rijk zijn voor God ware vrijheid

Preek op de 18e zondag door het jaar op zondag 4 augustus 2019 in de Mariakerk en Willibrordkerk

‘Wacht u voor alle hebzucht, want geen enkel bezit kan uw leven veilig stellen’
1)
Lieve zusters en broeders, stel dat wij een grote menigte vormden, en Jezus kwam voorbij, wat zouden we Hem dan spontaan vragen? Ervan uitgaande dat dit de kans van je leven is. De man in het Evangelieverhaal weet het wel. Hij ziet zijn kans schoon. Er is één ding dat hem hoog zit: hij is het niet eens met het erfdeel dat zijn broer ontvangen heeft: “Jezus, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt”. Maar is dat nou echt een vraag die je zou stellen als je de unieke kans had de Heer te ontmoeten? Zou je dan niet veeleer vragen: Heer, wilt u mij helpen een goed mens te worden. Of: wilt u mij helpen echt gelukkig te worden? Of: wilt u mij helpen Gods liefde te leren kennen?
Of in het geval van de man uit het Evangelie die jaloers is op zijn broer: “Heer, ik heb zo’n last van jaloezie. Ik kan aan niets anders denken dan dat mijn broer meer geërfd heeft dan ik. Wilt u mij verlossen van die steek in mijn hart, zodat ik weer verder kan met mijn leven?”
We laten soms de kans voorbij gaan als een patient die aan de dokter vraagt de symptomen te bestrijden, maar niet de ziekte zelf.
Omdat de man die jaloers is op zijn broer zo blind is voor zijn eigen situatie, dat hij het zelf niet in de gaten heeft. Daarom schudt Jezus hem wakker: “Pas op en wacht u voor alle hebzucht want geen enkel bezit – hoe overvloedig ook – kan uw leven veilig stellen”.
Als een echte heelmeester van onze zielen legt Jezus de oorzaak van ’s mans kwaal bloot. “Beste man, je denkt dat als je dat deel van de erfenis van je broer, te pakken krijgt, dat je dan gelukkig zult zijn omdat je je dan geen zorgen meer hoeft te maken over je leven en dat je het er goed van kunt nemen. Nou dan vergis je je’.
Nu Jezus de ziel van de man heeft bloot gelegd, richt hij zich als een dokter die tegelijk college geeft aan de co-assistenten die om de patiënt heen staan, allemaal ook mensen met hun eigen valkuilen. Hij vertelt hen de gelijkenis van de rijke man die we zo-even gehoord hebben. Over de man die denkt zijn schaapjes op het droge te hebben en zelfvoldaan gaat slapen. Maar voor de morgen aanbreekt, is zijn leven voorbij. Wat heeft hij dan met al zij in spanning verworven? Niets.
De omstanders herinneren zich op dat moment misschien de woorden van het boek Prediker die wij zoeven hoorden in de 1e lezing: “Wat heeft een mens tenslotte aan al zij geploeter en de zorgen waarmee hij zich op aarde kwelt?” 2)
Jezus houdt de jaloerse man en alle omstanders voor: “zo gaat het met iemand die schatten vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God”.
De vraag moet niet zijn: “Hoe wordt ik rijk? Hoe wordt ik beroemd? Hoe wordt ik machtig?  Hoe wordt ik iemand die de rest te slim af is?”. Maar: “hoe wordt ik een gelukkig mens, een mens die in vrede leeft met zichzelf, met anderen voor zover het van jou afhangt, een mens die het leven als geschenk van God ervaart en Gods genade heeft leren kennen?” Dan leef je pas echt. Dan hoef je niet bang te zijn dat dit leven ooit van je afgenomen wordt. Want je weet: niets kan mij scheiden van God en van zijn liefde.
Paulus noemt in zijn brief onder wat hij noemt “immorele praktijken”: “hebzucht die gelijk staat aan afgoderij”.3) Met “afgoderij” bedoelt hij dat we bezit zo op een voetstuk zetten dat we ons hele leven eraan wijden en dus slaaf worden. We zijn niet dan meer vrij in ons doen en laten. Wat zijn de symptomen? We zien ieder mens als concurrent. We zien de arme als iemand die maar beter zijn best had moeten doen. De vluchteling als profiteur. En we vergeten dat de gaven die ons gegeven zijn, ons de kans geven om anderen te helpen en te ondersteunen. Maar juist als we onze gaven en talenten inzetten voor anderen lijken we op God.
Jezus gunt ieder mens rijk te zijn voor God. Dat is de ware vrijheid. Dat is de vrijheid van Gods kinderen. Laten we daarom zo omgaan met onze aardse bezittingen, met onze talenten en kansen dat ons oog altijd gericht blijft op het hemelse. Als christenen halen we niet onze neus op voor het aardse. Het geeft ons juist een unieke kans om God te dienen en ons medemensen mee te verheugen. Zo mogen we er met volle teugen van genieten.

