Homilie op de 5e vastenzondag 6 april 2014 Willibrordkerk Vleuten

Voorgeschreven lezingen voor deze zondag uit het wereldwijde lectionarium van de rooms-katholieke kerk: 1e lezing Ezechiël 37:12-14 2e lezing Romeinen 8: 8-11 Evangelie Johannes 11:1-45

Lieve zusters en broeders, in de reclameblokken van de radio horen we tegenwoordig niet alleen reclame voor wasmiddelen, auto’s en uitzendburo’s. Ook maatschappelijke organisaties kopen tegenwoordig tijd in om propaganda te maken voor hun doelstellingen. Zo maakt ook het Humanistisch Verbond gebruik van de STER.  In zijn reclameboodschap roept het bijvoorbeeld op om te geloven in “het leven voor de dood”.  En als u het daarmee eens bent, of u dan deze instelling wil steunen.

De gedachte achter deze boodschap is, dat religies en gelovigen gericht zijn op een leven na de dood en dat ze daardoor het leven hier en nu onvoldoende waarderen. Geloof in leven na de dood doet volgens deze opvatting in alle opzichten afbreuk aan het leven hier en nu. Daarom is er een ander geluid nodig.

De slogan “Geloof in het leven voor de dood!” is oprecht bedoeld. Daar twijfel ik niet aan. Maar de ironie druipt er niettemin van af.  Want hét kenmerk van alle geloof en godsdiensten is de gedachte dat de dood op de één of andere manier níet het einde is en dat leven meer is, dan wat je er hier en nu van ziet. Geloof in leven na de dood.
Maar het humanisme zelf lijkt ook steeds meer op een geloof, alleen een geloof  zonder God.

Want het humanisme gelooft ook ergens in. Het gelooft in de vooruitgang van de mensheid. Niet alleen de technische vooruitgang. Daar hoef je niet in te geloven. Die zie je. Nee, geloven in verbetering van de mens zelf, morele vooruitgang. Maar is deze vooruitgang gebaseerd op feiten? Is ze niet net zo goed een geloof als het christendom waar het zich eigenlijk tegen afzet?
Dat is jammer want christendom en humanisme zijn nauw verwant. Beiden leggen nadruk op de menselijkheid en de barmhartigheid. En dat op deze punten nog heel veel verbeterd kan worden. Alleen voor het christelijk geloof kan die verbetering niet zonder hulp van God en de kracht van de heilige Geest.

Is het waar dat godsdienst oorzaak is dat we het hier en nu, het aardse leven voor de dood, de medemensen, minder belangrijk vinden?
Wanneer we ons tot ons eigen geloof, het christelijke geloof, het geloof van de kerk, beperken dan kunnen we op grond van onze eigen ervaring al volmondig zeggen:  ons hartelijke geloof in het eeuwige leven, betekent op geen enkele manier dat we minder zorg en liefde zouden hebben voor ons leven hier en nu. Kijk in de geschiedenis naar de religieuzen. In gevangenissen en ziekenhuis zetten zij zich vele eeuwen in zonder vergoeding voor hen die daar onder erbarmelijke toestanden zaten. Religieuzen zetten zich in voor onderwijs aan kinderen uit arme gezinnen. Kijk ook in onze tijd om je heen naar de edelmoedigheid van velen die zich inzetten voor de naaste zoals bijvoorbeeld dokter Schat in Togo.  Voor haar werk onder de kinderen is de opbrengst van Vastenactie dit jaar bedoeld.

Voor ons die geloven is het leven een geschenk van God dat we elke dag dankbaar aanvaarden, en waarvan we graag op velerlei wijzen genieten.
Ook voor ons die geloven is het leven hier en nu, het “leven voor de dood”heel kostbaar. We hechten eraan en we houden ervan. En niet alleen van ons eigen leven. We dragen zorg voor de mensen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd in het gezin. En we gunnen ook de anderen mensen hun plaats onder zon en willen graag met hen in vrede leven.

Het verwijt dat geloof in een leven na de dood vanzelfsprekend leidt tot onderwaardering van het aardse leven voor de dood, is aantoonbaar onterecht vanuit onze eigen ervaring en vanuit onze geloofstraditie. En daarom is het verwijt ook niet terecht gezien het zeer vele goede dat vanuit geloof gedaan is en wordt.

Ik ben hier even wat verder op ingegaan omdat de boodschap van die reclame langzamerhand terrein wint en zelfs gemeengoed lijkt te worden. Zelfs christenen beginnen te twijfelen aan of ze wel aan de goede kant staan, aan de kant van de humaniteit, de menselijkheid, het leven.

