Homilie op Maria Sterre der Zee, Middag voor zieken en ouderen 10 oktober 2013 Mariakerk De Meern

Preek op het feest van Maria, Sterre der zee
tijdens de eucharistie  met handoplegging en ziekenzalving op de ziekenmiddag 2013 op donderdag 10 oktober 2013  in de Mariakerk in De Meern
Schriftlezing Wijsheid  14:1-7  Evangelielezing Lukas 1: 26-38

De kerk viert vandaag het feest van Maria Sterre der zee. Heel toepasselijk voor ons die hier bijeen zijn op de Middag voor zieken en ouderen.
Want Maria is de moeder van de Heer die zich het lot van de zieken en misdeelden aantrekt. Zij is zelf allen welgezind die zich het lot van mensen in nood aantrekken.
En zij is als moeder van alle gelovigen zeer begaan met de zieken en mensen met een gebrek.

Alleen al door haar naam hier te noemen, ervaren we de warmte en betrokkenheid die van haar uitgaat. En onmiddellijk zijn we ons weer bewust dat de Kerk voor ons als gelovigen in de eerste plaats een moeder is die voor haar kinderen zorgt.
Juist als we ons afhankelijk en gebrekkig voelen weten we hoe belangrijk het is dat je veilig en geborgen bent. We voelen ons als gelovigen veilig en geborgen door ons geloof in Jezus Christus en in God, onze Vader in de hemel.
Als geen ander versterkt Maria dat besef en dat gevoel in ons.

Zij is niet voor niets de begenadigde zoals de engel Gabriel haar noemt. Maria is “vol van genade”. Dus straalt de genade van God waarmee zij is bekleed, op iedereen in haar nabijheid af.
Dit is eenvoudig een feit, een ervaringsfeit dat door ontelbare mensen wordt gedeeld en beaamd. Overal waar echte liefde tot Maria is, is een sfeer van vertrouwen, eenvoud, zusterlijke toewijding, hulpvaardigheid.

We hoeven niet bang te zijn dat de aandacht en de liefde voor Maria ten koste gaat van ons geloof in Jezus Christus haar Zoon, zelf. Want juist Maria plaatst ons door haar persoon, haar voorbeeld, haar woorden en haar voorspraak onmiddellijk in de nabijheid van haar Zoon. Zij is zelf het beeld van zijn nabijheid.
Die nabijheid van onze Heer die we allen zo nodig hebben als mensen, en die ons bijzonder troost en kracht geeft.
Daarom is het goed dat we in onze huizen een beeldje van Maria hebben om die sfeer te ervaren en ons niet alleen te voelen, omgetroost te worden en zelfs in het duister licht te zien stralen.
En door zo’n Mariabeeldje mogen we ook aan degenen die bij ons thuis komen, de kinderen, de familie, de verzorgers laten zien waar we onze kracht en inspiratie vandaan halen.

Maar vandaag vieren we in het bijzonder Maria als Sterre der Zee. Die naam herinnert ons aan nog een bijzonder genade van Maria waarmee zij bekleed is en waarmee ze ons wil dienen.
In verschillende plaatsen in Europa aan zee zijn kerken genoemd naar Maria ,Sterre der zee. Om aan te geven dat zij de zeelieden behoedde en veilig thuis bracht als een ster die de weg wijst. Als een vuurtoren die de veilige haven wijst.

Die titel Sterre der zee wijst er ook op dat wij allen als mensen een onzekere weg gaan. Niet allen de zeelieden, maar iedere mens.
We kennen immers van te voren onze levensweg niet. De omstandigheden veranderen steeds. Waarop oriënteer je dan? Wat zijn betrouwbare wegwijzers?
Als je als een kind van God wilt leven en Jezus wilt volgen is Maria de gids bij uitstek als een heldere nachtelijke ster aan de hemel. Helemaal als de zee niet kalm is, maar stormachtig.
Stormachtig is ons leven als we met tegenslagen te kampen hebben, als we ziek worden. Dan kun alleen nog maar omhoog kijken. Want de wegwijzers bij kalme zee die je anders om je heen ziet, zie je dan soms ook opeens niet meer.
Daar omhoog zie je dan Maria die ook als alle duister wordt ons niet in de steek laat als ster die ons de weg wijst naar het veilige heenkomen van het eeuwig Vaderhuis. Of die ons weer tot rust brengt en als het kalm in ons hart is geworden vervolgen we onze weg me de te meer vertrouwen.
Dat is op ons allemaal van toepassing als we ons daarvoor eenvoudigweg openstellen in geloof

