Homilie op de 5e zondag door het jaar C-cyclus

op zaterdag 9 en zondag 10 februari 2013 in de kerk van O.L.V. ten Hemelopneming te De Meern
Bij de Evangelielezing: Lukas 5:1-11

Lieve zusters en broeders, Petrus was een ervaren visser die zijn vak verstond. Hij en zijn broers voeren als vissers op een geweldig groot meer met bergen rondom. Kleine verschillen in temperatuur veroorzaakten plotselinge valwinden en hoge golven Het was een hard en gevaarlijk beroep. Mannen als hij waren echt niet gauw bang.
En toch horen we dat Petrus enorm geschrokken is. De man die anders zo stevig op de grond staat, staat te trillen op zijn benen vanwege de onverwachte grote vangst die hij deed. Dat gebeurde op aanwijzing van Jezus.
Waarom zou iemand die voor niets en voor niemand bang is, ineens met knikkende knieën staan te kijken bij de enorme vangst die hij deed?  Was die onwaarschijnlijk grote vangst  niet eerder reden tot grote blijdschap?

Sommigen zeggen: “Petrus was zo geschrokken omdat hij inwendig een beetje gelachen had toen Jezus hem opdroeg om naar het diepe te varen, omdat hij niet geloofde dat dit iets op zou leveren”.
Dus toen er zoveel vissen in de netten zaten, schaamde hij zich, en daarom zei hij: “Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens.
Maar ik hoor in het verhaal niets over “van binnen een beetje uitlachen”.  We horen Petrus zeggen “meester, we hebben de hele nacht gezwoegd en niets gevangen. Maar op uw woord zal ik de netten uitgooien”.  Dat klink heel eerlijk. En er klinkt groot respect uit. Dus ik zie geen reden om aan te nemen dat Petrus achteraf stond te beven van schaamte als iemand die betrapt is. Hij was een man uit één stuk.
En toch is hij ontzettend geschrokken. En hij roept uit de grond van zijn hart uit: “Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens!”

Petrus schrók zo enorm omdat de grond onder zijn voeten wegzakte. Hij werd plotseling geconfronteerd met een andere werkelijkheid dan de zijne. Hij begreep dat God hier aan het werk was. Hij voelde zich nietig. Waar God aan het werk was, daar had een mens niets meer te zoeken. Daar kun je als mens alleen nog maar eerbiedig buigen en je uit de voeten maken vanwege je schamele verschijning als mens. God is geen partij voor een mens.
Zo dacht men toen. En zo denken velen nu. Toen dacht men: “als je als mens in aanraking komt met de werkelijkheid van God, dan heeft je laatste uur als mens geslagen. Want God is zo heilig. In het aangezicht van zijn heiligheid verschrompel je onmiddellijk tot niets”.  Dat was de angst van Petrus, een soort doodsangst!

Ook nu denken velen dat er voor God en mens samen geen plaats  is. Alleen nu omgekeerd.
Vroeger dacht men: waar God is is geen plaats voor de mens. Nu denken velen: waar de mens is, is geen plaats voor God.
Ons hele bestaan moet uitgelegd kunnen worden zonder dat er sprake is van God. En de laatste herinneringen aan God moeten nog worden uitgewist om het laatste stukje twijfel nog uit te bannen. God mag geen basis meer zijn voor de wetenschap. God mag geen basis meer zijn voor de maatschappij. God mag geen meer basis zijn voor de waarden in het leven.
Waarom? Omdat men denkt te weten wie God is. Een product van het verleden. Een verzinsel uit de tijd dat de mens nog niet beter wist. We zijn eindelijk mondig geworden. De mens hoeft voor niets en niemand meer te buigen. En zeker niet voor een God die je niet kunt zien.

