Inzegening van de pastorietuin in Vleuten

Inleidend woord hij de inzegening van de volledig gerestaureerde pastorietuin rond de Willibrordkerk in Vleuten 13 september 2020

Het is altijd een genot om naar een mooie tuin te kijken. Het is aan de ene kant natuur en aan de andere kant menselijk inzicht en inspanning. Je zou ook kunnen zeggen: een mooi stuk samenwerking tussen God die alles schiep en de mens die naar zijn beeld geschapen is en de tuinman is
Al aan het begin van de Bijbel horen we dat de eerste mens een tuin, de hof van Eden, mocht bewonen. De eerste woning was niet in een wildernis of woestijn, maar een menselijke omgeving, bewerkte hof, herkenbaar werk van mensen, een thuis.
Een tuin herinnert ons ook aan het leven zelf, in weer en wind. Een tuin confronteert ons ook met het feit dat alles vergaat, de mooiste bloemen. Net als wijzelf.
Maar door Jezus Christus zijn we vervuld van hoop, dat we eens mogen wonen in het paradijs, een hemelse stadstuin. Onze woord ‘tuin’ is verwant met het engelse ‘town’. We zijn op weg naar de stad van God en mensen.
Zo mag ook deze pastorietuin ons vervullen van hoop omdat ze onderdeel van het mooie complex hier van de kerk heeft. Zij heeft als taak teken van hoop in de wereld te zijn voor alle mensen. Bovendien leidt deze tuin via het pad van de Broederschap van Onze Lieve Vrouw van Vleuten naar het kerkhof. We gaan van nu af dat pad gebruiken als we parochianen vergezellen bij hun laatste gang op aarde vanuit uit de kerk. Dat maakt deze tuin tot een heel bijzondere tuin. Want wij begraven onze doden in de verwachting van de opstanding. Zo moge Gods zegen deze tuin met bomen en de planten bloeien door de seizoenen en jaren. Maar dat niet alleen, moge deze hof met Gods zegen ook altijd de hoop in ons doen groeien samen met geloof en liefde. Laten we tenslotte ook niet het belang van de tuinlieden niet vergeten. Door Maria Magdalena werd Jezus eens op de eerste dag van de week, de dag van de opstanding, aangezien voor de tuinman.

Evangelielezing

Maria stond buiten bij het graf te schreien. En al schreiend boog zij zich naar het graf toe  en zag op de plaats waar Jezus’ lichaam gelegen had, twee in het wit geklede engelen zitten, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde. 
Zij spraken haar aan: “Vrouw, waarom schreit ge?” Zij antwoordde: “Zij hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar zij Hem hebben neergelegd.”  Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, maar zonder te weten dat het Jezus was. Jezus zei tot haar: “Vrouw, waarom schreit ge? Wie zoekt ge?” In de mening dat het de tuinman was, vroeg zij: “Heer, mocht gij Hem hebben weggebracht, zeg mij dan waar ge Hem hebt neergelegd, zodat ik Hem kan weghalen.”  Daarop zei Jezus tot haar: “Maria!” Zij keerde zich om en zei tot Hem in het Hebreeuws: “Rabboeni!” – wat leraar betekent. Toen sprak Jezus: “Houd mij niet vast, want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader, maar ga naar mijn broeders en zeg hun: Ik stijg op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God.”  Maria Magdalena ging aan de leerlingen berichten dat zij de Heer gezien had, en wat Hij haar gezegd had.

Zegeningsgebed

Almachtige eeuwige God, Gij hebt deze aarde geschapen met alles daarop. Aan mensen hebt Ge de opdracht gegeven haar te onderhouden als een bloeiende tuin uit liefde voor elkaar en voor al wat leeft.
Wij vragen u: verhoor in uw goedheid ons gebed waarmee we uw zegen afsmeken over allen die deze tuin bewerken, bewandelen en bewonderen, in het bijzonder wanneer wij onze gestorven broeders en zusters vergezellen op hun laatste gang op aarde en wanneer we als gemeenschap zich verzameld bij bijeenkomsten en vieringen in de lucht. Dat allen U voortdurend als het hoogste goed erkennen en in oprechte liefde met elkaar omgaan als broeders en zusters in Jezus Christus, onze Heer. Amen

hierna volgt de besprenkeling van de tuin met inbegrip van de aanwezigen (die vanwege de corona niet zelf besprenkeld kunnen worden)

De vrijheid om te vergeven

Preek op de 24e zondag door het jaar 13 september 2020 Mariakerk en Willibrordkerk