Nog even en dan ontvangen ruim honderd zusters en broeders in ons midden het sacrament van de zieken door de handoplegging en de zalving.
De handoplegging gebeurt zonder woorden. Daardoor ervaren we in geloof des te meer de aanraking met ons gevoel.
We weten allemaal hoe belangrijk voor ons, mensen, ons gevoel is. Het verbindt lichaam en ziel. En als we gevoel delen, voelen we ons getroost en gesterkt.
In de handoplegging raakt Jezus Christus zelf ons aan als de Goede herder.
Dat geeft een onuitsprekelijke troost en kracht. En het stimuleert ons om ons met alles verdriet en vragen aan Hem toe te vertrouwen in alle moeilijkheden.

Het is Maria die ons uitnodigt om ook ons gevoel mee te laten doen in ons geloof.
Maria die zelf zonder aarzelen zich toe vertrouwde aan Gods wil en zei: zie de dienstmaagd des Heren mij geschiede naar uw Woord.
Vertrouwen ook wij ons zonder voorwaarde, kinderlijk en spontaan toe aan de wil van God die ons leidt door alle moeilijkheden heen en ons uitzicht geeft op zijn koninkrijk en het eeuwige leven met de hulp van Maria Sterre der Zee. Amen

© pastoor Martin Los

homilie op de 27-ste zondag door het jaar op 5/6 october 2013 in de Willibrordkerk Vleuten

Preek op de zevenentwintigste zondag door het jaar op 5 en 6 october 2013 in de Willibrordkerk te Vleuten
Voorgeschreven lezingen uit het lectionarium voor Zon- en Feestdag van de R.K. kerk. Habakuk 1:2-3; 2:2-4 2 Timotheus 1:6-8,13-14  Evangelie: Lukas 17:5-10

Lieve zusters en broeders, de leerlingen zeggen tegen Jezus: “Heer, geef ons meer geloof?”
Is dat niet heel herkenbaar? We hebben allemaal wel eens een moment in ons leven waarop we verzuchten: “Wist ik nou maar hoe het verder moest? En waarom heb ik in deze situatie zo weinig aan mijn geloof. Waarom merk ik juist nu zo weinig van God?”

De Bijbel zelf staat opmerkelijk genoeg vol van zulke klachten. Met neme de Psalmen en de Profeten: “Hoe lang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert? Roept de profeet Habakuk.
Dat is het mooie van de Bijbel. We komen onszélf erin tegen. Met alle twijfels en vragen die we hebben als gelovigen. “Hoelang lang moet ik de hemel nog geweld aandoen, terwijl Gij maar geen uitkomst biedt” roept diezelfde profeet uit.

Als gelovigen hebben we ook best onze vragen net als alle andere mensen. En die mogen we hebben. En als gelovigen kennen we ook allemaal onzekerheid.
Dat is geen teken dat we niet genoeg geloven. Maar het laat zien dat we kwetsbare mensen zijn.
Als we die onzekerheid niet durven toegeven, gaan we onszelf overschreeuwen.. Dan wordt je fanatiek.
Maar zit achter dat fanatisme niet een verborgen angst? De angst dat we ons geloof verliezen als we zelf niet de regie in handen nemen?
En dan gaan we precies onze Heer voor de voeten lopen. We zien dan ook niet meer hoe Híj met ons bezig is. We worden dan blind voor hoe Hij met ons is en met zijn kerk en met deze wereld.
Fanatisme is eerder een teken van gebrek aan geloof dan van echt geloof.

Geloof is geen prestatie van onszelf, het is een geschenk aan ons van God. Wanneer we dat voor ogen houden, hoeven we nooit bang te zijn ons geloof te verliezen. Of dat ons geloof te zwak is. Want God zelf geeft ons met het geloof ook alles wat we nodig hebben.
Alleen we moeten dan wel doen waarvoor geloof bedoeld is: aan het werk gaan. Geloven is doen. Spontaan aan de slag gaan. Blij zijn dat we ondanks al onze menselijke kleinheid en onzekerheid het mooiste mogen doen wat er is:  Jezus volgen in zijn liefde en God dienen.

Dat brengt ons terug bij de vraag van de leerlingen: “Heer, geef ons meer geloof”. Hier spreekt geen kinderlijk vertrouwen uit dat wordt aangevochten door onzekerheid.
Eigenlijk wordt Jézus uitgedaagd om zich te bewijzen, om meer te laten zien van zijn kunnen. “Hij is toch op weg koning te worden? Nou, we zien er nog weinig van”.
Maar dat is geen geloof. Dat is gebrek aan geloof. En tegenover gebrek aan geloof is geen kruid gewassen.

