Aswoensdag: Ja zeggen

Preek op Aswoensdag 6 maart 2019 Mariakerk en Willibrordkerk

‘Als je vast, zalf je hoofd dan met olie en was je gezicht om niet aan de mensen te laten zien dat je vast’ 1)
Lieve zusters en broeders, bij ‘vasten’ denken we vooral aan ‘afzien’. Afzien van genot en luxe. Ons lichaam beperkingen op leggen om sterk te staan tegenover allerlei verleidingen.  De deugd van matigheid beoefenen. Dat is zonder twijfel allemaal heel nuttig. En niet alleen in de veertig dagen per jaar die we Vastentijd noemen.
Maar vasten is in de eerste plaats een godsdienstig begrip. De bedoeling van vasten is niet dat we gezonder gaan leven – al kan dat zeker een gevolg ervan zijn. Vasten heeft te maken met onze relatie tot God. Door te vasten maken we onze geest vrij voor God. Om Hem weer op de eerste plaats te zetten. Omdat God onzichtbaar is, dreigt Hij steeds op de achtergrond te geraken. Vaak ongemerkt. Daardoor kan godsdienstig leven en geloof zelf eentonig en dor worden. Ons leven voedt zich dan onvoldoende met de liefde van God en de gaven die Hij ons schenkt. We lopen zelfs het risico dat we Hem de schuld geven van ons gebrek aan liefde en enthousiasme voor Hem.
Een vastendag of een vastentijd kan ons helpen om weer meer te verlangen naar God en naar een leven dat van Hem vervuld was, zoals het leven van Jezus. Daarom grijpen we door te vasten in, in onze zichtbare, lichamelijke wereld. Een tastbare herinnering dat we niet vergeten. Zoals een geel post-it velletje op de koelkast dat we die en die nog even moeten bellen. Vasten moet dus geen kwelling of straf zijn of een vorm van topsport.

Het is een vreugdevolle gelegenheid om de relatie tot God te vernieuwen.
Daarom zegt Jezus: ‘als je vast, zalf dan je hoofd met olie’. In de tijd van Jezus smeerden de mensen bij feestelijke gelegenheden hun gezicht in met geurige olie zodat hun gezicht glansde en er stralend en blij uitzag. Jezus bedoelde daarmee natuurlijk niet dat mensen toneel speelden, alsof ze er feestelijk uit moesten zien, maar achter dat masker zuchten onder de beperkingen die ze zich op legden.
Nee, Jezus verzet zich juist tegen de hypocrisie. Huichelaars noemt hij de mannen die opzichtig staan de bidden op de hoek van de straat, om op te vallen. Of die een somber gezicht zetten om te tonen dat ze vasten. Onze woord huichelaar en goochelaar zijn aan elkaar verwant. Een goochelaar draait je een rad voor ogen zodat je zijn truc niet doorhebt. Zo kunnen we ook elkaar een rad voor ogen draaien. Dus Jezus bedoelt niet dat we moeten doen alsof we blij zijn, maar intussen somber of met tegenzin vasten vanwege dat we ons iets ontzeggen. Nee, we moeten werkelijk blij zijn, en dan niet omdat we ons iets ontzeggen, maar omdat we daardoor iets kunnen doen waar we anders niet of te weinig aan toe komen. Als je afziet van luxe en je schenkt wat je daardoor uitspaart aan iemand die nauwelijks rond kan komen, dan is dat reden tot blijdschap. En als je in je drukke agenda tijd vrij maakt om te bezinnen en te bidden is dat reden tot blijdschap, omdat je daardoor je open kunt stellen voor God. En als je door bezinning ontdekt dat je dingen gedaan hebt waar je spijt van hebt, is het gevolg vreugde als je het onder tranen erkent voor God, die gaarne vergeeft.
Hoe tegenstrijdig het ook klinkt, een vastentijd moet een vreugdevolle tijd zijn: eindelijk meer tijd voor de naaste, voor de arme, voor God, voor de geloofsgemeenschap, voor de schoonheid van de schepping, noem maar op.
Laten we de raad van onze Heer opvolgen:  vasten is geen afzien en ‘nee’ zeggen, maar ‘ja’ zeggen tegen aandacht voor de naaste, hulp aan mensen in nood, zoals de eenzamen,  ‘ja’ tegen de liefde van God die we in Jezus hebben leren kennen.
Het askruisje dat we zo dadelijk opgelegd krijgen is dus niet in de eerste plaats ‘nee’ zeggen tegen verleidingen of verhinderingen, maar ‘ja’ tegen de weg die Jezus is gegaan. De weg van ‘ja’ tegen Gods liefde, ‘ja’ tegen het leven dat sterker is dan de zonde en de dood. ‘Ja’ tegen de weg van de verrijzenis en het eeuwige leven. ‘Ja’ tegen het mysterie van Pasen. ‘Als je vast, zalf je hoofd dan met olie en was je gezicht om niet aan de mensen te laten zien dat je vast’ Amen

(c) Martin Los
Evangelielezing tijdens de Aswoensdagviering: Mattheus 6:1-6,16-18

Parels van de meester voor de levenslange leerling

Preek op 8e zondag door het jaar in Mariakerk en Willibrordkerk in het weekend van 2 en 3 maart 2019