Maar zou het misschien ook zo kunnen zijn, dat we God nog nauwelijks kennen zoals Hij is? Dat we telkens opnieuw moeten ontdekken wie Hij is? Als Jesaja in zijn tijd God opnieuw moest ontdekken, en als Petrus in zijn tijd God opnieuw moest ontdekken, zouden wij dan in onze tijd dan ook niet God op een nieuwe wijze kunnen leren kennen?
Aan Petrus laat Jezus zien dat God anders is dan Petrus denkt: “wees niet bevreesd. Voortaan zult ge visser van mensen worden!” zegt hij.
Petrus aanschouwde een wonder waardoor de grond onder zijn voeten wegzakte van angst omdat er voor zijn beleving hem geen plaats was in die wereld van God. Jezus nodigt Petrus uit om die wereld binnen te treden. Die onbekende wereld waarin God en mens geen concurrenten zijn maar bondgenoten. De wereld van Gods liefde.
In de leerschool van Gods liefde zal Petrus een visser van mensen worden. Als hij straks het Evangelie verkondigt zullen mensen geraakt worden door de boodschap van Gods liefde die in Jezus Christus in de wereld gekomen is.
God is inderdaad de Enige, de volstrekt onvergelijkbare, de Heilige. Maar zijn heiligheid staat niet tegenover zijn liefde. Ze staat niet los van zijn liefde. Zijn heiligheid blijkt juist uit zijn mateloze liefde die zijns gelijke niet heeft. Als we die werkelijkheid van God binnentreden, treden we een wereld binnen waarin liefde het laatste woord heeft.

Wie kan zeggen hoe die wereld eruit ziet? Wie kan zeggen dat hij die wereld al helemaal verkend heeft? Niemand. Je kunt daarin alleen maar in groeien, en groeien en groeien. En telkens als je gegroeid bent in de liefde komt je tot de ontdekking dat je nog veel meer kunt groeien.
God afschaffen? God verleden tijd verklaren omdat we God kennen en omdat we het boek God wel zo’n beetje uit hebben?
Mensen, we staan nog maar aan het begin. Ieder mens staat opnieuw aan het begin van het avontuur met God. En samen staan we telkens opnieuw aan het begin.

Dit weekend vieren velen Carnaval. Even de sleur doorbreken. Even de wereld op een andere manier bekijken. We zuchten soms onder de regeltjes, de herhaling, de voorspelbaarheid alsof het leven, en elk moment dat we leven niet een uniek avontuur is. Daarom even een beetje uit de band springen en de bloemetjes buiten zetten.
Hoewel je je kunt afvragen of we met de vakanties, festiviteiten, sportevenementen, koopzondagen, t.v.shows en wat niet al, niet het hele jaar door Carnaval vieren. Dan wordt zelfs dat sleur. Alle dagen Kermis betekent nooit meer Kermis.

Maar het echte avontuur van het leven begint pas als we God ervaren zoals Jezus ons wil laten doen. De wereld binnentreden waarin echt liefde het laatste woord heeft. Waar we voor die liefde zelfs alles over hebben.
Dan mogen we allemaal God en ons eigen leven op een nieuwe manier ontdekken als mensen die gevangen zijn door Gods oneindige liefde en zelf  “vissers van mensen” zijn geworden. Amen

(c) Martin Los

Muizenoortjes

Op minder dan tweehonderd meter van zijn huis begon het bos.
Een uitloper van de immense Veluwezoom.
Meestal met vrienden, of als hij daar behoefte aan had alleen, wandelde Rienk Troost door de onafzienbare beukenbossen.
Waar het terrein vlak was, groeide nauwelijks iets op de grond.
Lichtbruin beukenblad bedekte de bodem tussen de bomen zover je kon kijken.
In de herfst waadde hij over een onzichtbaar geworden pad door een zee van bladeren.

Rienk was in de plaats vlakbij predikant geworden.
Hij voelde zich een bevoorrecht mens omdat hij in zijn vrije tijd door deze bossen kon zwerven.
“Net buitenland” zeiden steevast vrienden die uit de randstad op bezoek kwamen.
De enige autoweg die naar het hoogste punt, de Posbank, voerde, telde zelfs een paar echte haarspeldbochten.

