“Ik bid nooit voor succes” Dirk Kuijt. Mijn toespraak gisteren bij de seizoenstart PVCV

Korte toespraak als inleiding op de zegening van het nieuwe voetbalveld de gerenoveerde tribune van PVCV Vleuten

Beste voetballers, supporters en families, bestuursleden van PVCV, dank jullie wel voor de uitnodiging om het nieuwe veld en de tribune en jullie te mogen inzegenen. Lang geleden in 1935 deed mijn verre voorganger pastoor Ohl naar wie de Pastoor Ohllaan in Vleuten is genoemd, datzelfde met het veld aan de Achterdijk. Daar is nog een mooie zwartwit foto van.
Jullie maken vandaag een nieuwe start met de club. We hopen natuurlijk op goede resultaten, misschien een kampioenschap. Vragen we dáárvoor hulp van boven? Nee. Dirk Kuijt – een voetballer die bewust gelovig is – zegt in een boek over zijn leven als voetballer: “Ik bid niet voor succes. Ik bid dat ik een sportief mens mag zijn. Met respect voor mijn teamgenoten, maar ook voor de tegenstander. Ik bid dat ik mezelf mag blijven tijdens de wedstrijd, de mens die ik graag wil zijn’
Als ik straks het nieuw veld zegen met wijwater, dan bidden we om zegen over onszelf en de club dat we herkenbaar mogen zijn als mensen die niet alleen betere voetballers willen worden, maar ook betere mensen die door eigen instelling en gedrag de wereld een beetje beter maken, om te beginnen op het veld. Dat geldt ook de trainers, de vrijwilligers, de bestuursleden.
En voetbal is een teamsport. Je leert samenwerken. Elkaar beter maken. Elkaar steunen. Dat is goed voor je hele leven.
Voetbal is een sport die over de hele werd gespeeld wordt. Ondanks alle verschillen in taal, in cultuur, in kleur kunnen we allemaal voetbal met elkaar spelen. Iedereen begrijpt elkaar. Voetbal is dus ook radicaal NEE tegen racisme en discriminatie.
Het voetbalveld is groen: kleur van alles wat groeit en duurzaam is, kleur van de hoop. Daarom draag ik nu ook een groene stola zoals je ziet. Die kleur inspireert ons als voetballiefhebbers allemaal om niet onsportief te zijn of alleen aan jezelf te denken. Want dan houd je het als voetballer en club niet lang vol. Eerlijk duurt het langst.
Ook de vernieuwde tribune mag ik zegenen. Op de tribune staan de supporters van de eigen club en van de tegenstander. Voetbal kan niet zonder mensen rondom het veld. Voetbal is gelukkig geen oorlog, zoals Rinus Michels ooit zei. Maar voetbal is zeker ook emotie. Toezingen, juichen. Tegenstanders uitjouwen hoort daar niet bij. Spelers op het veld vernederen ook niet. Laten we op veld in een goede geest met elkaar omgaan, maar ook rondom het veld. Het voelt heel goed als er een goede sfeer heerst op de tribune, ook als je club een keer verliest.
PVCV, Patronaats Voetbal Club Vleuten, Wil zeggen dat de club niet alleen gaat voor eigen succes van de sporters en de club. We geloven dat er meer is. Respect, vriendschap, waardering, harmonie tussen mensen. Voetbal is bij uitstek geschikt om dat waar te maken, ons daar in te oefenen, van jongsaf aan, en van te genieten onder de bescherming en zegen van Boven

Zegening bij gelegenheid van voetbalveld en tribune, spelers en publiek
Pr In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest
a. Amen
Pr. Onze hulp is in de naam van de Heer
a. die hemel en aarde gemaakt heeft

Pr. Goede, liefdevolle God, schepper van alle leven
In u leven wij, bewegen wij, en bestaan wij
U hebt uw kinderen gezegend met gezondheid en energie
zodat zij met plezier voetbal kunnen beoefenen in hun vrije tijd
Bescherm hen onder uw patronaat voor alles
wat hen schaden kan en leed berokkent
Laat alle voetballers, genieten van hun voetbalspel
Alles tot Uw eer.
We vragen het u door Jezus Christus, onze Heer.
a. Amen

hierna besprenkeling met wijwater van de aanwezigen, van veld en tribune

Moest u niet huilen?

