Homilie op het Hoogfeest van Onze Lieve Vrouw ten Hemelopneming 15 augustus 2013

Preek op het Hoogfeest van Onze Lieve Vrouw ten Hemelopneming  15 augustus 2013
in de Mariakerk of Onze Lieve Vrouw ten Hemelopneming-kerk in De Meern
1e lezing Openbaring van Johannes 11:19a en 12:1-6a, 10ab 2e lezing 1e Brief aan de christenen van Korinthe 15:20-26
Evangelie: Lucas 1:39-56

Feestvierende zusters en broeders, we eren vandaag onze moeder, de moeder van alle gelovigen, Maria, maar allereerst de moeder van de Heer.
We eren haar alleen al door onze aanwezigheid op dit feest. Maar hoe kunnen we Maria nog meer eren?
1. Door vol vreugde te zijn om haar. 2. En door stil te staan bij de eer die zij van God ontvangen heeft. 3. En verder door haar beeld altijd in ons hart te dragen.

Waarom eren we Maria door verheúgd te zijn? Omdat zij zelf die vreugde opwekt.
We horen vandaag van de vreugdevolle ontmoeting van Maria en Elisabeth. En Elisabeth roept uit: “zie zodra de klank van uw groet mijn oor bereikte, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot”.
Niet alleen Elisabeth is verheugd, maar ook het ongeboren kind in haar schoot, is verheugd door de ontmoeting met Maria.
En Maria zélf is vol van vreugde: “Mijn hart prijst hoog de Heer, van vreugde juicht mijn geest om God, mijn redder”.
Maria is zelf vol vreugde. Ze wekt vreugde op bij iedereen die zij ontmoet. Haar naam alleen al maakt velen blij. Dus wij eren haar door zelf blij te zijn om haar en met haar.

Overal waar we ons in de nabijheid van Maria plaatsen, heerst een sfeer van vreugde.
Het christelijk geloof is wezenlijk een blij geloof.
In het bijzonder het katholieke geloof, het geloof van de moederkerk, wordt een  “blij geloof genoemd”. En dat is het ook.
Dat komt niet omdat wij katholieke gelovigen uit onszelf nou toevallig zulke vrolijke mensen zijn. Maar we komen in onze kerken en huizen overal Maria tegen. Zíj wekt die vreugde in ons.
En als ik ’s morgens mijn kleren aangetrokken heb, voel ik even in mijn zak of ik ook de etui met de rozenkrans voel.
Met Maria wordt ons geloof een tastbaar geloof. Het blijft niet steken in een overtuiging die hoe juist ook, zonder gevoel en warmte is. Door Maria voelen we ons in ons geloof thuis.

En waarom is Maria in staat ons allen blij te maken? En waarom is zij in de eerste plaats zélf ook blij? Omdat zij de moeder van de Verlosser mocht worden. Dat is voor een mens de hoogste en unieke, onherhaalbare eer die er is. Moeder mogen zijn van Hem die de wereld verlost en terug brengt bij God. Daardoor zegt zij: “van vreugde juicht mijn geest”.

En dat is geen voorbijgaande vreugde. Integendeel. Want Maria die haar zoon mocht baren, was ook getuige van zijn kruis en opstanding.
Aan de voet van het kruis staat ze als Jezus haar aan Johannes geeft als een moeder en Johannes aan haar als zoon. Johannes die drie dagen later als eerste van de apostelen bij het graf aan komt dat leeg is. Johannes die als eerste begrijpt dat Jezus is opgestaan.
Hij heeft zonder twijfel die boodschap onmiddelijk aan Maria overgebracht. Zij was nu immers zijn moeder en de moeder van alle gelovigen.
Hoewel nergens uitdrukkelijk verteld wordt, dat de verrezen Heer ook verscheen aan Maria, zijn moeder, mogen we gerust aannemen dat hij onder de velen aan wie hij verscheen, ook aan haar verschenen  is.
Zo is zij ook de moeder van de Verrezen Heer die met het lichaam dat hij uit haar ontvangen had, in zijn verheerlijking verrezen is.

We eren dus Maria door te delen in de vreugde die van haar uitgaat.
Maar we eren haar ook stil te staan bij de eer die zij van God ontving. De eer die zij van haar zoon ontving.
Christus had Maria boven alle vrouwen geëerd door haar uit te kiezen als zijn moeder.
Nu zou hij haar ook eren door haar als boven allen te laten delen in zijn verheerlijking..
“Allen zullen in Christus herleven. Maar ieder in zijn eigen rangorde: als eerste en voornaamste Christus. Vervolgens bij zijn komst, zij die Christus toebehoren” (1e lezing)
Wie behoort er meer aan Hem toe dan Maria, zijn moeder door haar geloof?! Dat vieren we vandaag met groet vreugde.

