Gewoon anders

Preek op de 7e zondag door het jaar op 22/23 februari 2020 in  Mariakerk en Willibrordkerk

“Weest volmaakt zoals uw vader in de hemel volmaakt is” zo besluit Jezus zijn onderwijzing aan de leerlingen en de om hen heen verzamelde menigte 1). Het rijmt op woorden die ze allemaal wel kenden uit het oude boek Leviticus waar God zegt tot zijn volk: “Weest heilig want Ik, de Heer ben heilig” 2).
“Weest volmaakt….Weest heilig” deze woorden zijn bedoeld als aanmoediging, als een belofte, een nieuw perspectief. Maar ze schrikken ons mogelijk méér af dan dat ze ons hart sneller doen kloppen. Misschien denken we wel: “dit gaat vast niet over mij maar over anderen voor wie zoiets wel is weggelegd, en die veel beter zijn dan ik”.
De oorzaak van die teleurstelling kan zijn dat we een bepaald beeld hebben van mensen die in onze ogen volmaakt zijn of die naar ons idee heilig zijn. Soms hebben we dat beeld al in onze kindertijd meegekregen, en hebben toe al gedacht: “zo zou ik wel willen zijn, maar dat zal mij nooit lukken”. Of je bent teleurgesteld omdat mensen die in jouw ogen echte heiligen waren “schijnheiligen” bleken te zijn waardoor je vertrouwen in vroomheid verdwenen is
Maar als Jezus zijn volgelingen een leven belooft waarin ze volmaakt zullen zijn, vraagt hij niet dat ze een kopie van anderen moeten zijn. Van heiligen uit de geschiedenis van de kerk of uit de eigen tijd. Iedereen mag op eigen manier en binnen hun eigen mogelijkheden heilig en volmaakt zijn.
De jongere generatie kijkt vaak op tegen de ouders of de grootouders die vrome biddende mensen waren. Ze denken: “het lukt mij nooit zo gelovig als mijn ouders en grootouders te zijn”. Maar we hoeven geen kopieën van een oudere generatie te zijn. Het voorbeeld van anderen kan ons zeker stimuleren en het voorbeeld van anderen is ook zeker stof tot nadenken. Maar we mogen elk op onze eigen manier proberen met Gods belofte aan de slag te gaan. We mogen creatief zijn. De één zal uitblinken in  vriendelijkheid, de ander in standvastigheid, weer een ander in gebed en weer anderen in ideenrijkdom. De vraag is: “Waar ben jij goed in om als een kind van God te leven?” Concentreer je daar op. Wees daar blij mee. Wijd je hart aan Jezus toe en volg je hart.
Verder is belangrijk dat we die volmaaktheid of heiligheid niet moeten zien als een persoonlijke kwaliteit die de een wel heeft en de ander niet,, een soort banktegoed dat je opbouwt, en waar je mee voor de dag kunt komen. Heiligheid en volmaaktheid zijn geen privédeugden. Onze heiligheid als volk van God, is geworteld in de heiligheid van God, en onze volmaaktheid als christenen is onze eenheid met Jezus. Heilig betekent dat we aan God toebehoren. Dat we door Hem geheiligd zijn. “Weet ge niet dat ge Gods tempel zijt en de Geest van God in u woont?” 3) zegt Paulus in dit verband.
Als we beseffen dat God in onze harten woont, en als we koesteren dat Jezus ons aan zich verbonden heeft door zijn leven voor ons te geven, dan ligt de wereld aan onze voeten als materiaal om God te dienen. Elke situatie. Voorspoed maar ook tegenspoed. Dan zijn we echt vrij om alles zo te gebruiken zoals God het bedoeld heeft.
“Slaat iemand u op de rechterwang, keer hem dan ook de andere toe”. Als je niets misdaan hebt, kun je met opgerichte hoofde verder leven. Je bent vrij om niet terug te slaan. Wordt geen onderdeel van een eindeloze kettingreactie. Je staat “erboven” omdat je een kind van God wilt zijn. “Daagt iemand jou voor de rechter en claimt jouw onderkleed. Geef hem ook je bovenkleed” Daarmee laat je zien dat je geen slaaf bent van je bezit, en dat daar jou geluk en leven niet van afhangt.
“Groet niet alleen uw broeders, dan doe je niets bijzonders want dat doen ook de mensen van de wereld”. Het feit dat we met bekenden en vrienden verbonden zijn, wil niet zeggen dat anderen lucht voor ons zijn. We gunnen hen ook het licht van de zon. Ook al hebben mensen anderen gewoonten en manieren, wil dat niet zeggen dat we geen medemensen zijn. In onze samenleving staan mensen tegenover elkaar door culturele en politieke verschillen. Laten we daar als christenen niet aan mee doen. Als we anderen mensen niet groeten of niet willen ontmoeten omdat ze anders zijn of omdat we het misschien ons eens zijn, dan zijn we niet echt vrije mensen. Juist aan vrije mensen die boven de partijen staan, is in onze tijd grote behoefte willen we niet vervallen in een samenleving die uiteenvalt. Een maatschappij waarin men elkaar niet kent, wantrouwt, en bedreigt. Als christenen kunnen we bruggenbouwers zijn
Heiligheid en volmaaktheid betekenen dus niet dat we nooit fouten zullen maken of nooit iets verkeerds doen. Het is een houding die past bij mensen die vrij gemaakt zijn door hun geloof in Jezus en die Gods rijk verwachten.
Daar is echt nog een wereld te winnen. Amen