“Hoevaak moet ik mijn broeder vergeven? Zevenmaal? vraagt Petrus aan Jezus. “Niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventig maal zeven toe” antwoordt Jezus 1)
Het antwoord is duidelijk. In het rijk van God mag je aan vergeving geen grenzen stellen. Je mag geen innerlijke boekhouding bijhouden dat op een bepaald moment de maat vol is.
Toch komt deze opdracht tot eindeloze vergeving op ons over als een ideaal dat voor weinig of geen stervelingen zoals wij is weggelegd. Om eerlijk te zijn hebben we vaak al moeite om één keer te vergeven. Ja, juist die ene keer.
We erkennen allemaal dat iemand vergeving schenken tot de kern van het  christelijk geloof behoort. We herinneren ons er dagelijks aan als we bidden: “Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven onze schuldenaren”. En Jezus zelf bad aan het kruis voor zijn vijanden: “Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen”.
Er is dus geen twijfel mogelijk dat vergeving bij ons leven als christenen hoort als dagelijks brood. Ze vormt de kern van de kerkelijk verkondiging en bediening. Hoe komt het dan dat we aan de ene kant hartelijk de noodzaak van onbeperkte vergeving aanvaarden, en aan de andere kant de uitvoering niet realistisch vinden?
Omdat het lijkt alsof we altijd alles en iedereen moeten vergeven ondanks de pijn en het onrecht dat ons persoonlijk is aangedaan zonder dat daar iets tegenover staat.
Maar op een andere plaats horen we Jezus een nuance aanbrengen: “Al misdoet uw broeder zevenmaal per dag tegen u, maar zevenmaal ook wendt hij zich tot u met de woorden: “Het spijt me, dan moet ge hem vergeven”. Hier is duidelijk sprake van iemand die zegt: “het spijt me”. Aan de vergeving gaat dus een voorwaarde vooraf: dat de ander berouw heeft en daar rond voor uit komt.
Als iemand oprecht excuses maakt en je weigert die, dan is dat harteloos. Ik denk dat de opdracht tot vergeving op deze manier veel realistischer is. Ja, dan kan het oprecht vreugde geven om de ander te vergeven.

In de gelijkenis die Jezus vertelt, gaat het over over een  knecht die zelf vergeving krijgt van zijn heer, maar zijn mededienaar weigert diens veel kleinere schuld kwijt te schelden. Die mededienaar vraagt –  zo horen we  – uitdrukkelijk om vergeving, maar de knecht weigert het. Kijk, dat gedrag wordt door zijn heer verworpen. Hij zegt: Als jij de ander zijn schulden niet vergeeft, hoef je ook niet op mijn vergeving en kwijtschelding te rekenen.
De oproep van Jezus om eindeloos te vergeven, doet een beroep op degene die benadeeld is. Maar hij doet ook een beroep op degene die schade aan heeft gericht: ga oprecht door de knieën en biedt je verontschuldigen aan. Want laten we eerlijk zijn: we hebben niet alleen moeite om te vergeven, we hebben evenzeer of meer moeite om een ander vergeving te vragen.
Maar nu een heel belangrijke overweging: lang niet altijd weten mensen dat zij iets verkeerds gedaan hebben. Zij vragen dus ook niet om vergeving. Hoef je die dan niet te vergeven omdat zij er niet om vragen?
We zijn er ons zelf ook lang niet altijd van bewust dat we iets misdaan hebben tegenover een ander. Ik herinner nog een keer aan het kruiswoord van Jezus: “Vader, vergeef het hun want ze weten niet wat ze doen”. De mensen die Jezus aan het kruis brachten mensen God te dienen door een godslasteraar ter dood te brengen. Als ze niet verblind waren geweest en geweten hadden dat Jezus de Zoon van God was, hadden ze natuurlijk nooit geroepen: kruisigt hem!
Op verschillende plaatsen in de Bijbel wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen een zonde tegenover een medemens waarbij de dader zich volkomen bewust is van de verkeerde daad, en dit opzettelijk doet, en een daad waarbij de ander zich niet bewust is van zijn verkeerde daad en van de consequenties daarvan voor de ander.
In dat geval is er natuurlijk niemand om excuses aan te bieden en te vragen of hij iets van de schade kan herstellen. Hoe kun je dan vergeven als er niemand is die zegt: “Het spijt me?”
Dat kan door je te verplaatsen in de ander. Door in gedachten die ander liefdevol aan te zien. Door bij jezelf te denken: “als de ander echt geweten had wat voor pijn hij mij heeft gedaan, zou hij dit nooit gedaan hebben”. In feite is heel de oproep van Jezus om onvoorwaardelijk altijd te vergeven een oproep tot liefde. De ander vergeven die spijt heeft of die niet weet wat hij deed, is een daad van liefde. Hopen we ook zelf niet liefdevol bekeken te worden met onze fouten en tekortkomingen.
Jezus nodigt ons uit om die liefde te beoefenen. Niet met tegenzin, maar als de grootste gave die God de mens geschonken heeft. Een gave waartoe iedereen in staat is. Niet iedereen kan goed pianospelen of sporten of organiseren of schrijven. Maar liefhebben kan iedereen. Vergeven kan dus iedereen. Waarom? Omdat God ons daartoe de vrijheid schenkt. Hijzelf pint ons niet vast op onze fouten en misstappen. Zou Hij dat wel doen, dan hoefden we maar één fout te maken en we zaten daar voor altijd aan vast. Maar God vergeeft ons en schenkt ons telkens de vrijheid om opnieuw te beginnen. Hij is zelf vrij. Hij zit niet aan onze zonden vast. Hij schenkt genade op genade. Als we dat begrijpen, zullen we beseffen dat wij als zijn kinderen ook vrij zijn om te vergeven aan anderen. Als we anderen niet vergeven dan zijn we zelf niet vrij. De liefde van God maakt ons vrij. Vrij om lief te hebben en te vergeven. Zeven maal zeventig maal. Amen

Pastoor Martin Los

1) Evangelie van deze 24e zondag door het jaar (A) volgens hMattheus18:21-35et r.k. lectionarium: Mattheus 18:21-35