We moeten dus onze twijfel aan God wel onderscheiden van onze eigen onzekerheid. Onze eigen onzekerheid over ons geloof is geen sta in de weg om te geloven. Nooit. Die onzekerheid is eerder een aansporing om ons in geloof nog meer aan God vast te klampen als een kind dat zich aan zijn vader of moeder vastklampt tot dat het weer rustig wordt.
Maar twijfel aan God is wel een sta in de weg. Tenminste als die twijfel betekent dat God zich eerst maar moet bewijzen tegenover ons. En steeds opnieuw

Als God eerst allemaal tekenen moet doen, zegt Jezus, dan gedragen we ons als knechten die een paar uur op het land gewerkt hebben en dan verwachten dat hun heer een hele maaltijd voor hen heeft aangericht. In plaats van dat ze voor hun heer eerste maaltijd klaarmaken voor ze zelf gaan eten.
Ze zijn in dienst van hem, of ze nu op het land bazig zijn of de maaltijd klaar maken. Hij is niet in dienst van hen.
Geloof waarbij we passief achterover leunen, om te zien wat God gaat doen, is de wereld op zijn kop.
Geloof is zelf aan de slag gaan. Met Gods beloften. Met de blijde Boodschap. Met de opdracht om lief te hebben.

Wat zou God nog moeten bewijzen? Hij  heeft in zijn liefde namelijk al alles voor ons gedaan. Hij heeft ons het leven gegeven. Een weergaloos groot geschenk. En hij heeft ons voor onze zonden een verlosser geschonken. Jezus Christus heeft in zijn liefde alles voor ons over gehad. Zijn eigen goddelijke leven. Hij is dienaar van ons allen geworden.
Dat beseffen, dat aanvaarden, daaruit leven, daarmee begint ons geloof. Dat is geloof.
Door die liefde van God zijn wíj in dienst genomen. Dat is toch alleen maar reden tot vreugde. Dat geloof is zelf toch al een geweldig groot geschenk. Wat hebben we dan nog voor behoefte aan meer gemak en beloning?  Hem te mogen dienen in zijn liefde is al het grootste voorrecht.

“Meer geloof”is niet nodig zegt Jezus: “als je een geloof had als een mosterdzaadje, zou je tot die moerbeiboom zeggen: maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee, hij zou u gehoorzamen”.

Al is ons geloof nog zo klein – als een mosterzaadje – het is genoeg. Genoeg om aan de slag te gaan. Genoeg om alles mee te doen. Genoeg in alle onzekerheid van het leven. In alle vragen en moeite. Meer geloof, groter geloof is niet nodig.

Maar we kunnen we wel groeien in ons geloof. We hoorden Paulus zeggen tot zijn leerling en opvolger Timotheus: vergeet niet het vuur aan te wakkeren van Gods genade die in u is, door de oplegging van de handen

“Vergeet niet het vuur aan te wakkeren”  zegt de apostel. We moeten het geloof wel met blijdschap onderhouden. Ook bij elkaar. Niet het vuur van elkaars bezieling doven, maar herkennen, ondersteunen en aanwakkeren.
En dat vuur is geen menselijke vuurtje dat even gemakkelijk weer uitdooft als dat het is opgelaaid. Het is het vuur van de heilige Geest.
Geloof is voor ons aan de slag gaan, geloof is een werk. Maar om te ontdekken dat God in ons werkt. En door ons. En met ons. Als een vuur van liefde en bezieling en kracht.

Bij ons doopsel en vormsel zijn ons allemaal de handen opgelegd. Door die aanraking van God is zijn Geest op onze hoofden neergedaald. Door die Geest wijst God ons aan als zijn kind: “jij hier, jij bent mijn geliefde kind”
En hij schenkt ons als zijn kinderen allemaal gaven en talenten om hem te dienen en om de blijde boodschap te verkondigen in woord en daad.
We mogen dat bij onszelf ontdekken. Tot onze grote vreugde. We mogen en moeten dat bij elkaar ontdekken.
We mogen bij elkaar het vuur aanwakkeren van Gods genade die in ons is. God en Jezus en de heilige Geest zijn al aan het werk. Het is al begonnen in uw eigen hart. Het is al begonnen in ons midden. Merk je het niet?  Amen

(c) Pastoor Martin Los