Martin Los

Schriftlezingen voor deze 7e gewone zondag volgens het r.k. lectionarium voor zon- en feestdagen:
1) Evangelie: Mattheus 5:38-54
2) 1e lezing: Leviticus 19:1,2 en17,18
3) 2e lezing: I Korintiërs 3:16-23

afbeelding: Love, (Alexander Milov)

vlak het zout niet uit

Preek op de 5e zondag door het jaar 8 februari 2020 Mariakerk en Willibrordkerk

“jullie zijn het zout der aarde” zegt Jezus tot de verbouwereerde mensen die aan zijn voeten zitten 1). Ze hebben altijd gehoord dat ze er eigenlijk niet toe deden als ongeletterde mensen. Hardwerken, kinderen krijgen en vroeg of laat sterven. Dat was hun lot.
Nu horen ze plotseling uit de mond van die jongeman van dertig jaar: “jullie zijn het zout der aarde”. De smaakmakers van deze wereld. Dat raakt hen. Het verwarmt hen. Ze voelen een verlangen in zich boven komen. Ze worden enthousiast.
‘Maar als het zout zijn kracht verliest, deugt het nergens meer toe” vervolgt Jezus.
Wij zijn niet minder geraakt door deze woorden van onze Heer, dan de menigte tweeduizend jaar geleden. Deze woorden doen ons wat. Ze geven ons moed om het te wagen met de boodschap van Jezus. Ondanks dat het aantal mensen dat zich in ons land christen noemt nog jaarlijks afneemt. Ondanks dat velen ons niet begrijpen.
Het mooie van zout is, dat het niet afhankelijk is van de hoeveelheid. Een klein beetje kan smaak geven aan een hele maaltijd. We moeten ons geen zorgen maken over de hoeveelheid medegelovigen, maar we moeten ons wel afvragen of wij zelf werkelijk als zout iets toevoegen. Als gemeenschap en als mens? Maakt het iets uit of er een kerk is in onze woonplaats? Maakt het iets uit of ik wel of niet geloof?
Als we zelf het gevoel hebben dat het niets uitmaakt, dan zijn we al smakeloos geworden. We kijken dan te veel naar onszelf en onze beperkingen. En luisteren te weinig naar de Heer die zegt: “jullie zijn het zout der aarde”. Want dát woord heeft nog niets van zijn kracht verloren en zál ook niets van zijn kracht verliezen.
We moeten gewoon doorgaan met wat we doen. Als oprechte christenen proberen te leven zonder naar de resultaten te kijken. Zout is zout. Het doet zijn werk. Punt uit.
We kunnen onze smaak niet verloochenen. Daarvoor is God ons veel te kostbaar. Daarvoor is Jezus ons veel te lief. Daarvoor is de kerk ons te  veel waard. We zouden ze voor geen goud ter wereld willen missen. Daarvan getuigen we door ook vandaag samen te komen om ons te laten bemoedigen en om het leven met Jezus samen te delen in de eucharistie.
Toch is het wel nuttig om te begrijpen waaróm in onze tijd en in ons deel van de wereld het christelijk geloof het moeilijk heeft. Dat is niet onmiddellijk alleen het gevolg van onwil, onverschilligheid, of zelf het werk van de satan. Met zo’n oordeel maken we het onszelf iets te gemakkelijk. Met alleen maar veroordelen verliezen het zout dat we mogen zijn, zijn smaak. We worden zelf smakeloos. En dat is de dood in de pot.

