Preek op het feest van de Opdracht van de Heer in de tempel op 2 (1) februari 2014 in de H. Willibrordkerk in Vleuten
Voorgeschreven schriftlezingen uit het wereldwijde lectionarium van de r.k. kerk: 1e lezing Maleachi 3:1-4; tweede lezing: Hebreenbrief 2:14-18; Evangelie: Lukas 22-40
Lieve zusters en broeders, het is een vertederend gezicht. Een oude man neemt het veertig dagen oude kindje Jezus in zijn armen. We zien het voor ons.
Even later komt een oude vrouw op Jozef en Maria en hun kind toe. Ze deelt in de vreugde van Jozef en Maria om de geboorte van hun kind en dankt God voor dit wonder.
Wat mooi als je zelf een heel leven achter de rug hebt, en je ziet dan zo’n pasgeboren kindje op de arm van jonge ouders. Daar begint het leven opnieuw. Het leven gaat door ook als jij straks de laatste adem uitblaast!
Je hebt zelf het unieke avontuur van het leven mee mogen maken. En gelukkig is het met jou niet afgelopen. Kijk maar naar dat kindje dat zich nog van niets bewust is.
Met elke geboorte begint het avontuur van het leven opnieuw. En van de mensheid. Alle reden om blij te zijn bij de geboorte van ieder kind.
Maar elk kind is ook een belofte. Wat zou er uit dit kind groeien? Waar zal het blij mee zijn? Waar zal het goed in zijn? Welke bijdragen zal het leveren aan de maatschappij? Niet ieder mensenkind dat geboren wordt, hoeft een Nelson Mandela of een paus Franciscus te zijn. Maar elk mensenkind kan later het verschil maken in haar of zijn omgeving.
Voor het volk van God kwam daar nog een vreugdevolle betekenis bij. Elk jongetje dat geboren werd, kon de lang verwachte Messias zijn. Daarom keken de mensen op het tempelplein vol verwachting uit naar elk pasgeboren jongetje dat door zijn ouders het plein op werd gedragen.
De oude Simeon neemt Jezus in zijn armen en roept uit: “Nu laat Gij, Heer, uw dienaar gaan in vrede naar uw woord, want mijn ogen hebben thans uw heil gezien, een licht dat voor de volkeren straalt” .
Elk kind zou de beloofde Verlosser kunnen zijn. Voor Simeon staat vast door zijn geloof dat met dit kind de langverwachte Redder is gekomen. En ook voor die hoogbejaarde Anna.
Vele generaties voor hen hebben vastgehouden aan de belofte van God dat eens de Verlosser van Gods volk geboren zou worden. Ieder kind hebben ze verwachtingsvol in de armen genomen. Tallozen zijn gestorven vol vertrouwen dat God woord zou houden. Ze hebben het geloof doorgegeven aan hun kinderen. Ze hebben het voorgeleefd zonder de vervulling te zien. Toch hielden ze vol. En nu mag het volk van God bij monde van Simeon en Hanna de beloofde Verlosser verwelkomen. Ze zingen het uit van blijdschap.
Wat is dat toch dat gelovige mensen altijd uitzien naar iets wat je niet kunt zien? Hoe komt het dat ze altijd vol hoop zijn? Hoe komt het dat ze een leven proberen te leiden dat gebaseerd is op liefde en waarheid? Hoe verlangen ze in ieder mensenkind een kind van God te zien? Waar halen ze de kracht vandaan?
Dat was niet alleen zo in de tijd voor de geboorte van Christus, dat is ook nu zo. We hebben als gelovigen eigenlijk niets in handen. We hebben alleen geloof in het evangelie van Gods liefde. En door dat geloof staan we als het ware steeds op de uitkijk naar het rijk van God dat ons beloofd is.
Daardoor stralen we iets heel bijzonders uit. Daardoor ligt er een glans van blijdschap op ons gezicht. Daardoor mogen we een baken van hoop voor onze omgeving zijn. Zo mogen we verwijzen naar het licht dat komt, het Licht dat Christus zelf is.
We zijn door het geloof niet het licht zelf, maar we mogen wel op de een of andere manier dat licht weerspiegelen door onze levenshouding en onze vreugde.
