homilie op het Pinksterfeest 2014 Mariakerk de Meern

Preek op het Pinksterfeest 2014 zondag 8 juni Mariakerk

voorgeschreven lezingen voor het Hoogfeest van Pinksteren volgens het wereldwijde r.k. lectionarium: 1e lezing Handelingen der apostelen 2:1-11. 2e lezing 1e Brief aan de Korinthieërs 12:3b-7.12-13. Evangelie: Johannes 20:19-23

Lieve zusters en broeders, we mogen vandaag allemaal tegen elkaar zeggen: “van harte gefeliciteerd”.
Ik zie sommigen van u denken: “elkaar feliciteren….is er iemand jarig?”
Ja, er is iemand jarig vandaag. Die jarige is niemand minder dan de Kerk zelf.
“Er is er één jarig, hoera, hoera. Dat kun je wel zien: dat is zíj”.
Op deze dag is de Kerk geboren. En die geboorte vond zoals geen enkele geboorte, ongemerkt plaats. Bij de geboorte van een mens klinken de eerste kreten van een kind. En uitroepen van geluk van moeder en de vader.
Zo vond ook de geboorte van de Kerk niet ongemerkt plaats.
De leerlingen waren bijeen in Jeruzalem.  Nadat Jezus voor hun ogen ten hemel was opgestegen, waren ze teruggekeerd naar de bovenzaal waar ze voor het laatst met hem samen waren geweest bij het laatste avondmaal.
Jezus had hen beloofd dat hij hen niet als wezen zou achterlaten. Hij zou hen een andere helper zenden. Maar wat moesten ze daar bij voorstellen? “Een andere helper? Niemand kon toch Jezus vervangen?”
Plotseling daalt de heilige Geest op hen allen neer. Windvlagen, vurige vlammen, allerlei klanken en talen. Een onbeschrijfelijke gebeurtenis. De geboorte van de Kerk.
Eerst is er nog niets. Alleen maar verwachting. En opeens is alles anders. Iets volstrekt nieuws is geboren.

Iéts nieuws? Nee, niet íets. Een nieuw wézen is geboren. Een levend wezen: de Kerk.
Laten wat dat nooit vergeten. De Kerk is geen menselijke uitvinding. Ze heeft wel allerlei menselijke kanten, mooie en minder mooie. Maar allereerst is zij een schepping van God.
Hij die de planten en de bomen schiep, alle soorten dieren, Hij die ook de mens schiep, schiep ook de Kerk als een levend wezen.
Alles wat leeft, de planten, de dieren en de mensen, heeft een levenskracht in zich. Die levenskracht is meer dan de som van alle moleculen of delen van een plant of een lichaam bij elkaar. Het is die onzichtbare, ingrijpbare kracht die maakt dat al wat leeft groeit en beweegt en bloeit en zich voortplant.
Zo is ook de Kerk een levend wezen. De levenskracht die de haar doet leven, die haar beweegt, die alles bijeenhoudt, is de heilige Geest.

Het verhaal van de schepping van de mens vertelt dat God de mens zijn eigen adem in de mens blies. Dat betekende ook dat hij de mens op hem deed gelijken en naar hem deed verlangen.
Hierdoor begrijpen we ook beter wat er gebeurt wanneer Jezus als verrezen Heer aan zijn apostelen verschijnt:“Hij blies over hen en zei: ontvangt de Heilige Geest”.
Wat betekent dit anders dan dat de Kerk een nieuwe schepping is? Zij is een nieuwe mensheid. Ze is beeld en voorloper van heel de mensheid die weer op God gericht is.