‘Waar het hart vol van is, loopt de mond van over’
Wat wil Jezus ons eigenlijk zeggen in de uitspraken die we vandaag in het Evangelie horen? Van ‘Kan de ene blinde de andere leiden?” tot “waar het hart vol van is, loopt de mond van over’? 1) De uitspraken lijken allemaal parels die samen een parelketting vormen. Een paar ervan zijn zelf in ons dagelijks spraakgebruik opgenomen, zoals “aan de vruchten herkent men de boom’.
Maar waar gaan ze over? Dat willen we graag weten, want woorden van de Heer zijn altijd woorden waar je mee aan de slag wilt om je leven als mens en als gelovige vorm te geven. Ook deze woorden van Jezus zijn onderdeel van de Blijde Boodschap. Ze zijn een aansporing. Je krijgt er zin in om ze uit te proberen. Je wilt groeien, niet alleen in het begrijpen ervan, maar ook in het doen. En dat is nou precies de bedoeling van deze parels en deze parelketting.  Begrijpen en groeien, dat is wat een leerling wil. Al deze woorden over de blinde, de balk en de splinter, de boom en de vruchten, en het hart, ze zijn tot leerlingen gericht, en ze gáán ook over leerling-zijn zelf. Over begrijpen en groeien. Dat is precies wat wij verlangen.
Wat is het kenmerk van enthousiaste leerlingen? Dat je blij bent met wat je leert. Je kunt niet wachten tot je alles weet. De leerling violist die pas begint, hoort zichzelf al het vioolconcert van Beethoven spelen. Wij, als enthousiaste leerlingen van het rijk van God, kunnen ook niet wachten tot we alles weten, hoe het is om te leven vanuit de hoop, het geloof en de liefde. Soms gedragen we ons daar ook naar alsof we dat al helemaal onder de knie hebben. We schudden ons hoofd om anderen die nog niet zover zijn. We lezen anderen de les alsof we geen leerlingen meer zijn, maar meester.
‘Kan soms de ene blinde de andere leiden. Zullen niet beiden in de kuil vallen?’  Zo ben je als je van jezelf vindt dat je veel verder bent dan de anderen, en dat je het hen allemaal wel eens zult vertellen. Maar dan is het de blinde die de blinde leidt. Ben je een enthousiaste leerling van het rijk van God, blijf dan bescheiden. Kijk eerst naar jezelf. We zijn allemaal leerlingen. Er is maar één onze meester, dat is Christus zélf. ‘De leerling staat niet boven zijn meester’ die meester die zijn leven lang leerling was van de Schriften, en zijn weg daarin herkende. Daardoor is hij onze meester.
“De leerling is pas ten volle gevormd als hij gelijk is aan zijn meester”. En een goede meester is niet iemand die pronkt met zijn kennis, maar die luistert naar zijn leerlingen, die weet wat voor vragen er in hen leven. Mensen zijn altijd weer op zoek naar de antwoorden. Maar als leerlingen in de leerschool van het leven, leerlingen van het rijk van God, stellen we ons niet tevreden met dooddoeners als het gaat om de diepste vragen van ons leven. Onze vragen en verlangens komen voort uit de hoop die in ons leeft door Jezus Christus, door het geloof dat in ons gewekt is en door de liefde die energie geeft. Onze hele leven is zo een vraag aan God, dat we mogen zien hoe Hij ons steunt, hoe Hij de wereld behoedt voor de ondergang, hoe wij bij mogen dragen tot een betere wereld door een zinvol leven.
Als leerlingen van het rijk van God hebben we onze handen vol aan onszelf, om bij de les van het Evangelie te blijven. Waarom dan anderen de les lezen en veroordelen: “haal eerst de balk uit je eigen oog, dan zul je de splinter uit het oog van de andere kunnen verwijderen’. Ziet u, lieve zusters en broeders, het gaat steeds over leerling zijn en blijven. Laten we bescheiden blijven. Wees tevreden met het goede dat je zelf doet als mens die God hebt leren kennen. “Een goede boom brengt geen zieke vruchten voort’. Kijk naar wat je zelf voor goeds voortbrengt. Schep daar voldoening uit. Verhef je niet  boven anderen, want dan ben je verkeerd bezig. Dan moet je als leerling terug naar het begin, naar de kern. Ken je eigen hart.
Vaak denken we te kunnen oordelen wat er leeft in het hart van anderen. Maar we kennen onszelf niet eens. Waarom denken we de gedachten die we denken? Waarom doen we de dingen die we doen? Als je het goede denkt en doet, dan ben je daar zo vol van dat het uit heel je doen en laten blijkt: ‘waar het hart vol van is, loopt de mond van over’. Waar is jouw hart vol van? Vraagt Jezus ons. Waar loopt jouw mond van over?” Je wilt toch begrijpen wat God met jou voorheeft. Je wilt toch groeien als kind van God.
Onze Vader in de hemel vraagt niet van je dat je je meet met anderen. Hij vraagt van ons of we persoonlijk verlangen zijn weg met ieder van ons – de weg van hoop, geloof en liefde – te ontdekken. Met ieder van ons zoals wij zijn.  En dat wij ons in zijn liefde voor ons verheugen, en dat we trouw blijven aan onze roeping om leerlingen te zijn van Jezus Christus. Begrijpen en groeien. Dat is ons verlangen. Niets staat ons in de weg als we bescheiden blijven, en geen stappen overslaan. Het is genoeg als we levenslang leerling durven te blijven samen met alle anderen.  Kijk eens om je heen. Je bent niet alleen.  U en ik, wij allemaal zijn leerlingen. En ‘waar het hart vol van is, stroomt de mond van over” Amen

(c) Martin Los

Schriftlezingen op deze 8e gewone zondag door het jaar volgens het lezingenrooster van de r.k. kerk voor zon- en feestdagen:
Evangelielezing: Lucas 6:39-45