Als kind woonde hij met zijn ouders in Rotterdam.
In bed verslond hij met rode oren de gloednieuwe boeken van Pim Pandoer.
Hij las bij het zwakke schijnsel van een klein bedlampje, want in de ogen van zijn ouders hoorde hij allang te slapen.
Vooral het eerste boek “Pim Pandoer, de schrik van de Imbosch” maakte diepe indruk op hem.
Een adembenemend verhaal dat zich helemaal afspeelde in de streek van de Veluwezoom rond de Posbank.
“Postbank” zeiden de bezoekers uit de rest van Nederland niet wetend dat deze zitbank uit 1918 genoemd was naar een mijnheer Pos, één van de eerste voorzitters van de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond.

Als jongen was Rienk jaloers op Pim Pandoer en zijn metgezellen uit deze streek.
Zij woonden hier en ze beleefden adembenemende avonturen.
Ze ontmaskerden gemene stropers en ze lieten allerlei andere schurken tegen de lamp lopen. Voor hem als stadsjongen was dit een onbekende, spannende wereld.
Schurken kwamen in het beschermde milieu van zijn jeugd niet voor.
Hooguit was er een groepje jongens die hem bij vlagen probeerden te pesten.
Hoewel hij fysiek niet erg sterk was, was hij niet echt bang voor hen.
Hij daagde hen af en toe zelf uit, om de sleur van de dagelijkse gang van en naar school te doorbreken.
Het was misschien meer testen dan pesten.
De mysterieuze wereld van bossen en heuvels was voor zijn beleving nog veel verder weg dan die schurken waarmee Pim Pandoer te maken kreeg.
Want schurken waren ondanks alles mensen, en die waren er in Rotterdam genoeg.
Maar echte bossen niet. Wat er was aan bos, waren keurig onderhouden parken.

Nu hij hier zelf woonde op een paar honderd meter van het bos, liep hij regelmatig door diezelfde bossen waar hij als kind van gedroomd had.
Ruiters die met hun paard in volle galop door de bossen draafden, namen de plaats in van de schurken uit de tijd van de held uit zijn jongensboek.

Op een dag stormde er een paard vlak langs hem over het pad dat zeker geen ruiterpad was.
Het zadel was leeg en de leidsels sleepten over de grond. Geen spoor van een ruiter.
Rienk kon nog net op tijd opzij springen.
Tien minuten later kwam een man in lange leren ruiterjas hem tegemoet.
Met bebloede kop en een lelijke schaafwond snelde en strompelde de man in zijn ruiterlaarzen de heuvel af
“Heeft u mijn paard gezien?” riep de man verschrikt.
“Ja, hij is die kant uit!” zei Rienk met zijn hand de richting aangevend
“O, God, gelukkig. Dan is hij op weg naar de manege!” riep de man hem buiten adem toe en rende verder.
Rienk keek de man nog een poosje na.
Hij hoopte dat de ruiter gauw verlost zou worden van zijn angst.
Want reden tot angst was er genoeg. De manege lag aan de andere kant van de drukke provinciale weg.

Hondenbezitters zorgden voor meer spanning en vooral ergernis in het bos.
Overtuigd dat boswachters veel belangrijker dingen te doen hadden dan eigenaren van honden achterna lopen en bekeuren, lieten ze hun honden, herders en andere grote jongens, overal los rond lopen.
De borden “honden aan de lijn” werden voor kennisgeving aangenomen.
Net als alle honden hadden ook hun soortgenoten hier een voorliefde om blaffend op elke naderende wandelaar af te vliegen en soms tegen hem op te springen.
Rienk had tot zijn genoegen al snel ontdekt dat de honden minder brutaal waren en tijdig terugrenden naar hun baas wanneer hij nonchalant bij wijze van stok een tak bij zich droeg