We hebben dus alle reden om blij te zijn op deze geboortedag van de Kerk. Want de Kerk is een levend wezen. Ze is vervuld van goddelijk leven. Ze kan ook door niets of niemand te gronde worden gericht.
Een mooie anecdote in dit verband is deze. Napoleon wilde door de paus tot keizer gekroond worden. De nuntius deelde hem mee dat dit niet zou gebeuren. Daarop antwoordde Napoleon boos: “als de kerk niet instem zal ik haar vernietigen”. Toen zei de nuntius met een glimlach: “Ach Sire, dat hebben wij christenen zelf door de eeuwen ook herhaaldelijk geprobeerd. Maar u ziet: het is ons ook niet gelukt
Alle menselijke instellingen, zelfs landen en wereldrijken gaan voorbij. Maar de Kerk kan niet voorbijgaan.  Haar levenskracht is de heilige Geest. Zij is voorbode van het rijk van God.

Het is zo belangrijk dat we dit altijd voor ogen houden. En daarom is het goed dat het iedere jaar Pinksteren is.
Want wij zijn als christenen zo vertrouwd met de kerk, dat we soms uit het oog verliezen dat ze niet van ons is, maar van God. En we zijn vaak zo druk met de kerk dat we vergeten dat ze niet van ons afhangt, maar van de heilige Geest.
Of we zijn zo teleurgesteld in de kerk dat we over het hoofd zien dat alle menselijke fouten en soms zonden in de kerk haar niet kapot kunnen krijgen. Dat de Kerk ondanks alles nog steeds bestaat en vitaal is, laat zien dat Jezus Christus de Kerk niet in de steek laat.
“Ik zal u niet als wezen achter laten. Ik zal u een andere helper zenden” heeft de Heer beloofd. We zien die belofte overal en altijd in vervulling gaan.

Maar we roepen vandaag ook: Er is er één jarig hoera, hoera. Dat kun je wel zien: dat zijn wjj!
Want de Kerk zijn we ook allemaal zelf. Door de doop en het geloof mogen we deel uit maken van de Kerk. De Geest die heel de Kerk tot levend wezen maakt, bezielt ook ons allen samen als kinderen van God.
Laten we daarom niet achter over leunen vanuit de gedachte dat de Kerk van God is en dat hij zijn kerk wel in stand houdt.
Als we in de handen klappen van vreugde om de Kerk als unieke schepping van God, voelen we die zelfde handen jeuken om zelf ook mee te doen aan de opdracht van de kerk: de blijde boodschap van Jezus handen en voeten geven in het leven van alle dag.
“Zoals de Vader mij gezonden heeft, zo zend ik ook u!” zegt Jezus tot zijn apostelen nadat hij zijn adem over hen geblazen heeft.

Daar is echt persoonlijke wilskracht en inzet voor nodig. Vroeger behoorde je tot de kerk omdat je familie christelijk was. Of je dorp. Of de baron in wiens dienst je stond. Of als werknemer bij een christelijke firma. Zo werden gelovigen toen bij elkaar gehouden. Je dreef als het ware met de stroom mee.
Die verbanden zijn weggevallen. Het komt er nu echt op aan dat we zelf persoonlijk kiezen voor Jezus en voor de Kerk. En dat we in die keuze volharden. Dat past ook helemaal bij deze tijd. Want deze tijd vraagt in alle opzichten persoonlijke keuzes. We zijn er trots op.

Ja, misschien is juist de Kerk in deze tijd wel een nieuw thuis voor velen, want voor velen er is niets meer om echt met hart en ziel bij te horen. De oude verbanden zijn weggevallen. Als moderne mensen dreigen we dus allemaal onderdeel te worden van een grote massa. Misschien is juist deze tijd wel de tijd waarin mensen de Kerk als enig echt duurzaam thuis vinden.

Het begint ermee dat we persoonlijk Jezus erkennen als onze Heer. Zoals Paulus zegt: “Niemand kan zeggen “Jezus is de Heer, tenzij door de Heilige Geest”.
Als je persoonlijk zegt: “Jezus, u bent mijn Heer” dan is de heilige Geest die in ons werkt.
Als we dat in onszelf herkennen, zullen we dat ook in alle anderen herkennen. Daarom hebben we altijd alle reden tot blijdschap om elkaar te herkennen en te ontmoeten als broeders en zusters.
Ook al kennen we elkaar niet eens persoonlijk, we herkennen elkaar in de Heer. Ook al spreken we verschillende talen.
En waar die herkenning en vreugde is, zullen we ook blij zijn met elkaars talenten. Daar waar wij oprecht Jezus liefhebben hem als de Heer belijden, is de Kerk. En daar waar de Kerk is, zullen mensen Jezus oprecht liefhebben en voor hem uitkomen.
Het kan niet anders of daar bloeit en groeit de Kerk door de kracht van de liefde.