Maar er is nog iets heel belangrijks. Juist ons geloof, ons christelijk geloof, het geloof van ons doopsel, het geloof dat we zélf ervaren, dat gaat uit van de ervaring dat het leven na de dood niet pas na de dood begint, maar juist hier en nu!
Het leven ná de dood begint midden in het leven vóór de dood!
Het eeuwig leven breekt als het ware door een bres in de dood dit leven binnen. Met de woorden van het bekende lied: “De rotsen die staanvanaf de dagen der schepping, staan vol water, maar dicht, de rotsen gaan open. Het water zal stromen, het water zal tintelen, stralen, dorstigen komen en drinken”.

Daarover gaat het Evangelie van vandaag. Jezus verzekert Martha dat haar broer Lazarus zal opstaan. Dan zegt Martha: “Heer, ik weet dat hij zal opstaan op de jongste dag.

Martha behoort dus tot de grote groep van mensen die ervanuit gaat dat er zoiets is als leven  ná de dood. Dat het wel degelijk uitmaakt hoe je geleefd hebt. Dat gerechtigheid en waarheid bestaan. Dat we allemaal eens verantwoording moeten afleggen. En dat aan slachtoffers hier van onrecht en mensen die aan het kortste eind getrokken hebben, recht gedaan zal worden, voorbij de dood door het oordeel van God.

Maar dan spreekt Jezus die verrassende en overweldigende woorden: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven!”
Het zijn overweldigende woorden, omdat ze onszelf raken en vervullen van een intense vreugde en ons de zuivere lucht van het eeuwige leven zelf doen inademen.

Jezus schenkt ons het eeuwige leven. Dat eeuwige leven schenkt hij door de relatie met hem. Dat is niet iets waar we op moeten wachten tot we dood zijn. Het begint hier en nu. Nog niet op dezelfde wijze waarop we dat leven eens mogen beleven bij de verrijzenis.

Maar dat eeuwige leven begint wel al hier en nu waar dat eeuwig leven nog omgeven is met twijfels en waar we soms nog in oude valkuilen stappen.
Daarom heeft het eeuwige leven dat Jezus ons hier schenkt de vitale vorm van geloof en van hoop en bovenal van liefde.
Geloof, hoop en liefde zijn geen fraaie gedachten en wensen. Ze zijn al eeuwig leven dat doorbreekt ín het leven voor de dood. Dat leven klopt in het hart van elke gelovige. In u en in mij.

“Ik ben de verrijzenis en het leven” zegt Jezus tegen Martha “wie in mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven. En wie leeft in geloof in mij zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft ge dat?”

Martha wordt diep geraakt door die woorden. Ze voelt dat het eeuwige leven haar op dat moment wordt aangeboden door de Heer. Ze ervaart dat Hij dat leven zelf is. Want dat woord “Ik ben de verrijzenis..” is geen informatie. Het is onthulling van zichzelf. Het is ontmoeting die geschonken wordt. Het is een liefdevolle zelfgave.
Ze aarzelt geen moment: “ja, Heer, ik geloof dat gij de Messias zijt die in de wereld komen zou!”
Ze vertrouwt zich aan toe aan Jezus. Ze wil een nieuw leven starten vanuit de relatie met hem als bron van eeuwig leven. Niet later. Maar hier en nu.

Even later roept Jezus haar broer terug uit het graf ten teken dat hij machtiger  is dan de dood. Hij roept Lazarus terug in het “leven voor de dood”.
Het duurt daarna niet lang meer of Jezus zelf daalt af in de dood, om met Pasen te verrijzen.
Door de doop en het geloof heeft Jezus ons weggeroepen net als Lazarus uit een leven dat eindigt in het graf. Niet om weer tegen die ontkenning van het leven aan te kijken.

Jezus schenkt ons het eeuwig leven. En hij doet dat hier en nu al. We mogen er zelf getuigen van zijn. We mogen het zelf beleven. En we mogen het verkondigen en vieren in gemeenschap met elkaar in de eucharistie. Telkens opnieuw.

Het christelijke geloof is geen vijand van het leven hier en nu. Het onderwaardeert het leven hier en nu niet.
Het geloof in Jezus Christus is een krachtige bondgenoot van het leven hier en nu.