Daarmee is de ten Hemelopneming van Maria ook een belofte aan ons allen die geloven. Maria is niet een ongenaakbare hemelgodin, maar de eenvoudige, bescheiden, maar sterke vrouw uit het Evangelie. Dat is niet veranderd met haar ten Hemelopneming. Dat is juist bekroond.
Zo is zij een belofte dat wij mogen delen in haar ten hemelopneming. Dat ons aardse bestaan ook eens doorstraald mag zijn van Gods heerlijkheid zoals Maria. En wat is die heerlijkheid anders dan dat wij helemaal op mogen gaan in de liefde van God. Dat we ons zelf eens helemaal mogen zien met de ogen van Gods liefde en dat we ook elkaar zo mogen zien.

Maria heeft ons alleen in haar hart meegenomen naar de hemel. Daar in de hemel staat haar leven staat als een krachtige voorspraak voor God: want het is haar vurige bede dat ook wij die in haar Zoon geloven, samen met haar eens God mogen zien van aangezicht tot aangezicht.

We eeren wij Maria door te delen in de vreugde die in haar is. En we eren haar door ons te verheugen in de eer die van God ontvangen heeft. De eer waarin zij op haar beurt zich verheugde door te zingen: “vanaf nu zullen alle geslachten mij zaligprijzen”.

En tenslotte eren we Maria door haar in ons hart te koesteren als een leidende kracht in ons eigen leven. En als verbindende kracht. Want als we door haar ten hemelopneming haar zien stralen in de hemel, zullen we verlangen net als zij als een kind van God te leven en het leven mooi te maken. En we zullen verlangen om dat samen te doen als kinderen van één huisgezin, al mensen die elkaars broeders en zusters zijn, en niet elkaars vijanden of concurrenten.
Het kan niet anders of Maria brengt omdat zij “vol van Gods genade”is het beste in ons boven. Het verlangen om Jezus onvoorwaardelijk lief te hebben en te volgen. Een geest van spontaniteit en kindschap om vol vertrouwen te leven. Een geest van hartelijkheid naar anderen om hen zonder reserve te dienen.

We leven in een tijd waarin tallozen zich afvragen wat de zin van het leven is. We zien veel mensen die zonder hoop zijn en het eigenlijk niet meer zien zitten. Niet omdat het ons hier zo slecht gaat. Maar omdat velen niet meer weten waarvoor ze leven.
In dat klimaat steek cynisme gemakkelijk de koop op. En egoisme. En haat en geweld. Ze maken kapot al wat mooi is. Het werp soms zijn schaduw over onze wereld als een monster van de “grote draak met zeven koppen en tien horens” waar tegen niets bestand lijkt.
Maar we zien dat de vrouw en haar kind veilig zijn voor die negatieve macht door de beschermende hand van God. Zo mogen ook wij weten dat onze liefde niet tevergeefs is, niet verdwijnt in een zwart gat, ook al lijkt soms het goede en mooie wat we doen voor niets.
Juist Maria liet zich door tegenslag en verdriet niet van haar weg afbrengen. Ze bleef vertrouwen op haar Zoon en op de genade van God
En terecht. Nu is zij de grootste schat in de schatkamer van God die de hemel is.
Dat geeft ons ook de kracht om zelf ook vol te houden. Want aan Maria zien we dat niets ons kan scheiden van de liefde van God.
Die schat in de hemel bij God, Maria, is ook de schat in onze harten. Met Maria in ons hart, hebben wij altijd ons “hart omhoog bij de Heer in de hemel”. En als onze hart daarboven volgt de rest ook. Amen.

(c) Martin Los

Homilie op de 19e gewone zondag 10/11augustus 2013 Willibrordkerk en Mariakerk

Preek op de 19e zondag door het jaar in de Willibrordkerk te Vleuten 10 augustus 20 en in de Mariakerk De Meern 11 augustus 2013
1 lezing: Wijsheid 18:6-9  2e lezing Hebreeënbrief  11:1-12  Evangelie: Lucas 12:32-30

Lieve zusters en broeders, in mijn kindertijd waren mensen die niet geloofden een uitzondering, in elk geval die daar openlijk voor uitkwamen. In vijftig jaar tijd lijkt de situatie omgekeerd. Mensen die geloven lijken zeldzaam te worden. Of in elk geval zij die daar openlijk voor uitkomen. Ben je als gelovige straks een vreemdeling? En wordt je door anderen ook als een vreemde eend in de bijt aangekeken?