“Er is er één jarig, hoera, hoera. Dat kun je wel zien dat is zij, de Kerk” juichen we vandaag. Maar we mogen ook zingen: “Er is er één jarig, hoera, hoera. Dat kun je wel zien dat zijn wij!”
En toch denk je dan: Is dat zo? Kunnen we dat werkelijk aan elkaar zien? Kunnen anderen dat aan ons zien?
Koesteren we echt de vreugde van het geloof. Genieten we echt van de liefde van God. Gunnen we alle mensen dat ze ook Jezus leren kennen?
We kunnen altijd nog groeien daarin. Als er we maar iets daarvan in ons bespeuren, is het niet alleen vandaag Pinksteren, maar alle dagen
Van harte gefeliciteerd Kerk, van harte gefeliciteerd medegelovigen, van harte gefeliciteerd mens en wereld.  Amen

(c)  Martin Los, pastoor

homilie op de 7e zondag in de Paastijd 1 juni 2014 Willibrordkerk Vleuten

Preek op de zevende zondag in de Paastijd 1 juni 2014 Willibrordkerk 

voorgeschreven schriftlezingen van het wereldwijde r.k. lectionarium voor deze zondag: 1e lezing Handelingen der apostelen 1:12-14. 2e lezing: I Petrus 4:13-16 Evangelie: Johannes 17:1-11a

Lieve zusters en broeders, toen Jezus ten hemel was opgenomen, keerden de leerlingen terug naar Jeruzalem.  Naar de bovenzaal. Dat is de zaal waar ze met Jezus voor het laatst bijeen waren geweest om het Paasmaal te vieren.
Ze herinneren zich dat Jezus hen daar de voeten gewassen heeft. Dáár heeft hij hen de opdracht gegeven om elkaar lief te hebben. Daar heeft Hij de maaltijd met hen gehouden en gezegd: “doet dit tot mijn gedachtenis”.
De apostelen komen niet terug in een lege ruimte. Een akelig lege zaal. Ze komen op een plek die vervuld is van herinneringen.
Heeft Jezus niet gezegd: “Ziet, ik ben met u tot aan de voleinding der wereld?” Dan moeten ze beginnen bij wat hij hen heeft nagelaten en wat hij hen heeft voorgedaan.
Want dat is de Jezus die ze kennen. Hij is dezelfde als die gezegd heeft: “ziet, Ik ben met u tot aan de voleinding der wereld”.

Ze beginnen dus daar waar ze allemaal samen met de Heer waren. Zo was het toen. Zo moet het ook nu toegaan.
We zijn soms zo druk met de kerk dat we dreigen te vergeten dat het in de kerk maar om één ding draait: dat we samen verenigd zijn rondom de Heer.
Jezus op de eerste plaats zetten, beseffen dat we rondom hem verenigd zijn, dat is de beste remedie tegen onenigheid. De beste remedie tegen ijdelheid en afgunst.
Onze eenheid als gelovigen is gebaseerd op de liefde van Christus voor ons. Al weten we soms niet precies hoe we verder moeten, al gaan er soms dingen niet helemaal goed, zijn liefde is er altijd. Die liefde kunnen we altijd samen ervaren. Dat moeten we dan ook altijd als eerste voor ogen houden.