Op een keer was hij vergeten bij de ingang van het bos een dode tak te pakken. Een stok van huis af meenemen vond hij genant.
Na een halfuurtje lopen, kwam hij boven op een heuvel aan.
Plotseling kwam er uit het niets een Rotweiler onheilspellend op hem af.
Rienk had ooit van iemand gehoord dat je in zo’n geval niets anders moest en kon doen dan als het ware bevriezen.
Hij bleef stokstijf staan.
Het dier kwam op een meter afstand van hem grommend tot stilstand.
Rienk stond als een standbeeld, de handen in de zakken, de blik op oneindig.
De hond keek teleurgesteld om zich heen: “waar was die weerloze wandelaar van zonet gebleven?”
Rienk voelde zich een ogenblik “the invisible man”.

Als hij die had gehad, zou de Rotweiler met de staart tussen de benen zijn afgedropen.
De hond rende jankend terug naar zijn baas die nu pas om de hoek van het bospad kwam.
Voor één keer zei Rienk tegen zijn gewoonte geen “goedendag” tegen de voorbijganger die geen benul had wat zich zo-even in een split-second had afgespeeld. Alsof hij nog steeds onzichtbaar was
Innerlijk voelde hij een golf van opluchting en geluk door hem heen gaan.
Oog in oog met een grommende Rotweiler was hij zichzelf gebleven zonder een spoortje angst.
Zo beleefde hij toch nog zijn jongensdroom daar in de bossen van de Veluwezoom.

De hoge heuvels aan de rand van de Veluwezoom vormden een panorama op de Ijssel die beneden in de verte midden tussen de uitgestrekte groene weilanden stroomde.
Maar nergens werd de wandelaar een blik gegund op de mooie rivier.
Waar een prachtig uitzicht zou moeten zijn, was die kant van het het pad dat over de heuvels naar de Posbank voerde, geheel begroeid met eikenhout, sporkeboom, en ander struikgewas.
Zelfs op een plek waar houten banken waren neergezet voor de vermoeide wandelaar, werd door het hoge struikgewas het uitzicht op de rivier volledig weggenomen.
Het was de tijd waarin het denkbeeld terrein won, om het bos aan de natuur terug te geven.
Achterstallig onderhoud kon zo ook in één moeite door worden gelegitimeerd als werk van de natuur.

Overal stonden bordjes dat je als voetganger niet buiten de paden mocht lopen.
Heel begrijpelijk met het oog op de konijntjes, reeën en de kwetsbare mossen.
Maar Rienk wilde toch het adembenemende uitzicht op de rivier in de verte niet missen.
Hij had net zolang gezocht tot hij ergens in het verboden struikgewas een plek gevonden had vanwaar hij precies tussen de boomtoppen door een glimp van de rivier opving.
Wanneer de zon scheen, lag de rivier in het landschap als een zilveren lint dat een bruid uitzinnig dansend van geluk achteloos achter zich op de grond had laten vallen.

Dit plekje was zijn persoonlijke geheim.
Met trots liet hij het zijn vrienden zien.
Maar het was voor hem vooral een beeld van iets dat hem steeds meer bezig hield.
Een soort visioen achter het dichte struikgewas en gebladerte.
Bestaat de echte werkelijkheid niet uit talloze onoverzichtelijke, vaak elkaar tegensprekende, blijkbaar onsamenhangende delen waarin je gemakkelijk van de bomen het bos niet meer ziet? Wat is de zin, de samenhang ? Wat maakt ons leven tot een verhaal waarin we ergens vandaan komen en ergens naar toe gaan, met hoogte en diepte punten?
Vond je maar die ene plek die je uitzicht geeft, dan vielen alle puzzelstukjes heel even  op zijn plaats.
Het uitzicht tussen de boomtoppen door van het zilveren lint vanaf dat ene plekje, deed Rienk denken aan het mysterie van God waarvan je soms maar heel even een glimp hoefde te zien. Door dat ene vergezicht viel als het ware al het andere op zijn plaats.
Je moest dan ondanks de bordjes “verboden buiten de paden te lopen” wel van de gebaande paden durven gaan.

