Homilie 2e zondag van de Veertigdagentijd 15/16 maart 2014

Preek voor de 2e zondag van de Veertigdagentijd 16 maart 2014

voorgeschreven Schriftlezingen volgens het wereldwijde lectionarium van de rooms-katholieke kerk: 1e lezing: Genesis 12:1-4. 2e lezing: 2 Timotheus 1:8b-10 Evangelie: Matteus 17:1-9

Het Evangelieverhaal van deze zondag neemt ons mee de berg op. Daar gebeuren wonderlijke dingen. Begríjpen wat we daar zien?

Een berg is in de bijbel altijd meer dan een berg. Doordat de berg vanuit de vlakte gezien de onbereikbare hemelkoepel lijkt te raken, is de berg beeld van dat iemand zich terug trekt uit de normale wereld in de eenzaamheid en opgaat tot God in gebed. Zo horen we in de oude verhalen van Mozes dat hij op een beslissend moment de berg op ging. En later van de profeet Elia.

Nu zien we Jezus de berg op gaan. Hij neemt drie leerlingen meer. Petrus en Johannes en Jacobus.
Het is niet toevallig dat Jezus juist deze drie leerlingen later óók meeneemt in de hof van Getsemane als Hij daar intens bidt aan de vooravond van zijn lijden.
Dan is er geen stem uit de hemel en geen stralende persoonlijkheid, geen Mozes en Elia. Dan is er alleen donkerheid en droefheid. Geen leerlingen die enthousiast aanbieden een kamp op te slaan. Ze zijn van droefheid in slaap gevallen.

Pas later gaan ze verstaan waarom Jezus hen de berg mee had opgenomen voordat ze naar Jeruzalem gingen. Op de berg hadden ze zijn heerlijkheid gezien. Dat kon niemand hen meer afnemen. Ook niet de dood van Jezus aan het kruis.

Vanaf de vlakte gezien lijkt de berg de hemel te raken. En helemaal wanneer de top omgeven wordt door wolken en onzichtbaar is. Alsof de top in de hemel reikt. Het is de aanblik van een mysterie.
En dat is precies wat de leerlingen meemaken als ze met Jezus alleen zijn en Hij zijn hart opent voor God: een groot mysterie. Hoe moeten ze later uitleggen wat ze hebben meegemaakt en gezien? Het is immers nergens mee te vergelijken.
Daarom deze beelden van een berg, van een wolk, van een donderende stem. Het gaat  om iets dat met geen pen te beschrijven is. Ze staan oog in oog met de heerlijkheid van Jezus. Hij toont zich aan hen zonder enige reserve zoals hij werkelijk is.

Hij toont zich aan hen, niet zomaar even op een onbewaakt ogenblik even tussen de bedrijven door, maar teruggetrokken uit de wereld in de ontmoeting met God. Daaar waar alles vervuld is van diepe stilte en respect voor God.
Aangeraakt door dit diepe respect zijn de leerlingen getuigen van de heerlijkheid van Jezus.

 Dat zegt natuurlijk ook iets over ons. Hoe zouden wij Jezus beter kunnen leren kennen als we niet vervuld zijn van diep respect en liefde voor Hem? En Hij is niet los van God verkrijgbaar. Hoe zouden we Jezus beter kunnen leren kennen als we Hem niet volgen in zijn diep respect voor God als mysterie van liefde achter alles en in alles. Je moet daar zelf ook wat afstand voor nemen van de wereld met zijn hype’s en rages, met zijn heersende opvattingen en wanen. Daar is deze vastentijd dan ook voor bedoeld is.
Maar je krijgt daar heel veel voor terug. Iets dat je nooit meer los laat.

Laten we nog bij één ding stil staan. Daar boven op de berg begint het gelaat van Jezus te stralen en zijn kleed schittert als de zon.
Ook hier gaat het om de ervaring van de leerlingen die met geen pen te beschrijven valt en die nergens mee te vergelijken is.
Toch hebben ze het geprobeerd in beelden uit te drukken. Wat gebeurt hier? Kunnen we ondanks het onbeschrijfelijke ervan toch dichter bij het geheim komen?

Misschien wel. Maar dan moeten we even nadenken over ons lichaam. Door de moderne medische techniek zijn we ons lichaam meer en meer gaan zien als een apparaat van vlees en bloed dat al of niet goed functioneert en waaraan je soms iets kunt repareren.