In de bovenzaal beginnen ze niet meteen met vergaderen en discussiëren. “Ze bleven allen eensgezind volharden in gebed”.
Het eerste wat er van de leerlingen wordt gezegd als ze teruggekeerd zijn in de bovenzaal is dat ze samen bidden én dat ze eensgezínd bidden.
Bidden betekent onszelf te binnen brengen dat we er niet alleen zijn. Bidden maakt ons bewust dat we er niet alleen voorstaan. Bidden wil ook zeggen dat we in alles wat we doen bij God beginnen.
Wanneer we het persoonlijke bidden in welke vorm dan ook verwaarlozen, zal ons geloof ook beginnen te verwelken.
en zonder samen eensgezind te bidden zal ook de geloofsgemeenschap op den duur verpieteren.

De apostelen bidden niet alleen als mannen onder elkaar. De vrouwen die zich in het gevolg van Jezus bevonden zijn ook bij hen. Niet alleen de mannen die door Jezus officieel geroepen en aangesteld zijn als apostelen, maar allen die hem lief hebben zijn bij hen in de bovenzaal.
Het is belangrijk dat we zien dat in de christelijke kerk van begin af aan ook de vrouwen bij alles betrokken zijn. Ook bij het bidden.
Bidden was in de Joodse gemeenschap een mannenzaak. In de kerk is bidden van begin af aan een zaak van iedereen. En een taak van iedereen.
Wat mannen en vrouwen verbindt is de liefde tot Jezus.  Wat liefde tot Jezus betreft kunnen mannen vaak nog heel veel van vrouwen leren.

Maria was er ook bij. Ze wordt nadrukkelijk de moeder van Jezus genoemd. Zij heeft in de jonge kerk een heel bijzondere plaats.
Ze is in de eerste plaats aanwezig in hun midden als één die samen met hen bidt. Maar ze verenigt op een heel bijzondere manier de gelovigen als moeder van de Heer.
Door haar grote liefde voor haar zoon vervult ze allen van respect. Zo ervaren allen haar moederschap, niet alleen van Jezus, maar ook van henzelf.

De kerk is geen vereniging waar de meeste stemmen gelden. Geen instituut waar wetten en regels vooropstaan . Ze is véél meer dan dat. Ze is een thuis voor ons allen. Een huisgezin. Het huisgezin van God. Met Maria in ons midden zijn we altijd dicht bij Jezus en bij God. Met haar en allen die Jezus liefhebben leven we nooit zonder God en zonder uitzicht.

Dat is precies waarom Jezus in de wereld gekomen is. Dat is precies waartoe hij geleefd heeft en zijn leven gegeven heeft: ”Dit is het eeuwige leven dat zij U kennen, de enige ware God en hem die gij gezonden hebt: Jezus Christus”.
Deze woorden bad Jezus aan de voorafgaande van zijn lijden en sterven. Het was zijn intentie waarmee hij het offer van zijn leven bracht.
Het eeuwige leven waarover Jezus spreekt is de ervaring van de gemeenschap van Gods liefde. Een gemeenschap die zo sterk is dat zelfs de dood er niet tussen kan komen.
We weten ons als gelovigen bij de heiligen thuis.

Eeuwig leven is dus voor ons, christenen, niet een soort ultieme  ervaring van individueel geluk. Een soort Zwitserleven met eindeloze stranden in een eindeloze dag. Eeuwig leven is voor ons leven in gemeenschap met God, met Jezus Christus, Maria en met alle anderen. Eeuwig leven is de liefde van God ervaren zonder einde.

Laten we daarom doen zoals de apostelen, de vrouwen, Maria, en de anderen in het begin samen deden: steeds beginnen bij Jezus, wat hij gezegd heeft en wat hij heeft voorgedaan, en beginnen bij God door eensgezind en onophoudelijk gebed.

Dan zal onze kerk en onze geloofsgemeenschap ook in deze een oase zijn waar mensen het eeuwige leven mogen proeven. Dan worden we ook nu vervuld van vreugde, en van de onuitputtelijke krachten van geloof, hoop en liefde.
Dan bidden we ook nu niet te vergeefs: “Kom heilige Geest, vervul de harten van uw gelovigen. En ontsteek in hen het vuur van uw liefde. Zend uw Geest uit en alles zal herschapen worden. En Gij zult het aanzien van de aarde vernieuwen”.
Amen

 

(c) Martin Los pastoor