Homilie op de 23e zondag door het jaar 5/6 september 2015 Willibrordkerk en Mariakerk

voorgeschreven schriftlezingen voor deze zondag uit het universele lectionarium van de r.k. kerk voor zon- en feestdagen
1e lezing: Jesaja 35:4-7a; 2e lezing: Jakobus 2:1-5; Evangelie: Marcus 7:31-37

Lieve zusters en broeders, iemand die doof is en ook niet kan spreken, voelt zich buitengesloten. Met gebaren kan hij wat duidelijk maken aan anderen. En de anderen aan hem. Maar hij is verstoken van gewone communicatie. En van  communicatie leven wij, mensen, van taal, woorden, zinnen, verhalen.
Wat fijn dat de doofstomme uit het Evangelie verhaal toch mocht rekenen op mensen in zijn omgeving. Mensen met een gebrek hebben recht op zorg en begrip. Zonder aandacht voor mensen die door een gebrek niet helemaal mee kunnen komen, wordt een samenleving onmenselijk. We doen dan niet alleen de ander te kort, maar ook onszelf. Want ieder mens doet ertoe. Ook wie een gebrek heeft. Juist wie een gebrek heeft, verrijkt op zijn of haar manier de gemeenschap. Ieder mens is een boodschap van God aan ons.
En vergeten we niet wat de apostel Jacobus ons voorhoudt: “God heeft de armen naar de wereldse maatstaven uitverkoren om rijk te zijn in het geloof”.
De doofstomme telde gelukkig mee voor zijn omgeving. Uit zichzelf zou hij nooit van Jezus gehoord hebben. Daar waren mensen voor nodig die om hem gaven: “Men bracht een doofstomme bij Jezus en smeekte Hem dat hij deze de hand zou opleggen”.

effatha2Opvallend is dat Jezus de doofstomme terzijde neemt. Alsof hij de eerste en enige mens voor hem is. De man weet nog helemaal niet wie Jezus is. Hij kent niet eens zijn naam. Maar hij laat zich leiden omdat hij voelt dat deze vreemde meester zijn vertrouwen waard is. Het is een ontmoeting onder vier ogen. Jezus daalt als het ware af in het isolement van de doofstomme. Hij verenigt zich met hem door zijn vingers in zijn oren te steken en door met speeksel uit zijn mond de tong van de man aan te raken. Alsof hij hem kust. Een ongelofelijk intiem gebaar. Dan slaat hij zijn ogen ten hemel en zucht (of liever blaast) en spreekt: Ga open !

Verstaan we wat we horen? Doet dit niet denken aan het moment, het beslissende moment voor elk mens, het moment waarop God de mens schiep? Een klomp klei. Doof en stom. Toen boetseerde de Heer God de mens uit stof dat Hij van de aarde nam, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen (Gen. 2:7).
Wat daar gebeurt in Dekapolis op dat moment, is het verhaal van de schepping van de mens opnieuw. Jezus doet hier aan een mens wat alleen God kan: een mens als nieuw maken, open maken, zichzelf ervaren als een geschenk van God, een persoon die vervuld is van dankbaarheid, en die het uitschreeuwt van vreugde.

Eeuwen daarvoor verkondigt Jesaja om de mensen moed te geven: “de lamme zal springen als een hert en de tong van de stomme zal worden losgemaakt”. Is dat niet waar we allen naar verlangen? Is dat niet wat we ieder mens gunnen?

Er zijn niet alleen mensen die fysiek doofstom zijn. Hoeveel mensen hebben niet het gevoel dat ze niet uit de verf komen? Meer dan ooit lopen mensen met een gevoel rond dat hun leven zinloos is, dat ze opgesloten zitten in zichzelf.
En wie voelt zich niet machteloos bij het zien op televisie van aan zichzelf overgelaten vluchtelingen. En de hele wereld is sprakeloos bij het beeld van een dode kleuter aangespoeld op het strand, kind van vluchtelingen. Woorden lijken dan nog alleen maar gebrabbel.
In zo’n tijd kunnen we er zo naar verlangen weer als nieuw te zijn, om weer woorden te kunnen spreken die er toe doen, woorden die vrede teweeg brengen, woorden zoals ze bedoeld zijn, woorden die als muziek in de oren klinken.
Daarom is Jezus Christus is in de wereld gekomen om de mensheid die wij zijn, sprakeloos en doof, te verlossen en weer nieuw te maken. De genezing van de doofstomme is een teken voor iedereen.