Het maakt dit leven tot leven zonder einde. Leven waar de dood geen macht over heeft. Leven zoals het door God bedoeld is. Léééven. Leven zonder meer. Leven met Jezus. Zijn wat ondenkbaar is. Leven uit God. Amen

(c) pastoor Martin Los

homilie op de 4e Vastenzondag op 29/30 maart 2014 Mariakerk De Meern

Preek op de 4e Vastenzondag op zondag (en vooravond) 30 maart 2014
Mariakerk De Meern
voorgeschreven schriftlezingen uit het wereldwijde lectionarium van de rooms-kathoelieke kerk: I Samuel 16:1-13a; Efeziërs 5:8-14; Evangelie: Johannes 9:1-41

Lieve zusters en broeders,  halverwege november was ik met een groep Nederlandse zorgpelgrims in Jeruzalem. Onder hen ook een blindgeboren man. Een hele middag liep ik samen met hem en een groepje anderen met een lichamelijke beperking en hun verzorgers door de nauwe straatjes van de stad. Geen gewone effen straatjes, maar met alleen maar ongelijke keien en om de zoveel meter een afstap naar beneden.

Oscar, zo heet de blindgeborene, liep samen met mij met zijn linkerhand lichtjes, bijna teder, op mijn bovenarm. Geen moment greep hij mij vast uit angst te struikelen.
Ik was diep ontroerd door zijn vertrouwen. Ik dacht: “wat kan ik nog veel van hem leren”.

En hij merkte dingen op die wij over het hoofd zagen door de geluiden die hij scherp waarnam en door de geuren waar wij helemaal niet bij stil stonden.

Op zeker moment wisten we als groep niet goed hoe we verder moesten. Al die stoepen weer terug lopen en nu omhoog? Ik verzuchtte: “hoeveel stoepen zijn we eigenlijk niet afgegaan?”  “Achtennegentig” sprak Oscar langs zijn neus weg.

We waren verbaasd. Hij had dus elk detail van de weg in zich opgenomen als een innerlijke kaart. Hij had zelfs de moeilijke weg alleen terug kunnen gaan als dat nodig was geweest.

Oscar liet mij dingen met heel andere ogen zien. Bijvoorbeeld, dat een gebrek geen tekort hoeft te zijn. Een gebrek kan ook andere talenten tot ontwikkeling brengen die bijzonder waardevol zijn. Hij is blindgeborene maar echt geen zielepiet.

In de ogen van de Arabische en Joodse voorbijgangers die ons met verbazing of meewarig aanzagen leidde ik de blinde man. Maar als ik terugblik, heb ik steeds meer het gevoel dat hij eigenlijk míj leidde. Hij heeft een onvergetelijke ervaring aan mijn leven toegevoegd die me hopelijk nog vaak persoonlijk en pastoraal van dienst zal zijn.

Nu we vandaag het verhaal gehoord hebben van de blindgeborene die door Jezus genezen werd, moest ik natuurlijk even aan mijn eigen ervaring in Jeruzalem terugdenken.
Juist die ervaring kan ons misschien ook helpen dit Evangelie nog beter te begrijpen. Dat het over óns gaat. En dat we weer met nieuwe ogen gaan aankijken tegen onszelf. Dat we gaan zien hoe God in ons leven aan het werk is, en zijn licht in ons leven binnenvalt.

Een kernzin uit het hele verhaal over de blindgeborene zijn de woorden van Jezus direct aan het begin:”Noch deze man, noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken van God moeten in hem openbaar worden”.

Jezus en zijn leerlingen passeren een blindgeborene. Dat is aanleiding van de leerlingen om hun meester te vragen of hij voor hen een probleem kan oplossen. Ze zijn namelijk opgegroeid met de visie dat iemand die een ziekte of gebrek heeft dat ergens aan te danken heeft. Er is kennelijk door hem iets misdaan dat door een ziekte of gebrek uitgeboet moet worden. Dat was de algemene gedachte in die tijd.

Maar in het geval van een blindgeborene stuitte dat op een probleem, want als je in de moederschoot al blind bent, kan het niet aan die blinde zelf liggen. Maar als zijn ouders iets misdaan hebben waarom moet hij dan boeten? 

Wij zeggen natuurlijk: “Zo denken wij niet meer. Die vraag van de leerlingen is ónze vraag niet meer. Dus het antwoord is voor ons niet interessant meer”.Maar dat is tekort door de bocht. Want het is de vraag of wij in onze tijd ziekte niet meer zien als eigen schuld. En het antwoord van Jezus kon wel eens onze ogen openen voor iets dat ook voor ons een heilzame ontdekking is.

