar bezig met ons zelf te profileren.
Dat gebeurde ook in de dagen van Jezus. De wetgeleerde die hem kwam vragen: “Heer wat is het belangrijkste gebod in de Bijbel?” deed dat ongetwijfeld uit oprechte motieven. Maar juist dit punt waren de rabbijnen in Jeruzalem en hun theologische scholen hevig met elkaar in conflict. Je zou toch denken dat daar zou geen discussie over zijn. Iedereen zal het er toch over eens zijn dat het belangrijkste gebod de liefde tot God en de naaste daaraan gelijk, is.
Ja, maar als dit al de kern van de godsdienst genoemd is door anderen, dan kun je als leraar niet meer profileren. Dan kun je niet meer zeggen: “ Je moet eigenlijk bij mij in de leer gaan zijn want ik bezit de sleutel tot de kennis van God en het goede leven”. Dus elke rabbijn zocht naar teksten in de Bijbel als een eigen niche. Zodoende konden zij zich als leermeesters profileren en tonen dat ze briljanter waren dan anderen. Dat leidde tot de meest vreemde spitsvondige redeneringen. Dat alles om maar aan te tonen dat men zelf de best bekwame rabbijn was. En de volgelingen bleven uiteraard niet achter. Hun leermeester was natuurlijk de beste en de meest begeerde professor in de theologie.
Nu begrijpen waarom iemand in het Evangelie aan Jezus vraagt: “Goede meester, wat is het belangrijkste gebod?” Zou Jezus op zijn beurt een nieuw slimmigheidje bedacht hebben om op te vallen en zijn rivalen af te troeven?
Nee, Jezus zegt juist wat iedereen wist en behoorde te weten. Zijn originaliteit was dat hij niet origineel wilde zijn op de wijze waarop wij “origineel” opvatten. Waar het omdraait is de liefde tot God en de liefde tot de naaste, antwoordt Jezus
Wanneer dan de man die dat vroeg reageert met te zeggen: Meester u hebt het bij het goede eind, zegt Jezus: “ Je staat niet ver af van het rijk van God”.
Is dat niet wat we eigenlijk allemaal willen horen? Dat we niet ver af staan van het rijk van God.
Het gaat er niet om dat we de knapste of de slimste zijn of het beste zijn in een discussie. Een ding is belangrijk dat we niet ver van het rijk van God staan.
Laten we daarom ons ook in de kerk niet laten verleiden tot discussies over woorden en zinnen en bijzaken. Laten we de hoofdzaak voor ogen houden.
Wat niet betekent dat er soms niet pittige gesprekken mogen zijn. Maar liefst ook met een beetje humor. Wanneer we alle verschillen met de mantel der liefde bedekken betekent dit dat sommige dingen uitgesproken blijven, die wel uitgesproken moeten worden. Anders gaan ze onderhuids een eigen, soms verwoestend leven leiden. Zaken niet bespreken vanwege de lieve vrede is zeker niet de bedoeling van de raad die Paulus aan Timotheüs geeft
De lieve vrede prediken komt voort uit angst dat discussies en conflicten verkeerd uit pakken. Het ontstaat uit gebrek aan vertrouwen dat volwassen mensen daar waar iets schuurt, er samen uit zouden kunnen komen. Er zijn inderdaad dingen waar je goed over moet spreken in het huwelijk, het gezin, op het werk, in de politiek, juist waar onenigheid heerst of dreigt. Want vaak spelen meerdere belangen die je af moet wegen tegenover elkaar. Dan moet er ruimte zijn voor een stevig gesprek. Wees niet bang om dingen open en eerlijk te bespreken. Maar liefst wel met een beetje relativering. Niet de ander vernederend maar met respect voor elkaar. Niet fanatiek maar met humor en ironie. Dan moeten we ons zelf niet als het ware op een voetstuk zetten of denken dat wij de waarheid in pacht hebben. Want de waarheid is God zelf. Die waarheid bezit niemand voor zichzelf. Zij openbaart zich als een licht dat in de harten van de mensen en zo in gemeenschap een weg baant.
Dan zullen we ervaren dat wij niet alleen maar op onze tekorten stuiten in de discussies met elkaar en van elkaar vervreemden. Dan zullen we ontdekken dat God door de Heilige Geest zelf ons de weg wijst. Amen

(c) Pastoor Martin Los