Dus toch maar even stil staan bij de oorzaken van de moeite die het geloof heeft in onze tijd.
Eeuwenlang werd de kerk gevormd uit de kinderen die gedoopt waren, hun eerste communie en vormsel deden, trouwden en weer kinderen kregen. Generaties gingen voorbij, generaties kwamen. Men was van de wieg tot het graf vertrouwd met de kerk. Men vroeg zich niet af of men geloofde. Je deed het gewoon. Al of niet met overtuiging. Dat is in onze tijd grondig veranderd. Geloof is geen gewoonte of verplichting meer, maar een keuze. Een keuze te midden van vele alternatieven.
We zien jongeren die gedoopt zijn, communie en vormsel hebben gedaan en misschien nog deel namen aan de tienergroep hun weg door het leven zoeken. Vaak studeren ze in een andere plaats. Bijna niets staat vast voor ze. De weg naar de volwassenheid duurt veel langer dan vroeger toen je verkering kreeg en een baan. Vroeger was je gelovig als je deel uit maakte van de gemeenschap waarin je was opgegroeid. Nu groei je op in een tijd waarin mensen die je kent de kerk verlaten. Wat doet dat met je? Nu ben je op je dertigste nog bezig met de vraag: wie ben ik? Dat maakt dat veel jongeren niet durven zeggen dat ze gelovig zijn. Want als je zegt: “ik geloof” moet je wel weten wie die “ik” is.
Vanuit die onzekerheid kijken jongeren ook kritisch naar instituten zoals pubers naar hun ouders. Is de kerk wel betrouwbaar. Menen al die christenen wel wat ze zeggen?

Een Engelse onderzoekster nodigt op grond van haar onderzoek onder millenials, jongeren rond de dertig ons als medegelovigen en als kerk uit om open te staan naar de jongeren *).
Ze doet vier aanbevelingen: leg in de eerste plaats niet de nadruk op het geloof als kantenklare leer. Maak geloven zichtbaar en ervaarbaar door het geloof écht in praktijk te brengen. Ten tweede: ga het gesprek met de jongeren aan. Neem de tijd om samen over diepere dingen in het leven te spreken. Wat zij waardevol vinden. Kom niet meteen met antwoorden of hoe het moet. Laat zien dat jezelf ook vragen hebt, maar dat geloof je echt helpt.
Op de derde plaats: laten we werken aan de kerk als gemeenschap, een hartelijke familie. Veel jongeren zijn alleenstaand. Hebben geen familieleven. De hartelijkheid en de warmte binnen een echte geloofsgemeenschap kan een nieuw thuis voor hen zijn waarin de liefde van Christus voelbaar en zichtbaar is. Tenslotte: jongeren zijn idealistisch. Ze willen ergens voor gaan. Denk maar aan hun inzet voor klimaat en milieu. Laten we als kerk ook idealen hebben waar we voor staan, waar we om zo te zeggen alles voor over hebben.
Door deze vragen aan onszelf te stellen als een soort warenonderzoek naar de kwaliteit van het zout der aarde, gaat er weer iets prikkelen in ons en onze gemeenschap.
Door dit zelfonderzoek neemt ons eigen geloof weer in kracht toe. We zien het platgezegd ‘weer helemaal zitten”.
Want  ‘jullie zijn het zout der aarde” is niet tegen dovenmansoren gezegd. Er is er namelijk maar één die dit zegt en weet wat Hij zegt: Jezus onze Heer. Amen

(c) Pastoor Martin Los

1) Evangelielezing voor de Mis op de 5e zondag door het jaar 9 februari 2020: Mattheus 5:13-16
*) Ruth Perrin
afbeelding: The Sermon on the Mount Beryl Lewis (b.1939) Tulllie House museum and art gallery

Tullie House Museum and Art Gallery