Ik kom de laatste tijd in de media een nieuw woord tegen dat ons als gelovigen aan het denken zet. Het woord “christengekkies”. Mannen en vrouwen die in de ogen van anderen te nadrukkelijk voor hun geloofsovertuiging  uitkomen, worden in sommige media getypeerd als “christengekkies”. Ze worden als onverdraagzaam aangeduid omdat ze een andere overtuiging hebben en daar voor uit komen.
Inderdaad zijn er helaas christenen die met grimmige gezichten en spandoeken lopen en die zich weinig verdraagzaam en liefdeloos gedragen naar anderen. Daar distantiëren we ons daarvan. Terecht.
Maar het is de vraag of wij die ons verdraagzaam opstellen en ons liefdevol gedragen, niet over één kam geschoren worden met die ‘gekkies” als we vanuit ons geloof opkomen voor bepaalde waarden die gebaseerd zijn op ons geloof.

Hebben de mensen die ons een beetje voor gek verklaren ómdat we geloven, gelijk? Zijn wij als kinderlijk gelovige mensen inderdaad een beetje vreemd of niet?
En dúrven we anders dan anderen te zijn. Niet omdat we eigenwijs zijn, of a-sociaal, maar omdat we in ons hart geroepen zijn door een stem? De stem van God?

In de eerste lezing uit het boek van de Wijsheid wordt teruggekeken naar de tijd dat het volk Israel in slavernij verkeerde in Egypte. Slavernij is een voor een volk een grote vernedering. Maar, zo horen we: “ze konden vol vreugde de vervulling verwachten van de beloften waarop ze vertrouwden”.
Ze waren slaven en toch waren ze vol vreugde. Niet omdat ze het zo goed hadden, maar omdat ze vertrouwden..
En waarop vertrouwden ze? Op beloften. Dus niet op iets wat ze in handen hadden of wat voor iedereen zichtbaar was. Nee, ze waren vol vreugde en vol verwachting omdat ze vertrouwden op beloften. Belofte van God. Daardoor waren ze vreemd in de ogen van anderen.

Het is dus niet zo nieuw dat gelovigen op hun omgeving vreemd overkomen. Het is eerder normaal. Als gelovigen leven we van Gods beloften. Niet op grond van wat iedereen kan zien. Nee, een belofte is altijd onzichtbaar. Bij een belofte heb je niks in handen, behalve die belofte. Die belofte van God is voor gelovigen meer dan alles wat zichtbaar.
Dat bedoelt Jezus met  ”Verwerft een onuitputtelijke schat in de hemel” en “waar uw schat, daar zal uw hart zijn”

Ook in de Tweede lezing wordt teruggeblikt op het verleden. Op Abraham, de vader van alle gelovigen, op Sara en op vele anderen. :Door het geloof” zo staat er “heeft Abraham als vreemdeling vertoefd in het land dat hem beloofd was”.
Door zijn geloof was hij een vreemdeling. Niet door kleding of beroep of afkomst of huidskleur. Nee, door zijn geloof.
Abraham, Sara, hun zoon Izaak, hun kleinzoon Jakob, ze waren anders dan anderen omdat ze geloofden. Ze vertrouwden op de belofte van God. Op wat niet zichtbaar was.
Daarom zo staat er “hebben zij zichzelf vreemdelingen en passanten op aarde genoemd”. 

Het is dus eerder normaal dat tegen gelovigen wat vreemd wordt aangekeken. En dat ze  ook in eigen ogen vreemd zijn. Want geloof is altijd gebaseerd op de belofte van God. Op die vreemde stem in ons die ons roept om niet te kijken naar wat voor ogen is, en daar ons leven op te baseren, maar op de belofte van God, die vreemd onrust in ons hart die maakt dat we het gevoel hebben vreemdelingen en doortrekkers te zijn.

