Preek op de 19e zondag door het jaar (A)
op zondag 10 augustus 2014 Willibrordkerk en Mariakerk, parochie Licht van Christus
Voorgeschreven lezingen voor deze zondag volgens het wereldwijde lectionarium van de r.k. kerk 1e lezing I Koningen 19:9a,11-13a 2e lezing Romeinen 9:1-5 Evangelie: Matteus 14:22-33
Lieve zusters en broeders, deze vakantietijd wordt meestal wat meewarig komkommertijd genoemd. Komkommers en de verwante meloenen zijn in deze dagen overal in overvloed te koop. In de regel is er in dezelfde tijd weinig nieuws. Kranten vullen hun pagina’s met bijzaken. Velen zijn met vakantie. Ook de politici.
Maar deze zomer worden we ondanks de vakantietijd overspoeld met nieuws. En wat voor nieuws! We zijn verslagen door het neerhalen van het vliegtuig boven Oekraïne met zoveel landgenoten aan boord. We voelen de spanning van het conflict met Rusland over datzelfde land. We worden geconfronteerd met de gruwelijke, om niet te zeggen satanische beelden van volkerenmoord op christenen en andersdenkenden in Irak. We zien de puinhopen in Gaza. En de berichten over de Ebolaziekte worden steeds onheilspellender. Daarom verzuchten we nu soms: “Was het maar weer gewoon komkommertijd!”
Maar daar ziet het ook de komende tijd niet naar uit. Integendeel, steeds meer mensen maken zich zorgen over de toekomst, over de wereld. Zorg kan gemakkelijk overgaan in angst, of gevoelens van paniek.
We realiseren ons dat we niet alleen te maken hebben met het slechte nieuws, de hartverscheurende beelden en met de dreigende gevaren. We hebben ook te maken met de wijze waarop wijzelf met dit nieuws omgaan.
Protestdemonstraties dreigen soms de conflicten van elders te verplaatsen naar hier door haatzaaien tegen bevolkingsgroepen. In het conflict van het Westen met Rusland en de economische sancties die voelbaar zullen gaan worden, kan gemakkelijk een vijandsbeeld ontstaan dat de spanning alleen maar vergroot en ook ons hier beïnvloedt en angst of boosheid voedt.
We moeten er toch niet aan denken dat ook bij ons bevolkingsgroepen tegenover elkaar komen te staan als gevolg van onbegrip, ongeduld en haat.
Daarom is het heel belangrijk hoe we met het nieuws omgaan, en met de gevoelens van boosheid, haat en angst. Het is de verantwoordelijkheid van iedereen, van de politieke en maatschappelijke leiders om deze onlustgevoelens niet te stimuleren, maar de beteugelen en als het kan te doen afnemen. Maar dat is ook de taak van elke volwassene in zijn eigen omgeving.
De kerk en wij, als christenen, kunnen door ons geloof en ons gebed daarin een belangrijke rol spelen. Wij verschillen niet van de anderen mensen op het punt van gevoelens als boosheid, machteloosheid, angst en onzekerheid. Dat we die gevoelens hebben is niet verkeerd. Dat is alleen maar menselijk. Maar hoe gaan we ermee om?
Laten we ons erdoor beheersen, of gaan we ermee naar God. Stellen we ons voor Hem open met onze zorgen, gevoelens van paniek of boosheid. Realiseren we ons dit juist deze tijd van gevaar een tijd van intens gebed is? Een tijd voor de ontmoeting met God.
We hoorden zo-even van de ontmoeting van Elia met God. “Toen trok de Heer voorbij. Voor Hem uit ging een hevige storm die bergen deed splijten”. Ook wij kennen die stormen die niets over eind lijken te laten. Ze woeden ook in onszelf van boosheid en angst.
“Maar de Heer was niet in de storm. Op de storm volgde een aardbeving”. Ook wij hebben momenten dat de grond onder ons voeten lijkt te bezwijken van onzekerheid en verlies van vertrouwen.
“Ook in de storm was de Heer niet. Op de aardbeving volgde een vuur”. Ook wij kennen dat vuur van de haat dat alles vernietigt, de verleiding van geweld uit hartstocht voor een bepaalde overtuiging. Fanatisme. Maar“Ook in het vuur was de Heer niet”.
