Preek op de 22e zondag door het jaar
tijdens de H. Mis op zondag 1 september en vooravond 31 augustus 2013 in de H. Willibrordkerk te Vleuten
Lezingen uit het voorgeschreven R.K. leesrooster voor de zondagen 1e lezing Jezus Sirach 3:17-18.20.28-29 2e lezing Brief aan de Hebreeën 12:18-19.22-24 Evangelie Lucas 14:1.7-14
Lieve zusters en broeders, in het Evangelie van deze zondag houdt Jezus een pleidooi voor bescheidenheid: “wanneer u door iemand op de bruiloft wordt genodigd, ga dan niet op de voornaamste plaats zitten”.
Hij ziet de Farizeeën en andere voorname mensen elkaar voortdurend in het oog ziet houden. Deze, wij zouden zeggen, “Bekende Jeruzalemmers”, zijn maar om één ding bezorgd of de schijnwerper voldoende op hen gericht is.
Het is vandaag niet anders met de BN-ers die nauwlettend volgen of ze voldoende in beeld zijn. Maar niet alleen in hogere kringen gaat dit zo. Al in het gezin zijn kinderen er al heel gevoelig voor als het ene kind meer aandacht krijgt dan het andere. Op school gaat het net zo. Eigenlijk overal.
Zo heeft ieder mens een natuurlijk besef van eigenwaarde. We waken daar zelf ook enigszins over. Met gezond zelfbewustzijn is niets mis.
Uit een enquête van ouders met schoolgaande kinderen bleek dat ouders zelfvertrouwen voor hun kind het meest belangrijk vonden, belangrijker dan cijfers of prestaties.
Het is goed dat een beetje stevig fundament onder onze voeten voelen. We ontdekken wie we zelf zijn, waar we goed in zijn en wat voor bijdrage we mogen leveren aan de gemeenschap.
Zelfvertrouwen is goed. Maar we kunnen nooit helemaal zonder erkenning van wat we doen, door anderen. Bijvoorbeeld in de vorm van je diploma of loon dat je ontvangt. En iedereen heeft af en toe waardering nodig in de vorm van een schouderklopje.
Zo zijn er vele vormen van erkenning, waardering en eer. Maar we weten ook allemaal dat een samenleving waarin ieder mens precies de eer en de waardering en de beloning krijgt, die haar of hem toekomt, hier op aarde een illusie is.
Dat komt door onze menselijke beperkingen. Met alle goede wil zien we, niet altijd hoe waardevol het is wat een ander doet. Of uit angst zelf te kort te komen. Of door schuld omdat we elkaar soms niet de eer niet gunnen, die te ander toekomt. Dat heet jaloezie.
En de ene mens heeft bij zijn geboorte al een grote voorsprong op de ander.
Het is goed om ons daarvan bewust te zijn. Laten we elkaar en anderen waar we kunnen persoonlijk in elk geval de waardering en erkenning en beloning en eer geven die de ander toekomt.
En wie onder ons de meeste aanzien geniet of waardering ontvangt, laat die zich daarvan het meest bewust zijn dat elk mens eer of aanzien toekomt als schepsel van God. Want niemand heeft zichzelf gemaakt.
Ja, hoe meer aanzien je geniet, hoe meer je die kunt gebruiken om anderen die geen aanzien genieten, zelf te eren.
“Hoe meer aanzien ge hebt, des te meer moet ge uzelf vernederen, dan zult ge genade vinden bij God” hoorden we in het boek van de Wijsheid (1e lezing).
Wat moeten dat “jezelf vernederen”natuurlijk wel goed verstaan. Dat is niet “jezelf de grond in boren”. Het betekent: jezelf niet op de eerste plaats stellen en anderen voor laten gaan.
“dan zult ge genade vinden bij God”
“Genade vinden bij God!” Daarmee zijn we bij de eigenlijke bedoeling van Jezus.
Hij gaat veel verder dan een al te menselijke trek en gebrek aan de kaak stellen, namelijk dat mensen elkaar vaak tekort doen.
Daarmee zouden we Jezus te kort doen. Dan maken we van hem een moralist. Daar zijn er in alle tijden genoeg van.
Een moralist is iemand de zelf aan de kant staat en anderen voorhoudt hoe ze moeten leven. En niet zelden blijkt er in groot verschil te bestaan tussen wat de moralist anderen voorhoudt, en wat hij in eigen leven doet. Soms een onthutsend verschil.
Jezus is nooit een zedenprediker die als beste stuurman aan de wal staat.
