De gemeenschap met onze gestorvenen koesteren. Het geloof steunt ons daarbij

Preek tijdens de eucharistie op zondag 4 november 2018 in Mariakerk en Willirrdkerk voor de gestorven parochianen in het afgelopen jaar.

‘Weest niet bedroefd zoals de mensen die geen hoop hebben”
Lieve zuster en broeders, we hebben in de 1e lezing geluisterd naar een gedeelte uit de brief van Paulus aan de geloofsgemeenschap in het Griekse Tessalonica (tegenwoordig Thessaloniki). Hij antwoord daar op vragen die hem ter ore zijn gekomen van medegelovigen die iemand verloren hebben, om hen te troosten.
Wie waren die mensen in Tessalonica? Ze hadden nog maar kortgeleden het geloof in Jezus Christus aangenomen. De kerk stond nog in haar kinderschoenen. Ze verwachten enthousiast zijn wederkomst en het aanbreken van het rijk van God. Maar intussen waren sommigen van hen gestorven. Ze waren geschrokken en diep bedroefd. Niet alleen omdat ze iemand van wie ze hielden moesten missen. Maar ook omdat ze meenden dat de wederkomst van de Heer voor degenen die gestorven waren te laat kwam. Dus dat ze zonder hen het aanbreken van Gods koninkrijk zouden meemaken.
Dan vertelt Paulus hen in zijn brief dat ze daar niet bang voor hoeven te zijn. De gestorvenen, legt hij uit, laten we niet achter ons. Ze zijn al voor ons uit, opgenomen in de toekomst van God. Ze zijn al bij de Heer. Dus als Jezus wederkomt, komt Hij samen met hen. Wij die nog in leven zijn, leven hen tegemoet. “Troost elkaar dan met deze woorden” besluit hij.
Het behoort tot de kern van ons christelijke geloof, dat God onze dierbaren die gestorven zijn en die we in ons hart bewaren, in de hemel bewaart. Ze zijn niet weg. We hoeven niet voor hun lot te vrezen. Jezus heeft beloofd: “Ik ga heen om een plaats voor jullie te bereiden en als ik ben heengegaan kom ik terug om u op te nemen bij mij”.
Hij doelt daarmee op zijn dood aan het kruis waardoor hij de dood overwonnen heeft. Zo heeft Hij voor ons allen de weg naar het eeuwige leven geopend. Als we naar het kruis kijken zien we de hemel openstaan. We zien het liefdevolle hart van God wagenwijd geopend.
Lieve zusters en broeders, die rouwt om het verlies van een dierbare – en wij rouwen met u – rouw is geen ziekte of een probleem dat liefst zo gauw mogelijk moet worden opgelost. Rouw kan een leerschool zijn, hoe we met verlies en verdriet omgaan. Ze maken deel uit van ons leven, van het mysterie van ons leven. Rouw is vooral ook de vraag aan ons hoe we met onze gestorven een nieuwe verbinding aangaan. Hoe we een relatie met hen onderhouden die uiting geeft aan onze liefde voor hen en hoe zij door de boodschap van hun leven ons bemoedigen en ons helpen die mens te zijn die we graag willen zijn.
Daarom leggen we bloemen op een graf, steken we een kaarsje aan bij een foto, gedenken we hun sterfdag, halen mooie herinneringen op. En soms vloeien er tranen. Dat is geen sentimentaliteit. Op die manier houden we de liefdevolle relatie in stand. Want een mens die sterft is geen ding dat het niet meer doet. Hij of zij blijft een persoon met wie we verbonden blijven.
Het geloof is een enorme steun daarbij. Daardoor blijft de hoop in ons brandend dat we hen ooit mogen weerzien. Daar waar geen dood, pijn, onrecht, en schuld meer zijn. Daar waar het mysterie van ons leven zijn voltooiing vindt in Gods liefde.
En ook de kerk steunt ons in ons verlangen om de gemeenschap met onze dierbare overledenen te onderhouden. Door haar boodschap van de verrijzenis en het eeuwige leven. En door de liturgie van de kerk waarin we Jezus Christus mogen ontmoeten.
Hij verbindt ons als levenden en gestorvenen met elkaar door het offer van zijn liefde dat we in de eucharistie mogen vieren, en in de communie mogen ontvangen. Als hij zichzelf aan ons uitdeelt in brood en wijn, schenkt hij ons de gemeenschap, niet alleen met zichzelf, maar met allen die al in de hemel bij Hem zijn.
“Weest niet bedroefd zoals de mensen die geen hoop hebben” zegt Paulus tegen ons allemaal. Hij bedoelt daarmee helemaal niet dat we niet verdrietig zouden moeten zijn als iemand die ons lief is sterft. Ook Jezus zelf weende om de dood van zijn vriend Lazarus. En Jezus weende bittere tranen in de Hof van Getsemane toen duidelijk was dat zijn naderende dood eigenlijk onafwendbaar was. Maar door die tranen van ons heen mag het licht schijnen van de belofte van Jezus dat in het huis van zijn Vader plaats is voor velen. En dat Hij door zijn liefde tot de dood aan het kruis al een plaats voor ons heeft bereid. En voor allen die ons zijn voorgegaan.
Laten we de gedachtenis van onze dierbare doden koesteren door hun levende beeld in onze harten. Laten we ook dit mooie geloof koesteren dat ons daarbij helpt en troost. Zoals zij leven in ons hart, leven ze in de hemel bij onze Heer. Amen