Martin Los

1) Evangelielezing: Lucas 12:13-21
2) 1e lezing: Prediker 1:2 en 2:21-23
3) 2e lezing: Brief van Paulus aan de christenen van Colosse: 3:1-5,9-11

Leven als samen geroepenen

Preek op de 4e zondag van Pasen 22 april 2018 Mariakerk en Willibrordkerk

‘Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook’ *) hoorden we de apostel Johannes zeggen. Lieve zusters en broeders, wanneer ouders hun kind bij de geboorte een naam geven, is dat een heel bijzondere gebeurtenis. Een appel, een roeping.
Want met die naam wordt de baby voor het eerst geroepen en welkom geheten in de kring van het gezin en gaandeweg in de hele mensen wereld.
Eerst hoort het kindje de naam zonder te weten dat hij of zij het is. Maar omdat de ouders, de broers en zussen, en even later de grootouders, ooms en tantes het kindje aanspreken met die naam, gaat het op den duur luisteren naar die naam. Op een beslissend moment gaat er bij de baby een licht op. Het denkt: ‘he, ze bedoelen mij, Dat ben ik! Ze roepen mij. Ik hoor bij hen. Zij horen bij mij’.
‘Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook’. Op dezelfde manier als onze ouders ons hun kind noemen en in de kring van hun gezin hebben opgenomen, roept God ons als zijn kind in zijn gemeenschap, in de familie van God. Maar hoe doet Hij dat, en op welk moment, en hoe weten we dat Hij het is die ons roept en zijn kind noemt?
God roept ons als zijn kind door het geloof in Jezus Christus. Op het moment dat we aangesproken worden door Jezus en verlangen bij hem te horen en hem te volgen, roept God ons als zijn kind. Ach, als wij tot die ontdekking komen, wie weet hoe lang Hij al bezig is geweest. Dan gaat ons eindelijk een licht op net als bij dat kindje in de wieg nadat zijn naam voor de duizendste keer is genoemd, bij zichzelf denkt: ‘hé, dat ben ik’. Het is de naam van Jezus waarmee we Hem noemen, die ons roept.
Kind van God zijn is dus niet een bijzondere kwaliteit, een soort rapportcijfer. Kind van God zijn is geroepen worden in de kring van de gemeenschap van God. Het is een roeping. Een wake-up call.
Het is een avontuur: ‘nu al zijn we kinderen van God, en wat wij zullen zijn, is nog niet geopenbaard” vervolgt Johannes. De roeping die we ervaren als kinderen van God is een roep om op weg te gaan en het te wagen met de blijde boodschap. We zijn allemaal verschillende mensen, en de weg die we gaan kan behoorlijk verschillen, maar toch zijn we samen op weg. Als een gemeenschap van gelovigen, als een kudde.
Daar verschijnt Jezus als de goede Herder die ons allen leidt, door de heilige Geest, door de sacramenten, en door onze persoonlijke ervaring van nabijheid.
“Ik ben de goede Herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen mij’. **) Omdat we kinderen van God genoemd worden door ons geloof in Jezus, onze verrezen Heer, horen we bij Hem en bij elkaar als een Herder met zijn kudde. De ware Herder kent zijn schapen en de schapen kennen Hem. Ze luisteren alleen naar zijn stem. Voor een vreemde gaan de schapen op de loop. Maar de Herder vertrouwen zij, omdat Hij hen kent, en liefheeft, en voor hen zorg draagt.
Dat is de wonderlijke ervaring van allen die zich geroepen weten door Jezus Christus en Hem volgen in hun leven, dat je bij Hem hoort, dat je tot in het diepst van je ziel gekend weet, dat Hij van je houdt door dik en dun. Zelfs als je van de weg bent afgedwaald. Jij kunt bij wijze van spreken voor je gevoel kilometers van God verwijderd zijn geraakt, maar Hij van zijn kant is altijd rakelings nabij.
Dat kan alleen maar omdat Jezus voor ons geen persoon is uit een ver verleden, maar de levende Heer die ons met God verbindt.
Het is heel belangrijk dat we in deze tijd waarin sociale verbanden als gezin, familie, verenigingen heel erg verzwakt zijn, dit geroepen zijn als kind van God leren koesteren en beleven. We leven in een tijd van persoonlijke keuzes maken. Als dat zo is kunnen we ook uit eigen vrijheid de keuze maken om onze roeping als kind van God te volgen zonder te kijken wat onze omgeving daarvan vindt of daarin mee gaat.
Het is voor mij een grote geruststelling en vreugde, lieve broeders en zusters dat u allen geheel uit vrije beweging gekomen bent om de eucharistie te vieren. Zonder dwang of zonder angst. En dat we van elkaar mogen weten dat ieder op zijn eigen manier in het dagelijks leven die persoonlijke roeping probeert waar te maken.
We mogen elkaar herkennen en erkennen en waarderen als kinderen van God die allemaal geroepenen zijn.
Laten we ons daarover steeds verwonderen en verheugen. Laten we daarin ook de Herder herkennen die ons bijeenbrengt en ons persoonlijk en als gemeenschap leidt.
En laten we ook zorgen voor een geest waarin bijzondere roepingen zich ontwikkelen van priesters en diakens en religieuzen die hun leven wijden aan de kerk en de gelovigen en de zending in de wereld. Want als je eenmaal zelf weet dat je geroepen bent, wil je ook anderen roepen en toeroepen dat zij kinderen van God mogen zijn door het geloof, het mooie geloof, het zaligmakende geloof in Jezus Christus. Die ‘steen die door de tempelbouwers niets waard werd geacht maar door God tot hoeksteen is gemaakt’  ***) Amen

Martin Los
Lezingen tijdens de Eucharistie van deze zondag:
Handelingen der apostelen 4:8-12 ***
1e Brief van Johannes 3:1-2 *
Evangelie: Johannes 10:11-18 **
afbeelding:  De Goede Herder, mosaiek in het Mausoleum van Galla Placidia, Ravenna, 1st helft 5th eeuw