Waar het hem omgaat? Hij gunt het iedereen God te kennen en te ervaren hoe groot de genade van God is. En hijzelf is degene in wie we de genade van God mogen herkennen. Dat is de pointe van de gelijkenissen over de gasten die de voornaamste plaatsen op het feest bezetten.
Wij mensen organiseren feesten en elkaar eren als gasten. Maar daar vallen altijd mensen buiten. En zelfs op de feesten is er onderscheid.
Maar God richt het ultieme feest aan. En dat is dat we allemaal mogen delen in de genade van God én de vreugde van God zelf. Maar dat is hetzelfde.
Wie komt alle lof en eer toe? Alle lof en eer in heel de wereld en in heel de geschiedenis en in alle eeuwigheid?
Aan God die alles gemaakt heeft. Aan God die ondanks alle het kwade de wereld in stand houdt. Aan God die de mensen de verlossing schenkt door zijn Zoon.
Maar dringt die God zich aan ons op? Is hij steeds bezig applaus te ontvangen. Is hij bezig met eigen eer? Rijst hij elke seconde voor de ogen van de hele wereld op en slaat Hij zichzelf op de borst om te zeggen “kijk mij eens!” En haalt hij ogenblikkelijk uit naar ieder dat niet de gepaste aandacht geeft? Nee, hij gaat als het ware schuil achter zijn schepping en achter de geschiedenis. We kunnen hem zelfs ontkennen of volstrekt negeren.
En dat terwijl een oneindig koor van engelen hem toezingt in de hemel.
De hoogste eer komt toe aan God. Toch is hij geen moment in de weer met eigen eer. Hij is bezig met ons, mensen. “Hij laat zijn zon schijnen over goeden en slechten” zoals Jezus ergens zegt. En om met een woorden uit de psalmen en de lofzang van Maria te spreken: “Machtigen haalt hij omlaag van hun troon, eenvoudigen brengt hij tot aanzien”.
Zouden wij met de ogen van God kunnen kijken dan zouden we zien dat hij in zijn liefde en barmhartigheid steeds de zwakkeren bescherming biedt.
En de hoogste vreugde van God is dat wij door het geloof in het kruis en de verrijzenis van zijn Zoon door Hem worden aangenomen als zijn kinderen. In Jezus Christus vernederde God zichzelf om de armzalige mensen die we zijn het aanzien te geven van zijn kinderen.
Jezus nodigt ons uit om de vreugde zelf te proeven. Want als God, de Vader, ons zo eert als zijn kinderen, dan hoeven we geen moment meer bezorgd te zijn om eigen eer en aanzien.
God ziet in het verborgene. Hij ziet wat wij doen uit liefde voor Hem en voor de mensen.
Ook al ontgaat het iedereen, hem niet!
Dat moet ons een enorm ontspannen gevoel geven.
Wat een vreugde dat onze waarde als mens bij God veilig is. Dan is zelf gebrek aan zelfvertrouwen niet meer doorslaggevend. Want God zelf is de grond van ons vertrouwen.
Dan kunnen we al onze inzet en vindingrijkheid gebruiken om “de armen, gebrekkigen, kreupelen, blinden, in welke vorm van ook” te eren.
Dan ervaren we hier en nu al de vreugde van God zelf zoals Christus zelf die de melaatse aanraakte. Zoals Franciscus van Assisi die de mismaakte omarmde. Toen vond hij het grootste geluk van zijn leven. Zoals talloze andere heiligen die gelukkig waren in de zorg voor zieken en misdeelden.
Onze huidige paus Franciscus legt hier ook alle nadruk op en praktiseert het ook zelf. Binnen de beperkingen van zijn hoge en unieke ambt.
De ware vreugde die God ons wil schenken door het geloof in Christus is dat we zelf niet langer bezorgd zijn om eigen eer, maar tijd en liefde schenken aan hen die tekort komen op welke manier dan ook.
Als we dat doen en erop uit gaan als christenen, dan zullen we ook weer met veelmeer vreugde en bezieling ons geloof beleven. Dan zullen we ook altijd met vreugde samen komen in de liturgie. Om te bidden. En om God de eer te brengen die Hem toekomt. Want hier zingen we met alle engelen, machten en krachten: Heilig, heilig, heilig is de Heer der hemelse machten. Hosanna in den Hoge”. Amen. God heeft die eer niet nodig. Maar Hij gunt ons die vreugde. Hij gunt het ons dat we allen uitgenodigd zijn op zijn feest. Een feest waarvan we hier in dit leven al de smaak van te pakken mogen krijgen, en dat duurt in eeuwigheid. Amen
© Martin Los, pr