Pastoor Martin Los
1e lezing: 1e brief van Paulus aan de christenen van Tessalonika 4:13-18
Evangelie: Johannes 14:1-7
Afbeelding: na de Mis voor de gestorvenen van het afgelopen jaar processie met bloemen naar het kerkhof bij de Willibrordkerk in Vleuten

Leven uit de hoop. Mijn 5e Vastenzondag overweging

zondag 2 april 2017 Mariakerk en Willibrordkerk

Lieve zusters en broeders, een vuur verspreidt licht naar alle kanten, maar je kunt door het vuur zelf niet heen kijken. Een vlam maakt dat we kunnen kijken, maar als we er al te lang inkijken zien we vlekken voor de ogen. Zo is Jezus een licht voor onze ogen. “Ik ben het Licht der wereld” zegt hij. Maar als we naar hem kijken, staren we in een mysterie als in een lamp. We kunnen niet bevatten wat hij doet.
Is dat erg? Nee, want het gaat erom dat we leven in zijn licht. Hij opent onze ogen voor de werkelijkheid van God. Leven in het licht van Jezus dát is geloof. Wanneer wij zeggen dat we geloven, dan bedoelen we daarmee dat we oprecht proberen te leven en te werken in het licht van Jezus.
Het verhaal van de opwekking van Lazarus door Jezus gaat over dit geloof. En wel om geloof in zijn uiterste consequentie. Op het scherpst van de snede: leven en dood. “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven ook al is hij gestorven en ieder die leeft in geloof aan Mij zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dit?” *) vraagt Jezus aan Martha nadat haar broer Lazarus gestorven is. “Ja, Heer, ik geloof!” antwoordt Martha uit de grond van haar hart.
De dood heeft niet het laatste woord over ons leven, zegt Jezus. Dat hebben we niet van onszelf. Het is ook niet iets wat wij hoeven te bewijzen of te verdedigen. Het is geloof in Jezus. Hij laat ons zien dat God groter is dan de dood. Daarom kwam hij geen afscheid van Lazarus nemen op zijn sterfbed om zich neer te leggen bij de dood van zijn vriend, maar hij wekte hem op. Jezus gaat nog verder als hijzelf sterft aan het kruis en zijn leerlingen vinden op de derde dag zijn graf leeg.
Lazarus wordt nog teruggeroepen in het leven maar uiteindelijk zal hij zoals iedereen een keer sterven. Maar Jezus zelf is de eerstgeborene uit de doden.
Hij is de Levende die niet meer sterft. Hij schenkt het eeuwige leven aan allen die in hem geloven. Nu al. “Ieder die in mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven”.
We gaan eenmaal dood. Maar dat is dan niet het einde van het leven. Het is het einde van de dood die ons leven leek te omringen.
Geloven in de verrijzenis en in het eeuwig leven is dus geen vondst van onszelf. Het is geen prestatie van onszelf waarin wij van anderen verschillen die minder voorstellingsvermogen hebben. Of die minder optimistisch zijn. Dat is helemaal niet aan de orde. Er zijn christenen die van nature pessimistisch zijn, toch klampen zij zich vast aan de hoop die Jezus ons mensen schenkt. Geloven is niet hetzelfde als optimisme. Het is hoop. Niet hoop dit uit onszelf voorkomt zoals van supporters van Feyenoord en Ajax die hopen dat hun club vanmiddag gaat winnen. Hoop is dan een ander woord voor voorkeur of wens. De hoop waarover wij christenen spreken en die we ervaren, is een werkelijk geschenk dat we mogen omarmen.
