Ruim negentig jaar was ze en ze woonde helemaal alleen in de polder. Haar enige broer was lang geleden gestorven. Ze zat in een rolstoel en was heel doof.
Dankzij de wijkverzorging en een nog een kleine groep mensen die naar haar omkeken, kon ze op zichzelf blijven wonen. Op die plek haar laatste adem uitblazen, was haar enige wens.
Ik vond het knap dat zij elke avond weer haar angst overwon die over ieder mens komt die ergens alleen woont en de nacht tegemoet gaat. Bovendien werden de alleenstaande huizen in dat gebied vaak geplaagd door pogingen tot inbraak.
Als ze door de wijkverzorgster in bed was geholpen bad ze haar gebed voor het slapen gaan: “Heer, in uw handen beveel ik mijn geest”. Zo hield ze het uit.
Eenmaal per maand kwam ik even bij haar op bezoek om haar de heilige communie te brengen. Naar de kerk komen zoals ze haar hele leven gewend was, zat er niet meer in. De drempel om ook maar iets buiten de deur mee te maken, was te hoog geworden. Maar haar huis was door haar dagelijks gebed, haar spontane hartelijkheid en liefdadigheid zelf een kerkje in het klein. Een plek waar God woont. Een punt waar hemel en aarde elkaar raken.
Toen ik weer bij haar kwam, vertelde ze dat ze de laatste tijd bezoekers had.
“Wat voor bezoekers?” vroeg ik haar, nieuwsgierig naar wie deze nieuwe mensen waren die blijkbaar belangstelling voor haar hadden.
“Ja, dat vraag ik me ook af” zei ze “maar ze kloppen telkens op me.
Ze klopte een paar keer met de knokkel van haar rechterwijsvinger op de achterkant van haar linker bovenarm.
“soms laten ze mee een tijd je met rust, en dan beginnen ze weer”
Het was me duidelijk dat de ‘bezoekers’ geen mensen van vlees en bloed waren. Dat stelde me eigenlijk gerust. Maar tegelijk riep wat ze verhaalde, wel vragen op. Wat was hier aan de hand?
Er sprak geen angst uit haar gezicht toen ze van die vreemde bezoekers vertelde.
“Wat denkt uzelf het eerste aan?“ Ze keek me even aan. Er volgde een lichte zucht. “Aan de zielen die nog in het vagevuur zijn. Ze kloppen bij me aan om voor hen te bidden. Als ik voor ze gebeden heb, dan laten ze me met rust. Een poosje later komen er weer nieuwe die bij me aankloppen. En dat gaat elke dag als ik hier zit zo door. ’s Nachts gebeurt het niet”.
Ze sprak er heel nuchter over. Zelfs met een kinderlijke vrolijkheid. Ook dat stelde me gerust.
Er was geen sprake van een soort waan. Ze ging ook niet gebukt onder deze merkwaardige klopjes op de huid van haar bovenarm en schouder.
Ik zag geen reden om me zorgen te maken. Ook merkte ik geen aandrang in me om commentaar te leveren vanuit een religieus gezichtspunt.
Ik voelde me als een ontdekkingsreiziger in een land dat nergens op de kaart staat.
Hier was iemand die zich helemaal wijdt aan het redden van de zielen van gestorvenen door te bidden tot Jezus en Maria en God. Ze had er een dagtaak aan. Telkens mocht ze door haar liefde die arme hemelse asielzoekers het laatste vurige zalige zetje geven
Zo beleefde zij die ongeduldige porretjes als van kinderen die aandacht van hun moeder vragen. Ze beleefde er veel genoegen aan. Het gaf haar leven, dat in de ogen van vele anderen tamelijk zinloos was, zin. En ze vierde zo haar geloof dat Gods liefde het laatste woord heeft over alle mensen.
Maar stel dat die porretjes toch teken waren dat er iets mis was met haar lichaam? Haperende bloeddoorstroming? Niet goed gedoseerde medicijnen?
Voor mijn eigen geruststelling vroeg ik: “heeft u de dokter ook verteld van dat soort aanrakingen die u voelt?”
Ze had een goede band met de huisarts die haar regelmatig bezocht.
“Ja, ik heb er met hem over gepraat. Hij heeft alles nog eens gecontroleerd. Er was volgens hem niets bijzonders aan de hand. Ik hoefde me geen zorgen te maken”.
“En wat vond hij van die arme zieltjes die u een lift geeft?”
“Nee, dat heb ik voor u bewaard” zei ze met een hartelijk lach.
“Zullen we dan nu maar gaan bidden?” zei ik want al die tijd had het doosjes met de heilige communie op tafel gestaan aan de voet van een klein kruisbeeld met een brandende kaars erbij.
“In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest” begon ik zoals gebruikelijk. We maakten samen het kruisteken erbij. Haar hand ging van haar hoofd naar haar borst naar haar schouder.
Plotseling klonk er een luide stem door de kamer: “mevrouw D., heeft u op het alarm gedrukt?”
Omdat de hoogbejaarde, gehandicapte mevrouw, geheel afhankelijk was, had ze een klein alarmkastje op haar borst hangen. In die tijd iets nieuws. Ze had het onlangs gekregen.
Ik begreep onmiddellijk wat er gebeurd was. Als je op die rode knop drukte ging ergens bij de wijkverzorging het alarm over. Ze had bij het kruisteken per ongeluk op de knop gedrukt.
Ik legde aan de stem aan de andere kant van de lijn uit dat mijn gastvrouw per ongeluk op de knop had gedrukt toen we gingen bidden. Geen reden tot ongerustheid.
We vervolgden ons gebed. Bij het afscheid merkte ik dat ik spontaan een extra kneepje in haar hand gaf.
Even later reed ik naar huis. Mijn gedachten nog bij de ontmoeting. Mijmerend over wat kleine aanrakingen al niet tot gevolg kunnen hebben. Hierboven en hierbeneden.
© Martin Los