Homilie op de 19e gewone zondag 10/11augustus 2013 Willibrordkerk en Mariakerk

Preek op de 19e zondag door het jaar in de Willibrordkerk te Vleuten 10 augustus 20 en in de Mariakerk De Meern 11 augustus 2013
1 lezing: Wijsheid 18:6-9  2e lezing Hebreeënbrief  11:1-12  Evangelie: Lucas 12:32-30

Lieve zusters en broeders, in mijn kindertijd waren mensen die niet geloofden een uitzondering, in elk geval die daar openlijk voor uitkwamen. In vijftig jaar tijd lijkt de situatie omgekeerd. Mensen die geloven lijken zeldzaam te worden. Of in elk geval zij die daar openlijk voor uitkomen. Ben je als gelovige straks een vreemdeling? En wordt je door anderen ook als een vreemde eend in de bijt aangekeken?

Ik kom de laatste tijd in de media een nieuw woord tegen dat ons als gelovigen aan het denken zet. Het woord “christengekkies”. Mannen en vrouwen die in de ogen van anderen te nadrukkelijk voor hun geloofsovertuiging  uitkomen, worden in sommige media getypeerd als “christengekkies”. Ze worden als onverdraagzaam aangeduid omdat ze een andere overtuiging hebben en daar voor uit komen.
Inderdaad zijn er helaas christenen die met grimmige gezichten en spandoeken lopen en die zich weinig verdraagzaam en liefdeloos gedragen naar anderen. Daar distantiëren we ons daarvan. Terecht.
Maar het is de vraag of wij die ons verdraagzaam opstellen en ons liefdevol gedragen, niet over één kam geschoren worden met die ‘gekkies” als we vanuit ons geloof opkomen voor bepaalde waarden die gebaseerd zijn op ons geloof.

Hebben de mensen die ons een beetje voor gek verklaren ómdat we geloven, gelijk? Zijn wij als kinderlijk gelovige mensen inderdaad een beetje vreemd of niet?
En dúrven we anders dan anderen te zijn. Niet omdat we eigenwijs zijn, of a-sociaal, maar omdat we in ons hart geroepen zijn door een stem? De stem van God?

In de eerste lezing uit het boek van de Wijsheid wordt teruggekeken naar de tijd dat het volk Israel in slavernij verkeerde in Egypte. Slavernij is een voor een volk een grote vernedering. Maar, zo horen we: “ze konden vol vreugde de vervulling verwachten van de beloften waarop ze vertrouwden”.
Ze waren slaven en toch waren ze vol vreugde. Niet omdat ze het zo goed hadden, maar omdat ze vertrouwden..
En waarop vertrouwden ze? Op beloften. Dus niet op iets wat ze in handen hadden of wat voor iedereen zichtbaar was. Nee, ze waren vol vreugde en vol verwachting omdat ze vertrouwden op beloften. Belofte van God. Daardoor waren ze vreemd in de ogen van anderen.

Het is dus niet zo nieuw dat gelovigen op hun omgeving vreemd overkomen. Het is eerder normaal. Als gelovigen leven we van Gods beloften. Niet op grond van wat iedereen kan zien. Nee, een belofte is altijd onzichtbaar. Bij een belofte heb je niks in handen, behalve die belofte. Die belofte van God is voor gelovigen meer dan alles wat zichtbaar.
Dat bedoelt Jezus met  ”Verwerft een onuitputtelijke schat in de hemel” en “waar uw schat, daar zal uw hart zijn”

Ook in de Tweede lezing wordt teruggeblikt op het verleden. Op Abraham, de vader van alle gelovigen, op Sara en op vele anderen. :Door het geloof” zo staat er “heeft Abraham als vreemdeling vertoefd in het land dat hem beloofd was”.
Door zijn geloof was hij een vreemdeling. Niet door kleding of beroep of afkomst of huidskleur. Nee, door zijn geloof.
Abraham, Sara, hun zoon Izaak, hun kleinzoon Jakob, ze waren anders dan anderen omdat ze geloofden. Ze vertrouwden op de belofte van God. Op wat niet zichtbaar was.
Daarom zo staat er “hebben zij zichzelf vreemdelingen en passanten op aarde genoemd”. 

