Preek op de 2e zondag van de Advent 6 en 7 december 2014 in de Willibrordkerk en Mariakerk
Voorgeschreven Schriftlezingen voor deze zondag in het weredlwijde r.k lectionarium voor deze zondag: 1e lezing Jesaja 40:1-5,9-11 2e lezing: 2 Petrus 3:8-14 Evangelie”: Marcus 1:1-8
Lieve zusters en broeders, in deze Adventstijd gaan we als het ware even in de schoenen staan van het volk van God dat lang geleden eeuwen lang uitzag naar de komst van de Christus op aarde.
Het is onvoorstelbaar dat van Abraham af generatie op generatie duizenden jaren de belofte doorgaf dat eens een heel bijzonder mensenkind geboren zou worden. Een mens die van betekenis zou zijn voor het volk van God zelf en voor de hele wereld.
Denk je eens in. Duizenden jaren leven met niet meer dan een belofte van iets dat je niet kunt zien, van Iemand die je niet kunt zien, God. Dat het geloof in die belofte je hele wijze van leven bepaalt. Dat je daarin verschilt van alle anderen volkeren die veel groter zijn. Dat je daarvoor heel veel over hebt. Dat je je daarbij gelukkig voelt.
Toch is dat precies wat het volk van God typeerde van Abraham tot Johannes de Doper. Van Sara tot Maria. Wat een lange adem! We kunnen er alleen maar grote bewondering voor hebben.
Wij, christenen, zien niet meer uit naar de geboorte van Christus. Wij zien uit naar zijn komst in heerlijkheid. Ook dat is een belofte van iets dat we niet zien en kennen. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
“De hemelen zullen dreunend vergaan en de elementen zullen door vuur worden verteerd” zegt de apostel Petrus. Dat lijkt ons nou niet iets om naar uit te zien. Het lijkt erop dat alles vergaat. Maar de apostel bedoelt juist dat er iets onvoorstelbaar mooisstaat te gebeuren bij de komst van Christus in heerlijkheid. In één ogenblik zal heel de aarde als nieuw tevoorschijn komen.
Hoe moet je uitzien naar wat onvoorstelbaar is? Hoe hou je dat vol?
Toch doen we dat. Al twee duizend jaar lang. We laten ons leven als christenen bepalen door wat we niet kunnen zien. We offeren in bepaalde zin ons leven ervoor op. We bloeien op door de hoop die in ons is.
De Romeinen noemden lang geleden onze voorouders in het geloof “atheoi” godloze mensen. Wij zouden zeggen: atheisten. In de ogen van de mensen van hun tijd waren christenen atheisten omdat ze niet een zichtbare god vereerden van steen en goud, maar een onzichtbare God en een man die een schandalige dood aan het kruis gestorven was. De Romeinen schudden hun hoofd of ergerden zich aan de christenen omdat ze zelfs hun leven over hadden voor het geloof in Iemand die je niet kon zien en voorstellen.
Zo zien ook wij uit naar de komst van onze Heer. Niet wetend hoe en wanneer. En toch is dat geloof sterker dan alles.
Soms verslapte dat geloof in de tijd voor de geboorte van Christus. Het Oude Testament staat er vol van. Maar steeds stonden er mannen en vrouwen op die weer op de uitkijk gingen staan. We noemen ze profeten. Zij wekten het volk weer op om op te staan uit de slaap en met nieuwe elan de komst van Christus te verwachten. De laatste van hen is Johannes de Doper. De laatste die op de uitkijk stond en verkondigde: “Na mij komt Hij die sterker is dan ik. Ik doop met water. Hij zal u dopen met de heilige Geest”.
Ook wij die de komst van de Heer verwachten, verslappen soms. Het lijkt dan alsof de kerk in slaap is gevallen. Of de fut eruit is. Door vermoeidheid, onverschilligheid, gebrek aan passie.
Gelukkig staan er door de tijden heen steeds weer mannen en vrouwen op om ons wakker te schudden. We noemen ze heiligen. Omdat ze op beslissende momenten als uit het niets opstonden en de mensen opriepen tot nieuw leven, tot leven aan de hand van Gods belofte. Denk aan Sint Franciscus van Assisi en al die anderen voor en na hem. Door hen gingen de mensen alles met nieuwe ogen zien. Alsof de nacht voorbij was en een nieuwe morgen aangebroken.
Zo schenkt God ons zijn belofte, maar Hij komt ons ook te hulp om vol te houden. Hij maakt ons steeds weer wakker door mensen die ons hart weer sneller doen kloppen en die het verlangen naar Gods rijk weer aanwakkeren.
Zo komt Jezus Christus niet alleen op ons toe aan het eind der tijden, als hemel en aarde vergaan om plaats te maken van het rijk van God. Hij komt ook nu al op ons toe. Door de bijzondere mannen en vrouwen die zich niet neerleggen bij het verslappen en verdwijnen van het geloof in Gods belofte. Door mannen en vrouwen die frank en vrij de liefde van God verkondigen.
Statistieken van het teruglopend kerkbezoek hebben voor hen niet het laatste woord. Kerksluitingen betekenen voor hen niet einde verhaal van het geloof. Zij zien in een tijd van nood geen problemen voor het geloof, maar juist unieke kansen. Soms zijn het enkelingen die eerst voor gek worden versleten.
Laten we ons door hen laten inspireren zoals de mensen die op weg gingen omdat ze begrepen dat Johannes de Doper een nieuwe geluid verkondigde. Hij gaf de mensen weer hoop.
De Heer komt ook op ons toe tijdens ons leven hier en nu in de kerk zelf, in de sacramenten, in de eucharistie als de levende Heer, door de vergeving die Hij schenkt in de biecht, door de troost in de ziekenzalving.
Hij komt ook op ons toe in de gemeenschappen van mensen die in Hem geloven: “Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik zelf in hun midden” zegt Hij.
En tenslotte komt de Heer ook op ons toe in de armen en de mensen in nood: “wat je aande minste van mijn broeders hier gedaan hebt, heb je aan mij gedaan” zegt Christus.
Wanneer wij soms denken: “zal Christus ooit weer komen. Zal ooit het rijk van God komen. Waar blijft God nou?” laten we dan niet passief achter overleunen of de moed opgeven.
Weg met alle somberheid en cynisme in de kerk. Ze zijn een vorm van ongeloof. Het zijn stofnesten. Rijp voor de schoonmaak
Juist wanneer we samen als geloofsgemeenschap de handen uit de mouwen steken en opkomen voor de zwaksten in ons midden en in de samenleving zullen we de liefde van God en de kracht van God ervaren. Onmiddellijk en concreet.
Daar waar christenen echt opkomen voor de mensen in nood zie je het geloof opleven en groeien en bloeien.
Daar zie je ook jonge mensen weer de zin van het geloof en de kerk beleven want zij willen graag iets concreets met hun geloof doen.
Daar waar de naaste in nood centraal komt te staan, voelen mensen dat het rijk van God veel dichter bij is dan je denkt. Daar worden mensen weer blij. Daar beleef je weer de vreugde. Daar worden mensen weer tot boden van vreugde.
Wij denken misschien: “mooie gedachte. Misschien iets voor morgen”.
Maar wat onze Heer betreft is het de hoogste tijd. Tijd voor de boodschap van vreugde
Amen.
(c) Pastoor Martin Los