Zien wij ziekte of gebrek helemaal niet meer als iets dat iemand aan zichzelf te danken heeft? Waarom worden we dan de hele dag getrakteerd op gezondsheidsadviezen. Hardlopen, veel bewegen, gezond eten, niet roken, niet drinken. Niet dit, niet dat. Geen stress. Niet piekeren. Zit daar niet de suggestie in dat als je iets overkomt, het je eigen schuld is?  En praat maar met ernstig zieke mensen. Ze worden ziek van alle omstanders die vragen: “heb je dit soms gedaan. Heb je dat soms nagelaten”.  We wijzen tegenwoordig natuurlijk niet meer naar God die wel een bedoeling met je zal hebben, als je ziek wordt. Des te meer wijst iedereen naar jezelf als je iets overkomt.

Als moderne kunnen we ook maar moeilijk leven met de gedachte dat een ziekte geen oorzaak heeft waardoor we het zelf hadden kunnen voorkomen. Zoveel verschillen we dus echt niet van de tijd waarin de leerlingen van Jezus leefden.De gedachte dat een ziekte of gebrek je zomaar overkomt, is voor ons moeilijk te verdragen. Dat je gewoon pech heb gehad. Liever zoeken we de schuld bij onszelf of bij de ander of bij de omstandigheden. Ook bij ons blijft ziekte een zaak van oorzaak en gevolg.

 Des te meer reden om toch nog een keer naar het antwoord van Jezus te luisteren: “noch deze blinde man, noch zijn ouders hebben gezondigd, maar de werken van God moeten in hem openbaar worden!”.

Wat bedoelt onze Heer daarmee? We moeten niet blijven steken in het “waarom” wanneer ons of iemand anders iets overkomt. Uiteindelijk blijf je dan met je gedachten in een kringetje rondlopen. Je blijft terugkijken en in het verleden steken.Vraag je niet af “Waarom” bedoelt Jezus. Want dan kom je niet verder. Vraag je af:  “Waartoe?”

Als je getroffen wordt door een ziekte, een verlies, een hevige teleurstelling blijf dan niet steken in het “waarom”. Waarom is dit mij overkomen, waarom moest dit haar overkomen?  Open je voor de kansen die deze weg biedt, die weg die je echt niet zelf gekozen hebt. Je bent door je gebrek, je verlies, je teleurstelling niet minder mens geworden, dan je was. Blijf niet steken in het is de schuld van mezelf, van anderen, of zelfs van God.

Kijk naar de mogelijkheden om iets te betekenen en om weer perspectief te zien. Misschien ga je dan alles met andere, nieuwe ogen zien. De echte waarheid die echt licht werpt op je leven, zit hem niet in het waarom, maar in het waartoe.

Jezus genas de blindgeborene. Eerst moest de man nog wel nog met modder op zijn ogen door de smalle straatjes van Jeruzalem om bij het bad van Siloam te komen. Een vreemde aanblik. Hij was al zijn leven lang blind. En nu waren zijn ogen ook nog dicht gesmeerd.
Maar zo zei hij na zijn genezing tegen de omstanders: “Ik ging, Ik waste mij en ik kon zien”.
En de man geloofde. Hij kon niet alleen zien, voor het eerst zien. Maar hij verbrak ook de keten van denken in oorzaak en gevolg, van denken in schuld waar je nooit uitkomt. Hij geloofde!

 Jezus Christus opent onze ogen voor de werkelijkheid van God in ons eigen leven. Dat we onszelf en anderen en deze wereld met nieuwe ogen gaan zien. Dat we niet langer blind zijn voor Gods genade die overal werkzaam is.

Blijf vooral niet steken in gevoelens van eigen schuld of die van anderen. “Had ik maar dit nooit gedaan. Hadden zij maar nooit zo gedaan. Had die ander maar. Had ik maar. Had God maar”.
En als we al besef hebben van schuld, en van anders hadden moeten doen, ook dan moet dat voor ons alleen maar reden zijn om te zeggen: “waartoe?”

Ook gevoel van tekortgeschoten zijn, van schuld en berouw is een unieke kans dat de werken van God openbaar worden. Want als wij onder lasten gebukt gaan, doet Hij niets liever dan ze van ons af te nemen, en een nieuw leven te schenken. Laat de genade en liefde van God toe in je leven. Vraag niet “Waarom?” Vraag: “Waartoe”.  Amen

(c) Pastoor Martin Los