De hemelsblauwe kroon

De bejaarde vrouw was al jaren ziekelijk. De laatste tijd zelfs bedlegerig. Ze stond op een lijstje van mijn voorganger als iemand die misschien wel bezoek op prijs zou stellen van de nieuwe pastor.
Op een morgen begaf ik mij naar haar huis. Het was een eenvoudige woning zonder voortuin. De stoeptegels liepen tot aan de muur van het huis. Toen ik aankwam lopen zag ik haar al op bed voor het raam liggen.
Haar man deed open. Hij leidde mij naar binnen en stelde me voor aan zijn vrouw. Zij bood me met een krachteloos gebaar een stoel aan waarop ik wat onwennig ging zitten. Haar man bracht even later een kopje koffie met een koekje. Hij zette het neer op de huiskamertafel want plaats voor een bijzettafeltje was er niet. Aan alles was duidelijk dat het echtpaar het niet breed had.
Hij liep wat gebogen de kamer uit. Was het omdat hij zijn leven lang ware arbeid had verricht? Of omdat het plafond van de nederige woning niet erg hoog was en zijn gestalte als het ware geestelijk neerdrukte? Of kwam het door de jarenlange zorg om zijn vrouw?
Hij was in elk geval een man van weinig woorden want  tot dan toe had hij niet meer gezegd dan nodig was. Maar misschien speelde ook een rol dat hij haar de mogelijkheid wilde geven openhartig te praten met mij. Misschien had ze nog wat op haar hart. Ze had immers niet zo lang meer te leven.

In de vensterbank stonden paar beeldjes van heiligen. Op tafel stond een wat groter beeld. Het was Maria die een rozenkrans om het middel had, en rozen aan het voeten. Voor het beeld brandde een waxinelichtje. Zelf had de vrouw in bed ook een rozenkrans in haar hand, zag ik.
Aan de muur achter haar een scheurkalender van de H. Gerardus Majella met een vrome tekst voor iedere dag. Verder stonden er op een soort nachtkastje een paar kaarten van mensen die haar beterschap wensten.
Ze keek me wat onderzoekend aan. Al gauw bleek waarom. Ze wist dat ik van huis uit niet rooms-katholiek was, en nog niet zo lang geleden was overgekomen. Daarom was ze benieuwd wat ik ervan vond dat zij nog een beetje echt ouderwets katholiek was. De meeste katholieke mensen hadden de bekende beelden van gips uit de kamer verwijderd. Soms eerst naar de slaapkamer en daarna naar de zolder of ineens naar de zolder. En nog maar een enkeling bad dagelijks de rozenkrans.
Ik vertelde haar dat ik het helemaal niet vreemd vond dat ze gehecht was aan haar rozenkrans en de beelden om haar heen. Voor mij was het allemaal nieuw. Ik vond het eigenlijk wel mooi, zei ik, hoewel ik me ook wel kon voorstellen dat anderen die als kind geknield op de kokosmat de rozenkrans hadden moeten bidden er minder prettige herinneringen aan hadden.
Ze genoot zichtbaar van deze onbevangen wijze waarop ik naar haar kleine wereldje keek.
Met een glimlach die haar zieke bleke gelaat een onverwachte glans gaf zei ze: “Zo voel ik onze Lieve Heer altijd dicht om me heen. Ik hou heel veel van Maria. Ik wacht vol verlangen tot Petrus me komt halen”
Vreemd om in die wat armoedige kamer te ervaren dat de hemel niet ver weg was.

Van haar armoede probeerde ze toch iedereen iets mee te geven. Er stond een glazen kom met snoepjes voor als een kleinkind kwam of een van de buurkinderen die af en toe even door het raam naar binnen keken in de hoop dat ze even binnen mochten komen voor iets lekkers.
Er stonden potjes met de namen van in die tijd bekende goede doelen waarvoor ze spaarde, de missie in Afrika en andere fondsen. Het laatste wat ze had, gaf ze nog weg.
Ik moest denken aan die spreuk: “al de dingen die wij bezitten, bezitten op den duur ons”.  Voor deze vrouw was er niets wat haar nog vasthield in deze wereld. Zo maakte ze ondanks haar beperkingen en ongemakken een ontspannen indruk als van een kind.

