Homilie Allerheiligenfeest 1 november 2013 Mariakerk De Meern

Homilie Allerheiligenfeest 1 november 2013 Mariakerk De Meern

voorgeschreven schriftlezingen voor dit feest uit het r.k. lectionarium voor zon- en feestdagen. 1e lezing: Openbaring van Johannes 7:2-4.9-14 2e lezing: I Johannes 3:1-3 en Evangelie: Mattheus 5:1-12a

Lieve zusters en broeders, overal in onze r.k. kerken zijn beelden van heiligen te zien. We zijn met ze vertrouwd. Ze horen bij ons en wij horen bij hen. We horen bij elkaar.
We zijn door de dood van elkaar gescheiden. Maar we zijn door de liefde van God en Jezus Christus met elkaar verbonden in een liefde die sterker is dan de dood.

Toch valt het op dat de heiligenbeelden niet rondom ons op de grond staan. We moeten wat omhoog kijken om ze te zien.
Op die manier wordt uitgedrukt dat de heiligen opgenomen zijn in de hemel, in de schatkamer van God. Daar waar geen pijn en beproevingen en onzekerheid meer zijn.

Zij zijn in de hemel en wij op de aarde. Toch horen we bij elkaar als huisgezin van God.
Want de kerk bestaat niet alleen hier beneden, maar ook hierboven. En dat zijn niet twee kerken. Er is een Kerk. Dat is de ene Kerk van Jezus Christus.
Het is goed om door de heiligenbeelden steeds zichtbaar daaraan herinnerd te worden.
Het maakt dat we vertrouwd blijven met de hoop dat wij eens bij hen mogen zijn als onze aardse taak volbracht is.

De heiligenbeelden staan dus niet zo hoog, om te vertellen: deze figuren zijn zulke ideale mensen,  deze personen zijn heilig, daar zul jij beneden nooit aan kunnen tippen. Nee, zij staan daar juist om ons te bemoedigen.
Want wie waren de heiligen? Ze waren mensen die eens op aarde leefden. Ze hebben ook beproevingen gekend. Ze hebben soms ook fouten gemaakt. Sommigen hebben zich bekeerd van een zondig leven.
Maar in allen is iets van Christus zelf zichtbaar geworden. In hen is de boodschap van het Evangelie vlees en bloed geworden. Ze mogen delen in de belofte van de Heer: “zalig de armen van geest want zij zullen het rijk van God beërven”.

Wie zijn armen van geest anders dan zij die geloven dat de genade en liefde van God groter en sterker zijn dan alles, groter dan wijzelf, groter dan onze zwakheden, groter dan onze zonden.
Daarom klappen wij op de feest niet alleen in de handen voor alle ontelbare heiligen, maar we klappen met hen in de handen voor God en zijn genade.
De beelden van de heiligen willen ons moed in spreken: “wij hebben vertrouwd op Gods genade. Zo zijn we de mensen geworden die we zijn. Vertrouwen jullie ook op Gods genade. Houd vol. Dan komt het goed”.

Die boodschap verkondigen niet alleen de beelden die in de kerken en kapellen te zien zijn, beelden van de officieel door de kerk erkende heiligen, maar ook de beelden in ons hart van familie en vrienden die veel voor ons betekenen door de manier waarop ze geleefd hebben, en aan wie we ons optrekken.

Omdat de heiligen in de hemel zijn opgenomen, staan zij op een verhoging in de kerk. Maar ze staan toch met hun gezicht naar ons toegekeerd.
Is dat niet vreemd, want in de kerk zijn we als biddende mensen toch allemaal op God gericht? Hoe komt het dan dat ze zijn afgebeeld met hun gezicht naar ons toe?
Inderdaad zijn allen in de hemel op God gericht, net als wij hier beneden. Maar zij zijn ook in God opgenomen.
Ze behoren helemaal tot de wereld van God en van het hemelse licht. Daarom komen ze als het ware van Gods kant nu naar ons toe om ons aan te sporen en welkom te heten in het rijk van God.
Aan dat rijk van God mogen ook wij nu al deelhebben door ons geloof, door onze hoop, en door onze liefde. We zijn er welkom als we ons laten leiden door de blijde boodschap van Jezus.
Ze staan op de uitkijken en ze heten ons welkom in hun kring hoewel we nog onderweg zijn