Maar in de taal van de bijbel is ons lichaam allereerst een soort kleed. Onze verschijningsvorm. Met dat kleed is onze ziel bekleed. Zonder lichaam zou onze ziel onzichtbaar zijn. Ze zou niet in deze zichtbare wereld kunnen verschijnen. Maar doordat we een lichaam hebben, ja, omdat we met een lichaam zijn bekleed, kunnen we hier wonen en werken. Daardoor kunnen we ook elkaar ontmoeten en herkennen.

Uit onze lichaamshouding kun je zien, hoe we in de wereld staan. Vrolijk of juist mismoedig. Vol argwaan of vol vertrouwen. Moeizaam of gemakkelijk. Graaiend of gevend. Het kleed dat ons lichaam is, zegt dus heel veel over onszelf. Vaak nog veel meer dan we zelf bewust zijn.
Ons innerlijk, onze ziel, schijnt dus op een bepaalde manier door ons lichaam naar buiten.

Maar een kleed houdt ook tegen. In een hart is vaak veel meer goedheid en liefde dan je aan de buitenkant kunt zien. Achter een onopvallend uiterlijk gaat soms heel veel innerlijke schoonheid schuil. Terwijl iemand die uiterlijk heel mooi is, soms onaardige lelijk kanten kant hebben. Juist een kleed maakt dat je niet alles ziet. Het kleed van ons lichaam benadrukt dat we sterfelijke mensen zijn. Onze onsterfelijke ziel achter er achter schuil, en wel op zo’n manier dat je die onsterfelijkheid kunt ontkennen.

Bij Jezus zien we dat zijn lichaam plotseling niets meer verhult van wie hij werkelijk is. Zijn innerlijk en zijn verbondenheid met God stralen door alle poriën van zijn lichaam heen. Het is alsof we Hem binnenste buiten zien. Zijn goddelijke ziel verhult zijn sterfelijke lichaam. Het mag delen in zijn heerlijkheid

Zo toont Jezus zich aan zijn leerlingen daar boven op de berg. Niet om met de duimen achter zijn bretels te zeggen: kijk mij eens! Nee, niet om zich boven hen te verheffen, maar om hen dit vooruitzicht mee te geven. Eens zullen ze mogen delen in deze heerlijkheid! Want Hij heeft gezegd: “waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn!”

 Boven op de berg gaf Jezus zijn leerlingen een blik in de toekomst, in zijn en hun toekomst. Om verder te kijken dan we je normaal ziet, moet je ook een berg op.

Na zijn dood zouden de leerlingen gaan begrijpen en ervaren dat Jezus’dood het einde niet was van zijn leven, maar dat zijn dood het einde was van de dood. En dat hij nu voor altijd bij hen zou zijn als de levende Heer.

Nu dalen ze eerst weer af het gewone leven in. Ons leven zoals wij het kennen. Met zijn zorgen en vragen, zijn schaduwzijden, zijn lijden en pijn, alles wat ons zou kunnen doen twijfelen of er wel liefdevolle God is, of er wel leven is na de dood, of er wel hoop is voor degenen die hier aan het kortste eind trekken, of er wel gerechtigheid is voor degenen die hier als verschoppelingen leefden, of er wel beloning is voor hen die niet voor zichzelf leefden.

Boven op de berg krijgen we een uitzicht op die heerlijkheid die niemand meer kan afnemen. Boven op de berg. Noem het de eucharistie die we eerbiedig beleven. Elk ander moment van aandachtig samen bidden en naar elkaar luisteren. Een lijdende mens in de ogen zien en omarmen. Telkens als we dat doen staan we op een hoge uitkijkpost en zien we het land al gloren waarheen we op weg zijn.

Moge Jezus ons allen daarheen geleiden als de levende Heer en mogen we elkaar daarin ook voorgaan als getuigen van zijn liefde. Amen

(c) Martin Los
Deze homilie ook verschenen in Werkboek Zondagliturgie 16 februari t/m 6 april uitgeverij Gooi&Sticht

Eén gedachte over “Homilie 2e zondag van de Veertigdagentijd 15/16 maart 2014

  1. Goedenavond Martin,
    Dank voor de wijze waarop je dit mysterie uitlegt, waardoor de beleving ervan voelbaar kan worden.
    Groet Connie

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.