Homilie op het Feest van Kruisverheffing 14 september 2014 Mariakerk

kruisverheffing2014helena

Preek op het feest van Kruisverheffing
13 en 14 september 2014 Mariakerk De Meern

Schriftlezingen voor de Mis op dit feest volgens het wereld lectionarium van de r.k. kerk.
1e lezing: Numeri 21:4-9; 2e lezing: Filippenzen 2:6-11; Evangelie: Johannes 13:17

 

Lieve zusters en broeders, tranen van ontroering vloeiden over de wangen van keizerin Helena toen het kruis van onze Heer Jezus na eeuwen omhoog werd geheven op de berg Golgotha in Jeruzalem.
Drie eeuwen was het verborgen geweest. Drie eeuwen waarin de christenen waren vervolgd. Ze hadden geen kerken mogen bouwen. Ze waren tweederangsburgers geweest in het Romeinse rijk.
Maar nu na meer dan drie eeuwen was de keizer zelf christen geworden. In navolging van keizerin Helena.
Nu na zo’n lange tijd mochten de christenen eindelijk kerken gaan bouwen op de graven van de martelaren. Eindelijk mochten gelovigen nu de heilige plaatsen gaan bezoeken. De meest heilige plaats was voor hen de plek waar Jezus gestorven was aan het kruis. Het hout werd gevonden en opgericht. Het was een moment van grote ontroering en van grote vreugde voor Helena, voor allen die het meemaakten, en voor heel de christenheid.
Dat moment is in het collectieve geheugen van de kerk ingegrift. En sindsdien viert de kerk op deze dag het feest van Kruisverheffing.

We kunnen ons de ontroering van het moment nog veel beter voorstellen als we bedenken dat het kruis nog nergens afgebeeld was. Kruisbeelden boven de deur, hangertjes om de hals. Het was tot dan toe verboden geweest om het kruis zichtbaar te maken. Niemand was ook op de gedachte gekomen.
Voor de Romeinen was een kruis een schandelijk beeld zoals bij ons een strop. En de christenen mochten er niet voor uitkomen.

Dat was voor hen heel schrijnend omdat het kruis waaraan Jezus zijn leven offerde uit liefde voor de wereld, het medicijn is tegen de zonde en tegen het kwade.
Want dát is het hart van de christelijke boodschap: ieder die met zijn ogen opziet naar de gekruisigde Jezus wordt genezen van alle zonde. Ieder die zijn oog opheft naar Jezus aan het kruis, krijgt deel aan het eeuwige leven, aan het leven van God.
Dát en niets anders is het Evangelie.
Zo beleefden christenen het zelf. Het kruis mochten ze zich wel innerlijk voorstellen en ze mochten er in het geheim over praten, maar ze mochten het niet tonen. Nooit. Nergens. Hartverscheurend. Ze mochten het alleen maar voorleven door in de voetstappen van Jezus hun kruis op zich te nemen, het kruis van vervolging en discriminatie.
En nu voor het eerst werd het kruis zichtbaar gemaakt en omhoog geheven en nog wel op de plek waar Jezus gekruisigd was.

Nú kunnen we ons de tranen van vreugde, de vele eeuwen opgespaarde tranen van vreugde voorstellen.
Sindsdien werd het kruis overal zichtbaar. Het verkondigde aan iedereen de genade en vrede die God schenkt aan ieder die in de gekruisigde gelooft als de poort naar God, naar het rijk van God, naar het leven zoals God het in zijn liefde bedoeld heeft.
Tot op de dag van vandaag verkondigt het kruis overal de verlossing, het geluk dat God de mens wil schenken door het geloof in zijn Zoon

Maar hoe kan dat dan, vragen wij ons? Hoe kan dat kruis, afzichtelijk als het is, onze redding zijn? We willen dat graag analyseren en verklaren. Maar dat kan juist niet. Het is het geheim van God, van de liefde van God.
Als wij de wijsheid en de kracht van het kruis konden analyseren en verklaren, dan zouden we wijzer zijn dan God. Dan hadden we het zelf kunnen bedenken. Maar de redding door het kruis is de volstrekte unieke wijsheid van God.
Als wij opzien naar het kwaad dat aan een onschuldig mens is aangedaan, aan Jezus, dan geneest God ons van de macht die het kwade over ons heeft.
Dan stroomt door onze tranen een licht ons leven binnen. Dan worden we getroost in alle lijden en gebrek. Dan hebben we deel aan het eeuwige leven.

Dat was toen zo en dat is nu zo. Als ons geloof niet meer gebaseerd is op het kruis verliest het zijn kracht. Dan hebben we ook de wereld niets meer te bieden.
Want de wereld om ons heen kan alles bedenken, maar niet het kruis als redmiddel. Want dat is in de ogen van ieder weldenkend mens absurd.
Toch is dat het goddelijk medicijn dat voor geen geld te koop is, maar het wordt aan iedereen gratis aangeboden
Dat kruis helpt ons om te gaan met onze eigen onvolkomenheden en fouten en teleurstellingen. Het helpt ons ons eigen lijden te dragen.