Wij zien nu nog alleen deze kant van het leven en van het aardse bestaan. Maar aan de heiligen in het licht kunnen we al zien dat er nog een andere kant is van ons leven, van ons leven hier en nu.
Eens zullen we die kant ervan mogen zien zoals het van God uit is. Zoals Johannes zegt: “vrienden, nu al zijn we kinderen van God, en wat wij zullen zijn is nog niet geopenbaard”
Inderdaad we leven van geloof. En iedereen kan ontkennen wat we geloven of zijn hoofd schudden. En we kennen zelf soms twijfel.
Maar vervolgt Johannes “wij weten dat wanneer het geopenbaard wordt, wij aan Hem gelijk zullen zijn”.

Geloof in de hemel, geloof in rijk van de heiligen in het licht, maakt niet dat we niet meer geïnteresseerd zijn in dit leven, en dat we alleen maar denken aan de hemel waar alle leed geleden is.
Dat werd mij laatste voor de voeten geworpen: door jullie aandacht voor de hemel en het eeuwig leven, zijn jullie onvoldoende gefocused op het leven op aarde met zijn onrecht en lijden.
Maar dat is niet waar. En juist de heiligen laten zien hoe zijn hun leven zelfs over gehad hebben om niet toe te geven aan onrecht. En velen hebben met enorme edelmoedigheid zich ingezet voor hun naasten.
Ons geloof in de hemel maakt juist dat we het hier volhouden om te vertrouwen op Gods genade, om de weg van het evangelie te gaan, van de navolging van Christus.

We zijn zoals ook paus Franciscus in zijn preek vandaag op dit feest onderstreept, wij zijn één familie als kerk en als gelovigen.
En in een familie help je elkaar en ben je blij met elkaar.
Wij zijn blij en dankbaar met de heiligen die al bij God zijn en zij helpen ons door hun voorbeeld.
We hebben juist in deze individualistische tijd waarin vele, met name ook jonge, mensen zich op zichzelf teruggeworpen voelen en angstig zijn, juist nodig te weten dat we door vele heiligen omgeven worden en dat we altijd bij hen thuis mogen zijn, voor al als we eenzaam zijn.
En ze zijn een teken van Gods bescherming doordat zij altijd om ons heen zijn en voor ons bidden dat wij ook onze weg mogen volbrengen, de weg van geloof in Jezus Christus en de overwinning van Gods liefde.
Laten we dus de hulp van de heiligen niet versmaden. Laten we niet doen alsof we er als gelovigen allen voorstaan. Zij staan om ons heen. Ze dragen bij aan de vreugde van ons geloof.
Het feest van Allerheiligen is het feest van saamhorigheid van de kerk hierboven en hierbeneden, van hen die al aangekomen zijn, en van hen die nog onderweg zijn. Het begin van het feest zonder einde. Amen

Pastoor Martin Los

homilie op de 30ste zondag door het jaar op zondag 27 oktober 2013 Mariakerk De Meern

Preek op de 30-ste zondag door het jaar in de Mariakerk
op zaterdag en zondag 25 en 26 oktober 2013
voorgeschreven lezingen voor deze zondag uit het lectionarium van de r.k. kerk voor zon- en feestdagen: 1e lezing Jezus Siracht 35:12-14.16-18  2e lezing 2 Timotheus 4:6-8, 16-18 Evangelie Lucas 18:9-14

Lieve zusters en broeders, Jezus wijst ons vandaag op het gevaar van de zelfgenoegzaamheid.
Hij doet dat in de mooie gelijkenis die we zo-even gehoord hebben: “Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden. De één was een Farizeeër en de andere een tollenaar”.

Farizeeën genoten groot aanzien. Ze gingen gekleed in fraaie gebedsmantels. Ze behoorden tot de elite die niet hoefden te werken voor hun dagelijks brood.
De tollenaar was niet uit zichzelf rijk, maar vergaarde zijn vermogen door belasting te heffen. Hij was vast ook goed gekleed. Maar hij genoot geen aanzien. En hij was zeker niet geliefd. Eerder gehaat.
In de tijd van Jezus en nog lang daarna was de het heffen van belasting een zaak die werd uitbesteed aan particuliere ondernemers. Die betaalden ervoor om de belasting te mogen innen, met de bedoeling om winst te maken. Ze leefden van de boetes die ze oplegden als mensen niet op tijd betaalden.