We zijn als gelovigen in zekere zin altijd vreemdelingen. Niet omdat we onze medemensen mijden. Integendeel. We willen juist iets betekenen voor onze medemens. Maar we vertrouwen op de belofte van God. We kijken naar voren. We verwachten iets wat onzichtbaar is: het koninkrijk van God.
Ja, het geloof zegt ons dat we daar pas echt thuis zijn. Dat koninkrijk is ons vaderland. Daar komen we eigenlijk vandaan.
“Weest niet bevreesd, kleine kudde” zegt Jezus “het heeft uw Vader u behaagd het koninkrijk te schenken”. Maar,  zo zegt Jezus voor Pilatus: “mijn koninkrijk is niet van deze wereld”

Dat we vreemdelingen zijn door het geloof, daaraan worden we ook herinnerd door een woord dat we heel goed kennen: parochie. Parochie betekent letterlijk: bijwoning. Als christenen wonen we te midden van de mensen die hier wonen en leven. Maar hoezeer we ons ook ergens thuis voelen, we beseffen dat we nog onderweg zijn naar het rijk van God, onderweg naar de vervulling van Gods beloften. Daarom zijn we in zekere zin vreemdelingen, of we dat leuk vinden of niet. En of we met velen zijn of niet.

We hoeven er dus niet over in te zitten, dat men ons een beetje vreemd vindt. Het is geen reden om tobberig te doen.
Dat we vreemdelingen door ons geloof zijn mag juist blijken uit de vreugde die we kennen. Want we weten dat God het laatste woord heeft over ons leven. We zijn altijd vervuld van hoop en vertrouwen. En als we het een keer niet zijn, dan wekken anderen ons weer op. Daarom is het ook zo belangrijk dat we samenkomen zoals vandaar in de eucharistie.

De neiging van sommige christelijke groeperingen om zich terug te trekken uit de wereld, omdat men zich vreemdeling voelt en onbegrepen, is niet juist. Want de belofte van God waaruit wij leven, is juist de belofte die we aan de mensen verkondigen. Een belofte die ons niet vervult van angst, maar van vreugde. En blije mensen zijn open mensen. Ze willen andere laten delen in hun vreugde. En ze willen delen in verdriet en vreugde van anderen.
En we hebben alle reden om dat met vreugde te doen, want de belofte van God is een prachtige boodschap.

En dat wij vreemdelingen zijn door het geloof houdt niet in dat we ons heel anders kleden, of door allerlei andere uiterlijke dingen.
We zijn vreemden door het geloof en door niets anders. We zijn vreemden omdat we vanuit het geloof oprecht liefhebben, en niet alleen elkaar als gelovigen die met elkaar vreemdelingen zijn, maar ook onze naaste.
We zijn vreemdelingen omdat we door het geloof zoveel te bieden hebben. We zijn altijd vervuld van hoop. We zien altijd lichtpunten. We hebben altijd aanleiding om anderen te helpen.
Als vreemdelingen mogen we laten zien wat het betekent burgers van het koninkrijk van God te zijn. Ons leven mag een uitnodiging aan anderen zijn, om ook op de belofte van God te gaan vertrouwen.

Het is beslist niet zo, dat wij, als gelovigen, altijd overal tegen zijn, zoals anderen ons in de schoenen schuiven. We zijn niet geen mensen die altijd “nee”zeggen. We zeggen volmondig ja: “ja”, ja tegen het leven, ja tegen liefde, ja tegen God. En van daaruit moeten we soms “nee”zeggen

En is het dan erg als men ons daarom voor een beetje gek verslijt? Er is geen reden om ons daaraan te ergeren. Het is veelmeer reden om blij en trots te zijn dat men in ons iets herkent wat vreemd en onherleidbaar is, wat puur gebaseerd is op de belofte van God.

Veel erger is het wanneer men ons niet meer vreemd vind. Dan moeten we ernstig nadenken. Want zou de reden daarvan kunnen zijn dat we als christenen onherkenbaar geworden zijn?
Dat we lauw geworden zijn? Dat we geen vreugde meer uitstralen? Dat we in geen enkele opzicht meer het verschil maken?  “Gelukkig de dienaren die de Heer bij zijn komst wakende zal vinden”  houdt Jezus ons voor in het Evangelie vandaag.

Als we dat niet doen, als we niet het verschil durven maken, doen we niet alleen ons zelf tekort, maar ook onze omgeving. Want waarom  zijn we vreemdelingen gemaakt door het geloof? Om ambassadeurs van het rijk van God te zijn! Om tot zegen te zijn van onze omgeving en van heel de wereld. Boden van de vreugde. Vreemd ja, vreemd in de ogen van anderen, vreemd ook in de ogen van onszelf, vreemd………..maar mooi! Amen