Maar het kruis maakt ook dat we als christenen onze ogen niet sluiten voor het lijden in de wereld.
Omdat het kruis van onze Heer ons kracht en uitzicht geeft, voelen we ons, als het goed is aangetrokken, tot de zwakkeren in de samenleving.
De armen, de gebrekkigen, de jongeren die een thuis missen, de ouderen die aan hun lot worden overgelaten.
Paus Franciscus grijpt elke gelegenheid aan om te zeggen dat de armen de rijkdom van de kerk zijn, dat de gebrekkigen het sieraad van de kerk zijn.
Waar we als kerk en als gelovigen oog hebben voor de concrete nood van mensen, daar zal ook de kerk bloeien. Niet stoffig en doods, maar vitaal en jong.
En dan gaat het niet alleen of in de eerste plaats hierom dat wij met onze rijkdom en overvloed en middelen de armen en gebrekkigen kunnen helpen. Dat we blij kunnen zijn dat we hen kunnen helpen. Dat we daarin zelf een beetje op God mogen lijken die aan alle schepselen geeft wat ze nodig hebben.

Natuurlijk is hulp belangrijk, maar, zegt de paus, de armen betekenen veel meer voor de kerk. Het gaat vooral om de ontmoeting met de arme en gebrekkige, omdat we in hun het gezicht van de gekruisigde Heer tegenkomen.
Dat kan je werkeloze buurman of buurvrouw zijn. Dat kunnen ouderen om je heen zijn die afhankelijk en gebrekkig worden. Vorige week alleen al kreeg ik vier maal bericht dat een oudere zwaar was gevallen. Drie met een gebroken heup. Eén met een gebroken kaak. Ouder worden betekent kwetsbaar en afhankelijk worden.
Maar we mogen de ouderen niet als een last zien. Ze zijn een kans om God te ontmoeten die ons in de ander aankijkt.
Zulke ontmoetingen maken de kerk weer levend en jeugdig en aanstekelijk.

Drie eeuwen na Christus werd het kruis gevonden en opgericht. Sindsdien heeft het nergens ontbroken aan kerken en kruisen.
Nu is het misschien de tijd om opnieuw het kruis te vinden en op te richten. Doordat we de armen en gebrekkigen, de verlatenen en eenzamen op de eerste plaats stellen en een ereplaats geven.

“Heer Jezus. U haalde uw neus niet op voor het kruis. U gaf u zelf als medicijn en redmiddel voor de hele wereld om allen Gods liefde mee te delen. Geef dat wij ook in onze tijd weer onze ogen leren opslaan naar u, onze gekruisigde Heer.
Open onze ogen ook voor het gebrek van onze naaste om nog meer één te worden met U en Gods liefde nog dieper te verstaan”. Amen

(c) Martin Los, pastoor

homilie op de 23e gewone zondag 6/7 september 2014 Mariakerk en Willibrordkerk

gemeenschaprondhetkruis2014Schriftlezingen tijdens de Mis op de 23e zondag uit het voorgechreven wereldwijde lectionarium van de rk kerk: 1e lezing Ezechiel 33:7-9; 2e lezing Romeinen 13:8-10; Evangelie Matteus 18:15-20

Lieve zusters en broeders, we horen in het Evangelie:  iemand die gezondigd heeft, moet je erop aanspreken. Als hij niet luistert, getuigen erbij halen. Als dat niet helpt de zaak aan de hele gemeenschap voorleggen. Beschouw hem als hij dan nog niet luistert, als een buitenstaander.
Hoe valt dit te rijmen met de boodschap van Jezus dat je zonden moet vergeven, en dat je niet over anderen moet oordelen?
in het Evangeliegedeelte hiervoor zegt diezelfde Jezus: ”Wat denken jullie? Als iemand honderd schapen bezit en één daarvan dwaalt af, zal hij dan niet negenennegentig achterlaten in de bergen om het afgedwaalde schaap te zoeken……en als het gevonden heeft nodigt hij iedereen uit om feest te vieren”
Dat is heel iets anders dan veroordelen en buiten sluiten. Daar horen we van zoeken en vinden en samen feestvieren. Hoe zit dat nou?

Laten we even goed luisteren naar wat de Heer ons te zeggen  heeft. Hij houdt ons voor dat we heel zorgvuldig moeten omgaan met elkaar. Juist wanneer we geconfronteerd worden met een misstap die iemand begaat, moet dat liefdevol gebeuren.
Als je er persoonlijk getuige van bent dat iemand uit de geloofsgemeenschap iets doet wat helemaal in strijd is met Gods geboden, wat doe je dan?
Meest voor de hand liggende reactie is je ogen sluiten en doen alsof je niets gezien hebt. Maar wat is het gevolg? Dat je die ander niet meer onbevangen tegemoet kunt treden want wat hij of zij misdaan heeft, kun je niet uit je gedachten bannen.
Bovendien bestaat de kans dat die ander in herhaling valt. Ben je daar dan niet min of meer medeschuldig aan omdat je die ander niet erop aangesproken hebt?