Beide mannen zijn op weg naar de tempel om te bidden. Voor de Farizeeër een dagelijkse gang. De tollenaar kwam misschien voor het eerst na lange tijd.
En bij het bidden blijft hij op een afstandje staan. Hij klopt op zijn borst en zegt:  God, wees mij zondaar genadig”. 
De man heeft alles wat zijn hartje begeert, maar het bevredigt hem niet. Hij weet dat nog rijker worden, nog meer parties geven, nog meer donaties schenken, hem niet zal helpen.
Niet alleen knaagt aan hem dat hij mensen afperst. Hij mist God. Hij mist de genade van God. Hij mist die liefdevolle blik van God die alles goed maakt. De liefde van God die meer waard is dan alle goederen van de wereld.
“God, wees mij zondaar genadig!” roept hij uit. En dàt gebed van de drempel van de tempel bereikt God want tegenover God toont de tollenaar zich als een arme bedelaar die ten einde raad is.
En zo is de tekst van Jesus Siracht ook op hem van toepassing: Het gebed van de arme dringt door de hemel heen totdat de Allerhoogste zich erbarmt

Als mensen hebben we allemaal dat knagende gevoel dat er iets aan ons ontbreekt. De dingen zijn af. De planten en de dieren ook op hun manier. Maar wij mensen zijn niet af. We zijn ons bewust van alles, van onszelf en ook van onze sterfelijkheid. Daarom dat vragende en soms knagende dat er iets aan ons ontbreekt.
Niet omdat wij andere mensen opzettelijk benadelen zoals de tollenaar. Maar een honger naar iets onbekends en onbestemds.
We proberen die honger te stillen door onszelf te trakteren op overvloedig eten en drinken, kleding, luxe artikelen, dure vakanties, eigenlijk door alles wat we niet nodig hebben.
We maken deel uit van een consumptiemaatschappij die helemaal draait om wat wij consumeren. Hoe meer hoe beter. We beseffen in onze tijd soms helemaal niet meer hoe verslaafd we geraakt zijn aan alsmaar geld uitgeven en kopen.

We zijn onszelf niet genoeg. Dat is geen fout. Dat is de unieke mogelijkheid voor de mensen om op zoek te gaan naar wat hen werkelijk gelukkig kan maken. De ontmoeting met God die ons zijn liefde schenkt. Alleen moet er soms heel wat gebeuren voordat onze ogen geopend worden. Met alle materiele rijkdom kan er een moment komen dat een mens zich ontzettend arm voelt en ten einde raad en roept : God, zie mijn armoede en wees mij genadig.
Wie weet hoeveel mensen in onze maatschappij niet ten diepste ongelukkig zijn ondanks alle overvloed. Zeker nu we een stapje terug moeten doen of zelfs in de schulden komen.
Wie weet hoeveel mensen niet zonder het zelf bewust te zijn, verlangen naar God, zonder God te kennen, en daarom zonder te weten waarnaar ze verlangen.
Laten we daarom als kerk en gelovigen niet neerkijken op onze omgeving als afvalligen of ongelovigen. Laten veeleer de honger in alle mensen ontdekken naar God en naar de liefde van God zoals Jezus deed. Hij zag de massa niet als afval, maar als ontelbare schapen zonder herder.

En daarmee zijn we bij de Farizeeër. Hij keek op de andere mensen neer: “God, ik dank u dat ik niet ben als de rest van de mensen, rovers, onrechtvaardigen, echtbrekers of als die tollenaar daar”. Hij bad wel maar “bij zichzelf” zegt Jezus Zijn gebed kwam niet verder dan hemzelf als stond hij vooraan in de tempel.
Deze man lijkt een godsdienstig mens. Uiterlijk is hij dat wel. Maar innerlijk doet hij alsof hij God helemaal niet nodig heeft. Hij is in één woord zelfgenoegzaam.