Het is dus eerder normaal dat tegen gelovigen wat vreemd wordt aangekeken. En dat ze  ook in eigen ogen vreemd zijn. Want geloof is altijd gebaseerd op de belofte van God. Op die vreemde stem in ons die ons roept om niet te kijken naar wat voor ogen is, en daar ons leven op te baseren, maar op de belofte van God, die vreemd onrust in ons hart die maakt dat we het gevoel hebben vreemdelingen en doortrekkers te zijn.

We zijn als gelovigen in zekere zin altijd vreemdelingen. Niet omdat we onze medemensen mijden. Integendeel. We willen juist iets betekenen voor onze medemens. Maar we vertrouwen op de belofte van God. We kijken naar voren. We verwachten iets wat onzichtbaar is: het koninkrijk van God.
Ja, het geloof zegt ons dat we daar pas echt thuis zijn. Dat koninkrijk is ons vaderland. Daar komen we eigenlijk vandaan.
“Weest niet bevreesd, kleine kudde” zegt Jezus “het heeft uw Vader u behaagd het koninkrijk te schenken”. Maar,  zo zegt Jezus voor Pilatus: “mijn koninkrijk is niet van deze wereld”

Dat we vreemdelingen zijn door het geloof, daaraan worden we ook herinnerd door een woord dat we heel goed kennen: parochie. Parochie betekent letterlijk: bijwoning. Als christenen wonen we te midden van de mensen die hier wonen en leven. Maar hoezeer we ons ook ergens thuis voelen, we beseffen dat we nog onderweg zijn naar het rijk van God, onderweg naar de vervulling van Gods beloften. Daarom zijn we in zekere zin vreemdelingen, of we dat leuk vinden of niet. En of we met velen zijn of niet.

We hoeven er dus niet over in te zitten, dat men ons een beetje vreemd vindt. Het is geen reden om tobberig te doen.
Dat we vreemdelingen door ons geloof zijn mag juist blijken uit de vreugde die we kennen. Want we weten dat God het laatste woord heeft over ons leven. We zijn altijd vervuld van hoop en vertrouwen. En als we het een keer niet zijn, dan wekken anderen ons weer op. Daarom is het ook zo belangrijk dat we samenkomen zoals vandaar in de eucharistie.

De neiging van sommige christelijke groeperingen om zich terug te trekken uit de wereld, omdat men zich vreemdeling voelt en onbegrepen, is niet juist. Want de belofte van God waaruit wij leven, is juist de belofte die we aan de mensen verkondigen. Een belofte die ons niet vervult van angst, maar van vreugde. En blije mensen zijn open mensen. Ze willen andere laten delen in hun vreugde. En ze willen delen in verdriet en vreugde van anderen.
En we hebben alle reden om dat met vreugde te doen, want de belofte van God is een prachtige boodschap.

En dat wij vreemdelingen zijn door het geloof houdt niet in dat we ons heel anders kleden, of door allerlei andere uiterlijke dingen.
We zijn vreemden door het geloof en door niets anders. We zijn vreemden omdat we vanuit het geloof oprecht liefhebben, en niet alleen elkaar als gelovigen die met elkaar vreemdelingen zijn, maar ook onze naaste.
We zijn vreemdelingen omdat we door het geloof zoveel te bieden hebben. We zijn altijd vervuld van hoop. We zien altijd lichtpunten. We hebben altijd aanleiding om anderen te helpen.
Als vreemdelingen mogen we laten zien wat het betekent burgers van het koninkrijk van God te zijn. Ons leven mag een uitnodiging aan anderen zijn, om ook op de belofte van God te gaan vertrouwen.

Het is beslist niet zo, dat wij, als gelovigen, altijd overal tegen zijn, zoals anderen ons in de schoenen schuiven. We zijn niet geen mensen die altijd “nee”zeggen. We zeggen volmondig ja: “ja”, ja tegen het leven, ja tegen liefde, ja tegen God. En van daaruit moeten we soms “nee”zeggen

En is het dan erg als men ons daarom voor een beetje gek verslijt? Er is geen reden om ons daaraan te ergeren. Het is veelmeer reden om blij en trots te zijn dat men in ons iets herkent wat vreemd en onherleidbaar is, wat puur gebaseerd is op de belofte van God.

Veel erger is het wanneer men ons niet meer vreemd vind. Dan moeten we ernstig nadenken. Want zou de reden daarvan kunnen zijn dat we als christenen onherkenbaar geworden zijn?
Dat we lauw geworden zijn? Dat we geen vreugde meer uitstralen? Dat we in geen enkele opzicht meer het verschil maken?  “Gelukkig de dienaren die de Heer bij zijn komst wakende zal vinden”  houdt Jezus ons voor in het Evangelie vandaag.