Wat is er dan nog over. Niets. Alleen maar stilte. De stilte als het suizen van een zachte brief.
Dan begrijpt Elia dat hij op dat moment God ontmoet: “hij bedekte zijn gezicht met zijn mantel en ging in de opening van de grot staan”.
Zo moeten ook wij doen. Niet voorbarig ons door onze gevoelens – hoe begrijpelijk en terecht soms ook – laten meeslepen. We moeten eerst en altijd stil worden voor God. Luisteren naar Hem die in de stilte van ons hart tot ons spreekt. Niet in de woede, niet in de machteloosheid en onzekerheid, niet in de haat. We mogen schuilen bij God in de kalmte die over ons komt als we weten dat we er niet alleen voor staan.
Jezus zocht telkens die stilte op. We hoorden erover in de Evangelielezing. De leerlingen zijn druk bezig met het meer oversteken. Ze worden bang als een zware tegenwind op steekt.
Dan verschijnt de Heer aan hen. Hij verschijnt aan hen, zo lijkt het, rechtstreeks vanuit zijn gebed tot zijn hemelse Vader. Het is geen spook. Hij is het zelf. Hij wandelt over het water.
De machten die voor de leerlingen te groot zijn, van golven en wind, zijn aan Hem onderworpen. Dat is geen willekeurig machtsvertoon. Het is teken dat niets op aarde kan verhinderen dat het plan van God met onze wereld schipbreuk leidt.
Zijn plan is dat mensen in de liefde en het kruis van Jezus Christus Gods kracht ontdekken. De liefde van God die de mensen niet in de steek laat, maar ze tot zijn eigen kinderen maakt. De hand van God die ons bewaart ook als de Satan als vijand van God gruwelijk om zich zwaait. Zoals nu in sommige gebieden als Noord-Irak waar het lijkt alsof er geen God en geen genade is.
Petrus wil geloven in deze macht van Jezus. Hij wil bij de Heer zijn. Maar zijn twijfel en onzekerheid blijken te groot. Zo vergaat het ook ons. Twijfel en onzekerheid blijven deel van ons leven. Ook van ons als gelovige mensen. Mensen die helemaal geen twijfel kennen overschreeuwen vaak zichzelf. Maar
Heel anders Petrus. Hij voelt de menselijke twijfel aan den lijve.
Maar zijn vertrouwen gaat dieper dan zijn eigen geloof: “Heer, redt mij” roept hij uit.
Laten we niet schrikken van onze onzekerheid en twijfel, of die overschreeuwen en fanatiek worden. Laten we erkennen dat niet ons eigen geloof ons redden kan. Geloof in eigen geloof, is eigenlijk een geloof zonder God. Alleen een diep ongeschokt vertrouwen in de Heer. Een vertrouwen dat ons op het beslissende moment doet uitroepen: “Heer, redt mij. Heer, komt mij te hulp. Heer houdt mij vast! Heer ontferm u”.
Laten we zo ook in de situatie in de wereld van dit moment niet mee doen aan het opzwepen van gevoelens en onrust alsof die ons verder zouden kunnen brengen. Laten we de stilte zoeken en naar God luisteren in de stilte van ons hart en in de stilte van ons gezamenlijk gebed in de liturgie van de kerk die we juist nu zo hart nodig hebben.
En laten we ons met al onze twijfel en onzekerheid toevertrouwen aan God en Jezus Christus. Dan zullen we niet alleen zelf niet meegesleept worden door de waan van de dag. Dan zullen we het hoofd boven water houden.
Op deze wijze zullen we hopelijk ook een wezenlijke bijdragen kunnen leveren aan de vrede in de wereld. En zo zullen we als kerk en geloofsgemeenschap zelf een huis zijn om te schuilen bij God waar kalmte en innerlijke rust heerst ondanks alles. Een plek waar mensen opnieuw uitzicht krijgen
en moed en hoop op een betere wereld. De wereld die echte mensen verdienen. De wereld van God Amen
(c) Martin Los, pr.