Hun namen geschreven in Gods hand

Preek op Allerzielen op 2 november 2019 in de Mariakerk te De Meern

“ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven” 1)
Lieve zusters en broeders, de gedachtenis van alle gestorvenen die we op deze dag vieren, is door de kerk in gesteld omdat niet voor alle gelovigen na hun dood een heilige Mis werd opgedragen of een wake werd gehouden. Simpel omdat veel mensen in eenzaamheid stierven en meteen in vergetelheid raakten. Ook was van doorreizigers en vreemdelingen die plotseling stierven onderweg, lang niet altijd hun geloof bij de mensen bekend.
Families van overleden baden voor hun overledenen, lieten een Requiemmis voor hen opdragen. De Mis die begon met de zang van het gebed: “Heer, geef de gestorvenen de eeuwige rust en het eeuwige licht verlichte hen”. Gilden en verenigingen droegen Missen op voor hun overleden vakgenoten, leden en vrienden. Maar heel veel gelovigen stierven in grote armoede en vergetelheid. Niet voor niets heet één van de zeven werken van barmhartigheid “begraven van de doden”. Want veel mensen stierven zonder kind of kraai.
Bovendien zaaide de pest in de Middeleeuwen dood en verderf in de huizen en op de straten. De slachtoffers kwamen terecht in massagraven. Er was op veel plaatsen geen priester meer die de Mis kon opdragen voor een gestorvene omdat zij zelf geveld waren door die vreselijke ziekte.
Daarom werd in de Middeleeuwen een jaarlijkse gedachtenis van alle gestorven gelovigen ingesteld (op de dag na het grote feest van Allerheiligen) om dit gebrek aan aandacht en zorg voor elke gestorven medegelovige en mens van goeden wille goed te maken. Want voor de kerk doet iedereen er toe. Zij gedenkt iedereen in haar gebed. Christus heeft zijn leven niet alleen gegeven voor aanzienlijken en voor mensen die in een tijd van vrede en voorspoed leven. We herinneren ons de gelijkenis die Jezus vertelt over de rijke man en de arme Lazarus. De rijkaard sterft en krijgt een eervolle luxe begrafenis maar heeft het nakijken. Zelfs zijn naam wordt niet genoemd. Terwijl de arme Lazarus door de engelen naar de hemel wordt gedragen.
Aan het einde van elke kerkelijke uitvaart klinkt vaak nog het In Paradisum met de woorden:  “het koor van de engelen moge u ontvangen en moogt gij, samen met de arme Lazarus, de eeuwige rust vinden”.  Onze dood toont onze armoede in het licht van de eeuwigheid. We zijn helemaal afhankelijk van Gods genade. Niet dat wij náám gemaakt hebben, maar dat onze namen staan geschreven in de palm van Gods hand, daar gaat het om. Dat belooft Jezus Christus ons. Dat schenkt Hij ons door het geloof: dat God naar ons omziet en ons nooit vergeet: “Wie in Mij gelooft zal leven, ook als is hij gestorven. Gelooft ge dat?” zei Jezus tot Martha. “Ja, Heer, ik geloof dat u de Christus bent die in de wereld zou komen”.
Het is dit geloof dat ons troost dat onze broeders en zusters die in vergetelheid gestorven zijn, daarom niet minder door Gods engelen naar het hemels koninkrijk zijn geleid. Christus is voor hen net zo goed als voor ons “de verrijzenis en het leven”.
In één van de bekende eucharistische gebeden klinkt de bede: “erbarm u, Vader, over onze broeders en zusters die in de vrede van Christus naar u zijn teruggekeerd, en over allen van wie Gíj alleen het geloof hebt gekend, breng hen tot het licht van de verrijzenis”.
Het gebed dat wij bidden vanuit het geloof in de verrijzenis troost ons niet alleen voor allen die in de wereld niet meetelden en over het hoofd zijn gezien en aan wie niemand na hun dood nog dacht. Het troost ook onszelf bij voorbaat. Want niemand kan met zekerheid zeggen dat wij ook niet sterven zonder dat iemand aan ons denkt. In tijden van rampspoed of oorlog of godgeklaagd individualisme. Maar dan weten we dat onze namen staan geschreven in Gods hand.
We weten dat wij niet uit Gods hand vallen door de dood, al ziet er niemand nog naar ons om. Ook als anderen ons verlaten en veroordelen, weten we dat niets ons kan scheiden van de liefde van Christus, die door zijn kruis en verrijzenis de weg naar de hemel voor ons geopend heeft:
“Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij geloof zal leven, ook al is hij gestorven, en wie in Mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven”.
Daarom hoeven we niet te vrezen voor allen die ons zijn voorgegaan, ook niet voor hen die in vergetelheid gestorven zijn. En ook niet voor onszelf als dit ons zou overkomen.
Dat vervult ons van hoop en van liefde voor God en voor alle mensen die stervelingen zijn zoals wij en net als wij van Gods genade afhankelijk zijn.
Het geeft ons ook de moed om het leven te vieren en als een geschenk van God te beleven door het goede te doen en onze naaste lief te hebben en voor zover het in onze macht ligt een goede verzorging te geven, en onze doden begeleiden wij met liefde en respect in onze gebeden. Want de dood, kwade, geweld, de zonde heeft niet het laatste woord over ons leven. Het is veilig en geborgen bij God. Amen

pastoor Martin Los

Schriftlezingen in de Allerzielenmis:
1) I Thessalonicenzen 4:13-18
2) Evangelie: Johannes 11:20-28