Als we dat niet doen, als we niet het verschil durven maken, doen we niet alleen ons zelf tekort, maar ook onze omgeving. Want waarom  zijn we vreemdelingen gemaakt door het geloof? Om ambassadeurs van het rijk van God te zijn! Om tot zegen te zijn van onze omgeving en van heel de wereld. Boden van de vreugde. Vreemd ja, vreemd in de ogen van anderen, vreemd ook in de ogen van onszelf, vreemd………..maar mooi! Amen

homilie op de 17e zondag door het jaar 27/28 juli 2013

Preek op de 17e Zondag door het jaar 26/27 juli 2013 Willibrordkerk en Mariakerk (Leidsche Rijn, Vleuten, De Meern)
lezingen uit het r.k. lectionarium: Genesis 18:20-32, Kolosse 2:12-14, Evangelie:Lukas 11:1-13

“Heer, leer ons bidden” vraagt één van de leerlingen aan Jezus. Een duidelijke vraag van een leerling aan zijn meester.
En misschien ook wel onze eigen vraag wanneer we moeite hebben met bidden.
En wíe heeft dat soms niet?

“Maar is bidden dan iets dat je léren moet? Verstaat God je anders niet? Keert hij je de rug toe als je niet de goede woorden gebruikt?”
Nee, we kennen allemaal wel die mooie woorden uit de Psalm: “Heer, U doorgrondt mij en kent mij, U kent mijn zitten en opstaan, al van verre doorziet U mijn gedachten….. U bent vertrouwd met al mijn gangen. Geen woord komt over mijn tong of U kent het, Heer, U kent het volkomen.”

Onze harten zijn voor God een open boek. Hij weet wat in íeder van ons leeft.
Maar als dat zo is, waarom moeten we dan nog tot God bidden? Hij heeft onze gebeden eigenlijk helemaal niet nodig. En als God onze gebeden niet nodig heeft, waarom zouden we dan nog bidden. Waarom zouden we dan nog de vraag stellen: “Heer, leer ons bidden?”

Hier stuiten we op het fundamentele verschil tussen geloof in de levende God, Vader van onze Heer Jezus christus, en menselijke bedenksels als zelfbedachte godsbeelden en idolen “maaksels van mensenhanden, van hout en van steen, die niet zien of horen” (Deut.4).
Want “God, doorgrondt en kent ons”. Daarvoor is Hij God. Hij kent ons van binnen en van buiten. Hij heeft onszelf gemaakt. Door te bidden brengen we onszelf te binnen, dat we er niet alleen voor staan, maar dat God altijd en overal bij ons is. En dat wij kostbaar zijn in zijn ogen.

Door onze dagelijkse bezigheden, door onze aardse zorgen, door verdriet en tegenslag kunnen we God uit het oog verliezen
Maar telkens als we aan God denken en tot hem spreken, pakken we als het ware zijn hand vast.
Een mooie uitdrukking uit de bijbel over een mens die alles voor God in gebed voorlegt, is: “h(z)ij wandelde met God”.
Bidden brengt ons te binnen dat we samen op weg zijn door het leven met God.

Ons bidden is dus een geschenk van God aan ons. Dat alleen al vervult ons met vreugde en vertrouwen. Geeft niet hoe, geeft niet waar, in de stilte of in het openbaar.
Telkens als we bidden, is dat Gods geschenk aan ons.
Hij heeft zijn hand uit gestoken. Wij leggen onze hand in de zijne.
Door te bidden onderhouden we de vriendschap met God.

Doel van ons bidden is niet dat wij God veranderen en op andere gedachten brengen. Wijzelf worden er anders door. Bidden verandert ons leven. Bidden verandert onze kijk op de dingen. Bidden verandert onze beleving van de dingen, de goede en de kwade. Bidden verandert onszelf. Bidden brengt ons steeds dichter bij God

Maar bidden verandert ook onze omgeving. Dat blijkt op een adembenemende manier in het gesprek van Abraham en God over Sodom en Gommorah, de steden die model staan voor een door en door corrupte wereld
“Heer, wilt ge met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen. Misschien wonen er wel víjftig rechtvaardigen in de stad” zegt Abraham. Hier is niet een mens bezig God om te turnen. Hier is een mens die biddend tot de ontdekking komt hoe genadig God is.