“Ik vast tweemaal per week en geef de tienden van mijn inkomsten” zegt hij.
Is dat dan niet mooi. Hier is iemand die niet zwelgt in zijn rijkdom maar regelmatig bewust afziet en die zijn geld geeft aan de tempel en aan goede doelen.
Ja, dat is allemaal heel mooi. Maar het wordt hem niet ingegeven door liefde tot God. Echte liefde maakt dat degene die je lief hebt, boven alles gaat. Echte liefde maakt dat je je leven niet zonder de ander kunt denken. Zo is ook de liefde tot God.
Deze man doet alle dingen die hij vanuit zijn godsdienst zegt te doen, niet uit liefde tot God. Niet uit dankbaarheid over zijn leven als gave van God. Niet uit verwondering om het geluk dat hij heeft gehad.
Hij heeft God helemaal niet nodig. God heeft in zijn ogen eerder hem nodig, want wat zou er over blijven van God in de wereld als hij niet dagelijks naar de tempel ging?

Zoals ik zei: we kunnen ons menselijke tekort, onze honger naar wat ons echt gelukkig kan maken, proberen te stillen met goederen als consumenten.
We kunnen echter óók ons tekort proberen op te vullen met eigendunk. Dan blazen we onszelf op en lijken heel wat.
Maar als we ons zo opblazen dat we in Gods oog heel wat moeten voorstellen, wie kan dan ons menselijk tekort aanvullen. Hoe kunnen we dan nog Gods genade en liefde ervaren?
Zelfgenoegzaamheid is altijd akelig.  Het lijkt dan  alsof we anderen niet nodig hebben en alsof er niets aan ons aanbreekt. En het is altijd akelig omdat het zich uit in neerzien op anderen. De eigen gebreken poetsen we dan weg, en die van anderen vergroten we uit.
We menen dan zelf te weten hoe een ander van binnen is: “Ik dank u, God,dat ik niet ben als die tollenaar daar” Want laat nou juist die tollenaar genade vinden in Gods oog en van God vervuld worden.

Voor alle duidelijkheid. Zelfgenoegzaamheid is iets anders dan zelfvertrouwen. Het nodige zelfvertrouwen wensen we elkaar allemaal toe. Bij een enquete onder ouders van kinderen op de basisscholen zeiden alle ouders dat ze zelfvertrouwen het belangrijkste vonden voor hun kinderen. Zelfvertrouwen maakt ook dat je vertrouwen hebt in anderen en in het leven ondanks tegenslag en dat je niet alles kunt overzien
Zelfgenoegzaamheid is dat je alléén vertrouwen hebt in jezelf.

Zelfgenoegzaamheid komt voor onder alle mensen en in alle geledingen. Waarschijnlijk meer in de hogere dan in de lagere regionen van de maatschappij, want aanzien en macht verleiden tot zelfgenoegzaamheid. Het is een valkuil voor velen in leidinggevende functies in de samenleving
Maar als zelfgenoegzaamheid zich nestelt in godsdienst dan is dat nog lelijker dan gewone zelfgenoegzaamheid. Want als je op anderen neerkijkt omdat je een heilig leven leidt in eigen ogen, wek je de indruk dat godsdienst zelf op mensen neerkijkt. Ja, dat God op mensen neerkijkt. Maar we mogen als gelovige mensen juist uitstralen dat God juist barmhartig wil zijn en zijn liefde wil schenken.

Wat we aan de andere kant zeker ook niet moeten doen is, bidden en zeggen: “God, wij danken u dat we niet zijn zoals de Farizeeër en al die andere vrome mensen die naar de kerk gaan maar geen haar beter zijn dan wij. Misschien nog wel erger”
Want wie zo denkt is even zelfgenoegzaam. Dan heb je echt niets geleerd van Jezus die Gods Zoon was, en die mens geworden is om ons mensen bij God te brengen.

Laten we als gelovige mensen niet verheffen boven anderen. Laten we veeleer tegen iedereen zeggen: wij zijn ook maar gewone, zondige mensen, maar we hebben Gods liefde ontdekt. En daarin willen we graag groeien. Dat maakt alles goed. Kom. Doe met ons. Geniet ook van Gods liefde en genade. Amen