Daarom viert de kerk op deze twee februari sinds mensenheugenis het feest van de opdracht van de Heer in de tempel.
En we gaan in de lichtprocessie met brandende kaarsen Christus tegemoet. Hij heeft zelf dat licht in ons aangestoken.
Waarmee is dat te vergelijken? Met de dageraad. Voor de zon opgaat zien we de roze gloed tegen de lucht. Even later komt de zon daaruit te voorschijn. Het lijkt alsof de dageraad de zon voorbrengt. Maar het is omgekeerd. De zon brengt de dageraad voort.
Dat is ook het beeld van het volk van God. Het verwacht Christus. Hij komt uit haar voort. Maar in werkelijkheid heeft Christus zijn volk door het geloof voorbereid om hem te ontvangen.
Zo gaan wij de Heer tegemoet met onze brandende kaarsen om hem te verwelkomen, maar Hij zelf is het die onze verwachting heeft gewekt en onze hoop gevoed.
We ontsteken op allerlei momenten kaarsen. Niet alleen in de kerk, niet alleen op zondag. We doen het vele malen.
Bijvoorbeeld om een gestorvene te gedenken. Of om te bidden voor iemand die het moeilijk heeft. Of omdat we voor een moeilijke beslissing staan en niet weten of we rechts of links om moeten gaan. In alle gevallen ontsteken we een licht als teken dat we uit het geloof willen leven.
We zeggen door dat kaarsje: “Heer, we vertrouwen op U”. Daardoor kijken we uit naar Christus die het licht in de duisternis is. En we worden daardoor ook zelf lichtpunten die naar Hem verwijzen, lichtpuntjes in de wereld waarin we leven en werken.
En weet u wie voor mij heel bijzonder zulke lichtpunten zijn? Dat zijn de ouderen in ons midden.
Het is gewoon geworden om het hoofd te schudden over de kerk omdat je daar voornamelijk grijze hoofden zou zien. Gelukkig zijn in onze parochie heel wat kinderen en jongeren zichtbaar en actief. Vandaag stellen weer een dertigtal kinderen zich voor die hun Eerste communie gaan doen hier in deze kerk. En er zijn het afgelopen jaar veel kinderen gedoopt. Om maar iets te noemen. We verheugen ons op kinderen en jongeren in de kerk. Maar evenzeer op de ouderen.
Laten we niet het hoofd schudden als er in de kerk regelmatig voornamelijk ouderen zijn. Zoals Anna en Simeon.
Want dat jonge mensen die midden in het leven staan en druk met allerlei dingen bezig zijn, soms even de weg naar de kerk niet kunnen vinden, dat kunnen we ons voorstellen, hoe jammer het ook is.
Maar als ouderen die een heel leven achter de rug hebben, en die van alles hebben meegemaakt, uiteindelijke zouden zeggen: “ik geef het op in God te geloven” dan zou dat pas echt reden tot zorg zijn.
Dat u, als ouderen op leeftijd, met uw grijze haren, door uw geloof zegt: “mijn houvast is God. En het Evangelie. Mijn heil is Christus en de hoop op het eeuwige leven” dat is pas echt bemoedigend voor ons allen. Ook voor de kinderen en jongeren. Laten we daarom niet ons hoofd schudden om de grijze hoofden in de kerk, maar laten we ons aan hen optrekken.
En telkens als u, oudere, met uw verweerde handen en ouderdomsvlekken en allerlei ongemakken uw handen uitstrekt om de communie te ontvangen, ontvangt u Christus.
Dan bent u als Simon die het kind in zijn armen nam en vol blijdschap riep: “Mijn ogen hebben uw heil gezien, een licht dat straalt voor heel de wereld”
Wees ervan overtuigd dat u voor de jongere generaties een aansporing bent om het geloof te bewaren. Ook al reageren de jongeren niet direct. Straks zijn zij op hun beurt hopelijk die grijze hoofden die belijden: “Jezus, u bent het licht in ons leven, u bent voor ons het eeuwige leven”.. Amen
(c) Pastoor Martin Los