Als christenen voelen we ons vaak even machteloos en sprakeloos als iedereen wanneer we geconfronteerd worden met onbegrijpelijk leed in de wereld. Maar we weten één ding heel goed: dat we altijd weer moeten beginnen bij God. Met danken en bidden.
Jezus heeft onze tong los gemaakt om te danken als het ons goed gaat, en om te bidden als we nood zijn of niet weten hoe we verder moeten.
Beginnen we steeds weer bij God? Uiten we onze dankbaarheid genoeg? Ligt er een glans over ons omdat we mensen zijn die altijd reden vinden om te danken? Zijn wij als mensen die de naam van Jezus Christus dragen, een voorbeeld van dankbaarheid? Dat is een heel concrete vraag aan ieder van ons.

Ook al kunnen we soms niet veel uitrichten, dankbaar kunnen we altijd zijn. En we hebben alle redenen om dankbaar te zijn. Als was het maar omdat we beseffen hoe goed we het hebben in vergelijking met de mensen die leven in de vluchtelingenkampen en met degenen die zich in bootjes en wagons hun leven wagen op zoek naar een beter lot.
In de eerste plaats mogen we ongelofelijk dankbaar zijn dat we Jezus Christus kennen, omdat ons leven verbonden is met hem.
En zijn we als kerk en christenen ook zoals die vrienden van die doofstomme die omwille van hem op de knieën voor Jezus vielen en smeekten hun doofstomme vriend te helpen?

Is voor de wereld en voor de mensen die Jezus misschien nog niet kennen, duidelijk dat de kerk er voor hen is? Weten de mensen in Vleuten, De Meern en in heel Leidsche Rijn dat de kerk er voor hen is.
Weten zij dat we in de eerste plaats een huis van gebed zijn, waar de nood van de mensen hardop wordt uitgesproken voor God? Vertellen we hen dat?
Als we echt herkenbaar zijn als kerk als vurig biddende gemeenschap zal dat ook tot troost zijn van iedereen, ook van mensen die zelf nog niet geloven. Juist in een tijd van nood, in een tijd waarin de wereld in brand lijkt te staan, ontdekken we als christenen weer wat de taak van de kerk in de wereld is. Als de vrienden van de doofstomme zijn en mensen bij Jezus brengen.

Dan moeten we als christenen doen waar we goed in zijn. Waar zijn we goed in?
In God danken, onophoudelijk en steeds meer. En bidden te midden van de nood in de wereld. Niet alleen in de liturgie in de kerk. Maar ook thuis in eigen leven.
We moeten als christenen doen waar we goed in zijn. In danken en bidden. In bidden en danken. Openlijk dankbaar zijn. Daar gaat het om.
Dat doorbreekt de sprakeloosheid en de machteloosheid en  de zinloosheid rondom ons en in ons. Dat voorkomt dat we zelf terugglijden in een leven waarin we met stomheid geslagen lijken.

Heeft Jezus niet onze tongen losgemaakt? En doet hij dat niet telkens opnieuw als we aan hem denken? Openlijk bidden en de nood van de wereld voor God neerleggen uit de grond van ons hart. Daar voelen mensen troost en bemoediging.
Waar gedankt wordt, steeds opnieuw en waar vurig gebeden wordt, en steeds vuriger naarmate de nood toeneemt, daar zullen we ook kansen zien om anderen te helpen, om leed te verzachten, om lichtpuntjes te zien en om die luchtpuntjes zelf te zijn.
“Heer Jezus, u weet hoe wij vaak met stomheid geslagen zijn, en hoe wij doof zijn voor uw woord, adem ons open door uw geest. Maak ons weer nieuwe mensen die vol hoop zijn voor onszelf en deze wereld, en die in onze woorden en daden uw lof zingen”. Amen

(c) Martin Los pr.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.