Wanneer wij bidden doen we dat niet alleen voor onszelf, maar ook als leden van de samenleving, van de mensen temidden van wie we wonen en werken en geloven.
Wie oprecht bidt, verlangt ernaar het goede te doen. Wie oprecht bidt, wordt afgehouden van verkeerd is.
Maar dat niet alleen. We mogen door ons gebed ook voorkomen dat de samenleving aan zichzelf wordt overgeleverd en door het kwade overspoeld en onder gaat.

Omwille van het gebed van vijftig, van veertig, van dertig, van twintig houdt God de wereld in stand, ondanks al het kwade dat mensen elkaar aandoen.
Omwille van het gebed van zelfs maar tien krijgen alle mensen elke dag opnieuw een kans om berouw te hebben van het verkeerde en opnieuw te beginnen.
Door ons bidden délen we in Gods barmhartigheid en geduld.
Door ons bidden besturen we met Hem onze wereld.
Bidden behoort tot onze missionaire opdracht om de wereld in aanraking te brengen met de liefde van God.

En als we bidden, zijn we nooit alleen. Ook al zijn we alleen thuis of onderweg. We zijn door ons gebed verbonden met God, maar ook met elkaar.
Het is natuurlijk heel mooi wanneer we dat in gebed verbonden zijn ook zichtbaar mogen beleven. In het gebed thuis in het gezin en de familie. En ook in de kerk. Want de kerk is het huis van God, het huis van gebed.

Op de dag van de Heer, de zondag, komen we er samen om te bidden. Maar ook door de week is de kerk open voor gebed. In de Mariakapel waar dagelijks mensen binnenlopen. En er zijn mannen en vrouw die samen de rozenkrans bidden op zaterdagmorgen. Elke vrijdag tussen de middag is er een uurtje Stille Aanbidding. Donderdagavond de Mariagebedsgroep.
Laten we er alles aan doen dat onze kerken echt een huis van gebed zijn in de samenleving. Een ambassade van God in de wereld. Een plek waar zijn liefde en barmhartigheid elke dag voelbaar zijn.

Nog één laatste vraag. Als God onze harten kent en ons gebed niet nodig heeft, waarom gaf Jezus zijn leerlingen dan toch een gebed aan zijn leerlingen mee, een gebed dat je uit je hoofd kunt leren?
Dat deed hij niet omdat God anders niet naar ons zou luisteren. Nee, Jezus verbindt ons door dit gebed direct met zichzelf, want het is zijn gave aan ons. Het zijn zijn woorden die wij tot de onze maken. Daarom heet het ook “gebed des Heren”. Het gebed van de Heer die altijd zelf voor ons bidt in de hemel bij God.

En het bidden van het Onze Vader maakt allen die door Jezus in God geloven, telkens opnieuw bewust dat we in gebed als Gods kinderen verbonden zijn die zeggen: “Onze Vader die in de hemel zijt”.
Juist het Onze Vader moeten we bidden in het bewustzijn dat we dat elk moment samen doen met talloze anderen. Zoals een koor van ontelbare cicades in de pijnbomen dat ik op vakantie de hele dag door hoorde als loflied op de zomer. Zo mag van over de hele aarde het Onze Vader klinken als ons loflied op God.

En het Onze Vader herinnert ons er steeds aan dat we alleen echt kunnen bidden tot God als we niet alleen vragen om zijn liefde en vergeving voor onszelf. We moeten ook bereid zijn om dat aan elkaar te doen.

Daarom moeten we het niet gedachteloos bidden. Gedachteloos bidden komt voort uit die gedachte dat God ons bidden nodig heeft zoals je een kanariepietje zangzaad in zijn bakje doet. Nee, wíj hebben het bidden nodig: “vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven”.

Anders houdt God zich niet doof voor ons, maar dan is zijn boodschap van liefde bij onszelf tot dovemansoren gericht. Er verandert dan niets omdat wijzelf niet veranderen. En dat wijzelf veranderen, en niet God, is nou juist de bedoeling van ons gebed.

En omdat we allemaal zelf elke dag nog kunnen groeien in de liefde van God blijft de ene vraag altijd actueel: “Heer, leer ons bidden……………

(c) Pastoor Martin Los