Als Alice in Wonderland
In de Da Vinci Code van Dan Brown draait in het eerste deel alles om een geheimschrift. Een bepaalde tekst is voor de lezer onbegrijpelijk. Alleen als je het papier op de juiste afstand voor een holle spiegel houdt, kun je de woorden gemakkelijk lezen.
Inderdaad is voor ons geheimschrift een bestaande tekst die versleuteld is. Alleen zij die de sleutel bezitten om te ontcijferen kunnen de tekst uiteindelijk lezen. Het geheimschrift in spiegelvorm is bijna kinderlijk eenvoudig.
Dat niemand hoofdstukken lang in staat was dat geheimschrift te ontcijferen, is in de thriller van Dan Brown niet het enige volkomen ongeloofwaardige element.
Ik wil de lezer echter terug nemen naar de tijd dat elk schrift geheimschrift was. Lettertekens waren eerst zelf zonder uitzondering geheimschrift. Slechts een kleine schare uitverkorenen kon lezen en schrijven.
Of het nu het spijkerschrift van de Soemeriërs is, of de runen van de Germanen, of het hieroglyfenschrift van de Egyptenaren, of de tekens van de Maya’s, in alle gevallen was het een geheimschrift. Niet omdat wij in de moderne tijd moeite hebben om het schrift van zulke “dode”talen te ontcijferen verstaan, maar omdat de tijdgenoten zelf bewust niet ingewijd werden in de betekenis van de lettertekens.
Daardoor waren de tekens die wij letters noemen, omgeven met een zweem van mysterie en magie. De ingewijden in het schrift, de kleine kring van ambtelijke schrijvers, hadden dezelfde status als priesters, en in veel gevallen waren zij ook zelf priesters.
Zij die de (letter)tekens begrepen zagen daardoor zaken die de gewone mensen niet zagen. Zij waren middelaars tussen de voor iedereen zichtbare wereld en de wereld van de onzichtbare dingen.
Werd in die tijd een jongentje uitverkoren het schrift te leren, dan was dat een inwijding in een mysterie. Zoals bij elke echte inwijding moesten de ingewijden strikte geheimhouding beloven.
In deel I van deze blog waagde ik de stelling dat een klein kind dat een chocoladeletter in zijn schoentje vindt, ingewijd wordt in het geheim van het schrift.
Waar het in het schrift omgaat is namelijk, dat de zichtbare letters staan voor iets dat alleen zichtbaar is voor degene die is ingewijd in het geheim van het schrift. Dat geheim bestaat hieruit dat de letters vensters openen in de geest, in het innerlijk, naar een onzichtbare wereld: het woord, de zin, het verhaal. Daarom moet een kind eerst een letter hebben gegeten. Er moet gaandeweg een innerlijk lichtje opgaan.
In tegenstelling tot de tijd van het oerschrift van bijvoorbeeld de Soemeriërs, waarin elk schrift per definitie geheimschrift was, struikelt iedereen tegenwoordig over de alomtegenwoordige lettertekens. Ook het kind.
Vrijwel alle volwassen beheersen de kunst om die letters te ontcijferen. In die zin is schrift totaal geen geheimschrift meer. Maar een kind moet nog steeds ingewijd worden in het schrift als een venster op een verborgen, onzichtbare wereld.
Aan letters op zich is zelfs voor een kind dat niet lezen kan niets geheimzinnigs meer, behalve dan de geestelijke wereld zelf die in het schrift schuilgaat.
En dat is heel veel. Een eindeloze wereld.
Maar elk mensenkind dat ingewijd wordt in het schrift is een Alice in Wonderland die pardoes in een andere wereld tuimelt waarin alle verhoudingen anders zijn.
Zodra een mens leert lezen krijgt z/hij niet alleen een blik in een tot dan toe onzichtbare wereld. Ook zijn bestaande wereld is op slag compleet veranderd. Dat besef dringt pas gaandeweg door, maar er is geen weg terug.
Het kind is zich daar niet van bewust als het niets vermoedend, maar hevig verlangend zijn/haar schoentje zet en de volgende morgen daarin de letter vindt. En de ouders die de letter erin doen, beseffen het meestal ook niet omdat zij al te ver in die wereld zijn gevorderd om het verschil nog te kennen.
Daarover meer in een volgend blog, want met Alice in Wonderland staan we nog maar aan het begin van onze ontdekkingsreis.
wordt vervolgd (c) Martin Los