“Wilt u één van die flesjes daar even voor mij pakken?” zei ze. Het was een vreemd flesje van plastic met een blauwe dop. Van dichtbij bleek het flesje in de tint van matglas een beeldje van Maria te zijn met een hemelsblauwe kroon. Het was gevuld met water.
“Er zijn pas weer een paar bekenden van mij naar Lourdes geweest. Ze brengen altijd wat flesjes met Lourdes water voor me mee.  Ik wil er graag een aan u geven”.
Ik pakte het beeldje dat een flesje was op. Het slanke lijfje van Maria voelde tussen mijn vingers krachtig en breekbaar tegelijk.
Ze vervolgde: “ik gebruik dit water overal voor. Ik drink ervan. Ik doet er wat van door mijn eten. Ik zegen mezelf ermee. Het is heel heilzaam”.

Omdat ik van huis uit niet vertrouwd was met dit gebruik, wist ik niet goed raad met die gewoonte waarvan ze vertelde en die mij min of meer in handen gestopt werd.
Maar ik durfde niet weigeren. Ik wilde haar niet kwetsen. Maar wat moest ik met dit onverwachte geschenk?
Het was de eerste en de laatste keer dat ik haar zag, want een paar weken later is zij in alle rust “door Petrus gehaald”.

Toen ik thuis kwam, heb ik het als Mariabeeldje vermomde flesje Lourdeswater in mijn kamer gezet op een kastje met andere dingen die me dierbaar waren, omdat ze me herinnerden aan mensen en momenten van betekenis voor me.
Na een onderhoudsbeurt van de pastorie en mijn werkkamer kwam het flesje met de blauwe doop in een kast te staan. Het leidde daar een vergeten bestaan.
Ik was intussen steeds meer vertrouwd geraakt met de bijzonder katholieke traditie van het gebruik van wijwater bij allerlei gelegenheden. Frisse, vrolijke volksvroomheid.

Vele jaren later brak er een strenge winter aan. De vorst viel in op Nieuwjaarsdag. Met Kerstmis was de temperatuur nog mild geweest voor de tijd van het jaar. Maar op de eerste dag van het nieuwe jaar had het zo hard gevroren dat de waterleiding bevroren was.
Nergens stromend water te vinden. Mezelf wassen was onmogelijk. Een keertje jezelf niet wassen is op zich overkomelijk. Maar met ongepoetste tanden voorgaan in de liturgie en de gewijde woorden uitspreken en na afloop mensen Zalig Nieuwjaar wensen…daar moest ik toch niet aan denken!
In de koelkast gekeken. Daar zal toch wel een fles mineraal water staan? Nee, hoe is het mogelijk?

En ineens als in een flits zag ik dat flesje voor me, Maria met de hemelsblauwe kroon. Het was jaren uit mijn gezicht en uit mijn gedachten geweest.
Ik zelf lachte en liep naar de kast waar het flesje al jaren stond te wachten.
Ik poetste mijn tanden met het gewijde Lourdeswater voor mijn eerste Heilige Mis in het nieuwe jaar. Op de kalender van de katholieke kerk is 1 januari gewijd aan Maria als de Moeder Gods.
Het was alsof ik weer de glimlach zag op het gezicht van de oude vrouw die het mij gegeven had. Alsof de hemel zelf even glimlachte. Daar stond ik met mijn mond vol tanden.
Wie het laatst lacht, lacht het best.

Vijf jaar later ging ik voor de eerste keer mee als aalmoezenier naar Lourdes. Inmiddels begeleid ik elk jaar als hoofdaalmoezenier een bedevaart. Als ik de pelgrims hun flesjes zie vullen met Lourdeswater denk ik met plezier aan de verhalen die vanuit hier ontspringen.

(c) Martin Los

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.