Leven we in het licht van Jezus, durven we dat aan? Zien wij als het ware met Zijn ogen? Keren we als zonnebloemen steeds weer naar Zijn licht?
Kunnen we in dat licht van Jezus ons eigen leven, met nieuwe ogen gaan zien? En dat van onze medemensen? Als het waar is dat de dood niet het einddoel is van ons leven – Jezus nodigt ons uit om die waarheid te omarmen – dan rijst onmiddellijk de vraag: “hoe is leven dat niet meer geregeerd wordt door de dood? Hoe kunnen wij dat leven leven en beleven?”
In de eerste plaats door niet alleen maar meer krampachtig met ons eigen leven en de eindigheid ervan bezig te zijn. Zolang mogelijk leven en zoveel mogelijk voor onszelf eruit halen als een grabbelton, meestal met weinig oog voor anderen. Nee, we mogen het leven als een wonder in ieder mens te zien. Niet alleen in de geslaagde mensen, maar ook in de mensen die minder geslaagd zijn.
In de tweede plaats door niet het leven te beschouwen als ons bezit, maar als een geschenk van God aan ons, een geschenk dat ons niet op onszelf terugwerpt, maar dat ons verbindt met God als de bron van alle leven, dat ons voedt met Gods liefde. In de derde plaats door het leven te zien als mogelijkheid tot het leven delen met elkaar, het leven vieren, elkaar dienen. Het leven zelf verbindt ons dan met God juist door ons tekort, dat we sterfelijke mensen zijn.
Ook door het leven door te geven. Leven in solidariteit met elkaar als generaties die elkaar opvolgen. Zo kunnen we doorgaan. Heel de rijkdom van het leven komt aan het licht wanneer we in Jezus geloven die zegt: “Ik ben de Verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven. En wie leeft in geloof aan Mij zal in eeuwigheid niet sterven”.
Wat doet het met ons als we die woorden echt tot ons door laten dringen? Het kan niet anders of je wordt vervuld van hoop. Het probleem is, dat we geneigd zijn te denken: “Ja, het lijkt me heel mooi om dat te geloven, maar dan wil ik toch eerst ergens de zekerheid dat het echt zo is”. Maar het gaat er nou juist om, dat Jezus zelf de waarheid is. Hij is zelf het licht dat ons verlicht. We moeten het met hem wagen als de bron van het echte leven zoals God het bedoeld heeft, en zoals God het ons gegeven heeft. Ons leven zoals God het zal voltooien in zijn liefde als de dood voorbij is.
Door zo te geloven mogen we als christenen een teken van hoop zijn voor alle mensen. Door onze manier waarop we met het leven zelf omgaan, door zorg voor de naaste, door liefde voor de zwakkeren, door samen het leven mooi te maken en te vieren, en ook elkaar bij te staan in droeve omstandigheden. Door elkaar te vergeven. Telkens wordt daar heel concreet al de dood overwonnen.
Dat is geloven in hem die zegt: “Ik ben de verrijzenis en het leven….Geloof je dat?” Jezus gaat ons voor als het licht dat ons steeds de ogen opent en de weg wijst. Totdat ons leven zelf voltooid is in Gods liefde en er geen duisternis meer is, maar enkel licht. Amen

(c) Martin Los

*) Evangelielezing voor deze zondag volgens het universele leesrooster van de r.k. kerk: Johannes 11:1-45
(1e lezing: Ezechiël 37:12-14; 2e lezing: Romeinen 8:8-11)
**) Afbeelding: Opwekking van Lazarus, Karl Isakson 187801912