Op een dag ontmoette hij iemand die heel vertrouwd was met de bossen rondom.
Enthousiast vertelde Rienk over zijn belevenissen.
Vooral over de bijzondere planten die hij in de loop van de tijd in het gebied ontdekt had.
In zijn studententijd had hij een Flora gekocht waarmee je kunt bepalen welke plant of bloem je voor je hebt.
Hij genoot ervan veel planten bij name te kennen.
“Heb je wel eens een muizenoortje gezien?” vroeg zijn metgezel.
“hoe bedoel je? “vroeg Rienk “natuurlijk heb ik wel eens muizen met oortjes gezien”.
“Nee. Ik bedoel een plantje dat Muizenoortje heet”
“Vind je die hier dan?”vroeg Rienk
“O ja, in overvloed. Maar iedereen loopt aan ze voorbij”
“Dus ik ook, denk je”
“Ja, jij ook. Kom maar mee dan zal ik je ze laten zien”

Ze liepen samen over het pad in de richting van de heuvels.
Hetzelfde pad bezaaid met beukenblad dat Rienk al vele malen gelopen had.
Het pad werd zanderiger naarmate het heuvelopwaarts ging.
Rienk lette op de sporen van reeën in het zand.
Hij liep behoedzaam om niet op de mestkevers te trappen die op onverklaarbare wijze opdoken waar uitwerpselen lagen.
Overal groeiden verweesde grassprietjes in het mulle zand.
Verder hier en daar een klein plantje. Vaal blauwgroen in de vorm van een rozet.
Op sommige plaatsen bedekte het de hele breedte van het pad.
Het kon kennelijk tegen een stootje want ondanks de voeten die er dagelijks over gingen, zag het er fris en zorgeloos uit.

Rienk en zijn metgezel spraken onderweg over wat ze zagen of over wat ze ooit gezien hadden.
Ze liepen ook hele stukken zwijgend naast elkaar om te laten bezinken wat ze besproken hadden. Maar meer nog uit respect voor het bos met zijn eigen geluiden van vogelgeluiden en ruisende bomen en af en toe de ratelende mitrailleur van een specht.

“Ik zou je een muizenoortje laten zien”zei de metgezel “Heb je er alleen opgemerkt?”
“Nee, ik zie nergens iets dat op een muizenoortje lijkt” zei Rienk.
“Ik ben bang dat je het op deze manier ook niet zult ontdekken” zei de man
Op dat moment stopte hij en knielde hij op de grond.
Hij wenkte Rienk hetzelfde te doen
Vlak voor hen groeiden een paar van die rozetvormige plantjes waarover Rienk altijd achteloos over hen was gelopen. Ook zo-even.
“Pak eens zo’n blaadje” zei de metgezel “en draai het voorzichtig om”.
Met zijn knieën in het zand strekte Rienk zijn hand nieuwsgierig naar het plantje uit en draaide een van de blaadjes om.
Het blad krulde aan de onderkant naar binnen.
De binnenkant was bedekt met grijze haartjes. Het leek als twee druppels water op een muizenoortje.

Rienks gezicht ontlaadde zich in een gulle glimlach.
“Grappig! Hoe vaak heb ik hier niet over ze heen gelopen zonder te weten wat het eigenlijk was” zie hij.
“Zonder jou had ik deze ontdekking misschien nooit gedaan, want ik had altijd oog voor de andere dingen”
“Leuk, hé” zei de metgezel oprecht “Ik zie dat ik je er echt een plezier mee gedaan heb”. “Zo zie je” vervolgde hij “achter het gewone gaat soms het meest ongewone schuil. Vergeet niet je af en toe klein te maken en te knielen”.

(c) Martin Los 17/2/2013