Of we spreken niet direct met de betrokkene zelf, maar met anderen.
Het gevolg is dat in korte tijd velen op de hoogte zijn en de ander met een schuin oog aankijken. Die komt in een isolement en wordt gaandeweg buitengesloten.
Zo moet het niet, zegt Jezus.  je moet met de ander spreken onder vier ogen. In een echte ontmoeting van mens tot mens. Niet om te beschuldigen, maar je zorg en verwondering en je pijn uit te spreken.
De kans is groot dat de ander daardoor geraakt wordt. Dat die broeder of zuster inziet hoe verkeerd hij of zij bezig is. Dat hij oprecht spijt heeft. Je bedankt en zijn leven betert.
“Dan heb je je broeder gewonnen” zegt Jezus. Trouwens, in een persoonlijk gesprek zou óók kunnen blijken dat jij je vergist hebt en dat de ander niets misdaan heeft.

Maar stel dat de ander toch níet luistert? Dan maar de schouders op halen? Of toch achter diens rug om met anderen erover praten?
Nee, zegt Jezus, als een gesprek onder vier ogen niets uithaalt, vraag dan discreet een andere betrouwbare persoon erbij. Het kan immers zijn dat jij niet de juiste toon hebt gevonden in het gesprek onder vier ogen. Of de ander heeft eerst nog wat tijd om tot bezinning te komen.
Grote kans dat zoveel zorg en discretie de ander diep raakt en tot ommekeer beweegt. Dan is de breuk geheeld, en de gemeenschap herstelt.

Maar stel dat ook dat niet helpt. Daar moet je niet vanuit gaan. Want liefde heeft dan misschien allang overwonnen. Maar wat dan? Opgeven? Of alsnog je ongenoegen uitspreken tegen alle anderen die nog van niets wisten?
Nee, zegt  Jezus, dan moet je het voorleggen aan de kerk, aan de gemeenschap. Dat is wat anders dan aan de grote klok hangen. De kerkelijk gemeenschap wordt vertegenwoordigd door de leiding. Ook aan de gemeenschap voorleggen kan dus heel pastoraal en discreet gebeuren
Maar ook wanneer je de zaak ten einde raad aan de leiding voorlegt, mag het motief niet teleurstelling of wrok zijn, maar liefde voor de ander en de gemeenschap.

Soms kan een ander alleen tot verandering bewogen worden door het bevoegde gezag in de gemeenschap. Maar ook dat mag alleen pastoraal en liefdevol gebeuren. Het gaat immers om iemand uit de eigen gemeenschap, om een broeder of zuster, om eigen vlees en bloed binnen het lichaam van Christus.
Loopt heel deze zorgvuldige benadering op niets uit, dan moet je je inspanningen staken: “beschouw hem dan als een heiden of een tollenaar” dus als een buitenstaander.
Dus toch de ander afschrijven en voortaan negeren? Nee, maar je hebt gedaan wat je kon. Gebruik nu je energie voor zaken die vruchtbaarder zijn.

Jezus roept niet op tot bemoeizucht. Geen sprake van elkaar beloeren en betrappen op fouten, of veroordelen. Het enige motief mag zijn het verlangen om de ander te helpen en ook om de ander te behouden voor de gemeenschap.
Het gaat om deze vraag: In hoeverre hebben we elkaar écht lief als broeders en zusters? In hoeverre zijn we als de herder die de negenennegentig schapen achterlaat om het verloren schaap te zoeken?
We zijn vaak wel bereid om anderen in hun materiele armoede te helpen?
Maar zijn we ook bereid elkaar bij te staan op het vlak van morele zwakheid en moreel faillissement? Want ook dat behoort tot de christelijke barmhartigheid.

Als we niet liefdevol naar elkaar omzien, schaadt dat de kwaliteit van de gemeenschap. Helemaal als we wel over elkaar praten, maar niet met elkaar.
Paus Franciscus heeft vorige week in een preek nog uiteengezet dat niets zo schadelijk is voor de geloofsgemeenschap als roddel.

Net zoals opvoeding niet alleen léuk is, maar ook inspanning vergt, zo vraagt het ook inspanning van iedereen om de kwaliteit van de geloofsgemeenschap in stand te houden en te versterken.
Het vraagt om moed en integriteit. Maar we worden gesterkt door de belofte van de Heer dat “waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn daar ben ik in hun midden”.

Vragen we het Hem: “Heer, uw liefde en wijsheid en zachtmoedigheid raken ons telkens diep. Ook nu weer. Ze wekken in ons het oprechte verlangen om als gelovigen U in uw liefde na te volgen. Laat ons niet met minder genoegen nemen dan wat u van ons verlangt: herderlijk omgaan met elkaar en al onze medemensen. Tot eer van uw Naam. Amen

(c) Pastoor Martin Los