Plotseling stond ze voor mij. Meisje van tien, blond haar tot iets boven haar schouders, roze jurkje.
‘Mag ik u wat vragen?’
‘Natuurlijk. Ga je gang’
Ik herkende haar. Een half uur terug had ze ook tegenover mij gestaan. Op het kerkhof. Ik stond aan het voeteneinde van het graf. Zij met haar oudere broer en moeder aan het hoofdeinde omringd door een menigte familie, vrienden en bekenden In stilte stonden we te wachten tot de laatste mensen zich schoorvoetend hadden aangesloten.
Het meisje zag mij staan en kreeg plotseling tranen in de ogen. Ze drukte haar gezicht tegen de borst van haar moeder die de arm om haar heen legde. Ze keek vanonder die bescherming met een schuin oog naar mij. Die man in zijn witte albe en paarse stola, met een gestileerde levensboom en bladeren van gouddraad. Ze keek mij aan alsof ze mij iets wilde vragen. Maar de afstand was te groot, de kuil te diep, het moment te onverbiddelijk.
Ik knikte naar haar met een voor anderen nauwelijks waarneembare glimlach. Er waren heel even alleen maar zij en ik. Mijn rechterhand drukte aarzelend een gebaar uit dat het midden hield tussen duim omhoog en een vuist maken. Een mini-pantomime van bemoediging en solidariteit.
De leidster van de uitvaartverzorging gaf mij een knikje ten teken dat het begrafenisritueel kon beginnen. De begrafenis van de jonge vader van het meisje.

‘Mag ik u wat vragen?’ Om ons heen liepen de mensen over het grind naar de ruimte waar de koffie klaar stond voor de genodigden. Bedrukte gezichten. Allemaal op zichzelf teruggeworpen door de plotseling dood van die jongeman die deel uit had gemaakt van hun leven.
‘Was u niet verdrietig?’
Dus dat had ze me willen vragen. Zij, met tranen in de ogen, steun zoekend bij haar moeder, en ik, gereed om de laatste handelingen te verrichten die horen bij een katholieke begrafenis, wijwater, wierook, een schepje aarde, een kruis.
We stonden opnieuw tegenover elkaar. Geen afstand scheidde ons meer.
Ze vroeg niet om verantwoording: ‘Waaróm was u niet verdrietig’. Ze oordeelde niet. Het was pure verwondering zoals alleen een kind kan voelen. Ze had geen tranen in mijn ogen gezien toen zij aan het graf haar verdriet voelde en toonde. ‘Was u niet verdrietig?’
‘Je zag geen tranen over mijn wangen bij het graf? antwoordde ik verrast. En toch niet, want had ik die vraag al niet gelezen in haar ogen toen ze naar me keek bij het graf? ‘Moet jij niet huilen?’
‘Ik voelde intens met jou en je moeder en broer en alle anderen mee. Ik voelde best verdriet toen ik jouw tranen zag. Maar ik moest de woorden spreken en de dingen doen, die je zag, om je vader te eren. Zou ik dat met snikkende stem doen, dan zouden de mensen zich afvragen wat er met mij aan de hand was. Het ging niet om mij, maar om je vader, en jullie verdriet, van je moeder, je broer en jou’
Er verscheen een glimlach op haar gezicht: ‘Ik begrijp het’
Ze keek met een trotse blik naar mij, zich bewust dat ze een groot menselijke raadsel had opgelost.
Toen rende ze naar haar opa en oma die intussen aangekomen waren. Op een afstandje stonden ze te kijken naar hun kleindochter in gesprek met de pastoor. Waar zouden die nou samen over praten?
Het echte gesprek had al plaatsgevonden aan het graf zonder woorden. Maar dat konden zij niet weten. Dat was ons geheim

(c) Martin Los