Op weg naar de stad van God

Preek op het hoogfeest van Allerheiligen op 1 november in de Mariakerk De Meern

Lieve broeders en zusters, wat is het een ongelofelijk mooi vooruitzicht dat wij eenmaal ooit God mogen zien zoals Hij is. Dat is wat de apostel en evangelist Johannes ons voorhoudt 1). Niet alleen zullen wij God mogen zien zoals Hij is, maar wij zullen aan Hem gelijk zijn, want anders zouden we hem niet kunnen zien. We zullen onszelf mogen zien als kinderen van God. Kinderen van God zijn we al door het geloof in Jezus Christus en door ons verlangen bij Hem te behoren en in zijn voetspoor te treden. Maar zo lang wij leven zijn we nog niet af. We twijfelen nog omdat ons geloof soms zwak lijkt en aangevochten wordt door beproevingen en gebeurtenissen die de macht van God en de overwinning van Jezus lijken tegen te spreken. Er ligt om zo te zeggen nog een sluier over ons en deze wereld. We wachten op de onthulling. “Wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard”.
Het is niet alleen óns verlangen om eenmaal God te zien, geraakt door de liefde van God in Jezus Christus. Hij laat ons niet meer los. Zijn aangezicht wekt in ons het verlangen om God te zien als het ultieme doel van ons leven en deze wereld. God verlangt er zélf in de eerste plaats naar dat wij Hem zien in al zijn heerlijkheid en daarin delen. Om die reden heeft Hij alles geschapen. Om die reden is de geschiedenis een schreeuw naar de zin van alles. Om die reden is ieder mens op zoek naar de zin van zijn of haar leven.
We zijn dus op weg. We proberen met vallen en opstaan te ontdekken wat God van ons verwacht als zijn kinderen en hoe we het Evangelie van Jezus in praktijk kunnen brengen. Maar het avontuur van God met de mensen begint niet bij ons. Ontelbaren 2) zijn ons voorgaan op deze weg. Omdat zij gestorven zijn, zouden we bevreesd kunnen zijn, dat zij om zo te zeggen ‘buiten de boot gevallen zijn’. Maar dat is niet zo. Omdat zij voor ons uit zijn, zijn zij al bij God. Ze hebben al deel aan het rijk van God: “ zalig de armen van geest want aan hen behoort het rijk der hemelen” roept Jezus uit aan het begin van de verkonding van zijn leer 3).
De hoop die wij hebben dat we eens God zullen zien en op Hem gelijken als zijn kinderen, die hoop die ons gaande houdt en moed geeft om trouw te blijven aan de opdracht die Christus ons gegeven heeft, om als goede, rechtvaardige, integere mensen te leven, die hoop schenkt ons de zekerheid dat de gelovigen en mensen van goede wil die ons zijn voorgegaan al deel mogen hebben aan Gods heerlijkheid. Ze zijn om zo te zeggen de poort van de stad van God die uit de hemel neerdaalt, al binnengegaan. We zijn nog onderweg, we zien de muren en de poorten nog niet eens, nog niet eens de contouren, maar we weten dat we op weg zijn naar ons doel.
De wetenschap dat ontelbaren ons zijn voorgegaan, onder wie onze eigen familieleden en vrienden, vervult ons van blijdschap. Dat vieren we vandaag in het bijzonder op deze dag van alle heiligen. Met nadruk álle heiligen, want we denken niet alleen aan hen die alom bekend zijn en blijven, aan wie zelfs een bepaalde dag gewijd is, nee, alle heiligen, ook de ontelbaren die niet heilig verklaard zijn, maar het natuurlijk wel zijn. Je wordt niet heilig door een heiligverklaring. Je bent het al door Gods genade.
Al die mensen die het geloof in praktijk hebben geprobeerd te brengen door hun eenheid met Jezus, door hun liefde tot de naaste, door hun eerlijkheid, door hun eenvoud. Zij allen die geprobeerd hebben God te eren met hun leven, en daardoor soms het onderspit dreigden te delven, en door de wereld als verliezers worden beschouwd, verheffen nu voor eeuwig hun stem in het hemelse koor van stemmen van engelen en heiligen.
Af en toe stellen mensen mij de vraag: “hoe kan het nou in de hemel een feest zijn, als wij hier verdriet hebben, of zelfs lijden?” De heilige Anselmus geeft er dit antwoord op: “stel je staat in de rij voor een feest. Door de deur aan het eind van de gang gaan de gasten naar binnen. Het is een onafzienbare rij. Zij die buiten in de spaarzaam verlichte gang staan zien nog niet wat er binnen is. Zij die naar binnen zijn gegaan, zien de prachtige verlichte zaal en dat alles klaar is voor het feest. Voor hen valt het wachten niet lang. Want ze weten: niets kan het feest nog tegen houden.
Zo vieren de heiligen niet al feest terwijl wij nog in nood zijn en de wereld nog in barensnood is. Zij verwachten ons. Ze inspireren ons door hun voorbeeld. Ze pleiten voor ons, dat wij ook onder de feestgangers zullen zijn samen met hen.
Nee, ze zijn intens met ons verbonden. Maar zonder zorg of pijn of twijfel of ongeduld. Want ze weten dat het goed komt met de overwinning van Jezus Christus. Die vreugde en zorgeloosheid gunnen wij hen van harte. En het geeft ons extra moed en blijdschap voor onderweg.

Martin Los

Schriftlezingen voor dit feest (r.k. lectionarium)
2) Openbaring van Johannes 7:2-4;9-14 2
1) I Johannes 3:1-3
3) Mattheus 5:1-11