Homilie op de 3e Adventszondag 2014 (Willibrordkerk en Mariakerk)

3eAdventzondag2014Preek op de 3e zondag van de Advent in de Mariakerk 13 december en H. Willibrordkerk 14 december 2014
Schriftlezingen uit het voorgeschreven wereldwijde r.k. lectionarium voor zon- en feest dagen. 1e lezing: Jesjaja61:1-2a.10-11 2e lezing I Thessalonicenzen 5:16-24. Evangelie: Johannes 1:6-8,19-28

Lieve zusters en broeders, ieder jaar ga ik in september op weg met een aantal volwassenen die verlangen gedoopt te worden met Pasen. Ook dit jaar. Volkomen uit zichzelf melden zij zich aan. Ze geven gehoor aan een innerlijk roepstem die gaandeweg sterker is geworden en uiteindelijk onweerstaanbaar.
Wat mij altijd opvalt en raakt is dat zij iets uitstralen van verwondering omdat ze zich door God uitverkoren weten, en zich afvragen “waarom ik?” Dat maakt hen bescheiden. En tegelijk zijn ze blij en vol trots omdat God zelf hun hart vervult.
Ze doen me denken aan de woorden van de profeet Jesaja “de geest van de Heer rust op mij. Hij heeft mij gezalfd om aan de armen de blijde boodschap te brengen” en “Mijn ziel wil zich verheugen in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met het kleed van het heil” (1e lezing).
We zijn allemaal geroepen om de blijde boodschap uit te dragen. En deze roeping is bevestigd door doop en vormsel. Dus op ons allen is van toepassing “De geest van de Heer rust op mij”. De macht der gewoonte maakt dat we de vreugde van onze oorspronkelijke roeping vaak niet meer zo duidelijke en diep ervaren. Soms gaan we zelfs twijfelen aan die roeping.
Daarom is het mooi dat mannen en vrouwen van buiten, als het ware uit het niets, geroepen worden om tot de geloofsgemeenschap van de kerk toe te treden de doop ondergaan. Zij herinneren ons aan onze eigen vreugdevolle roeping en dat op ons allen persoonlijk de geest van de Heer rust.
De geest van God is zijn uitgestoken vinger uit de hemel die je aanwijst en zegt: “jij bent mijn kind”. We wijzen niet onszelf aan. God wijst ons aan. Hij zegt: “kijk eens met mijn ogen naar jou. Dan zie je jou, mensenkind, als mijn kind”. Die ervaring is genoeg om het hart van ieder van geheel te vervullen van blijdschap.
Maar de bedoeling van onze roeping is niet dat wij vervolgens gaan zeggen “kijk mij eens”.  Dat we buiten onze schoenen gaan lopen. Dat we doen alsof we meer dan anderen zijn. Nee, als God ons aanwijst en roept en in om zo te zeggen het zonnetje zet, doet hij dat met de bedoeling dat wij wijzen naar Jezus Christus die het ware licht is. Door ons hele doen en laten.
We kunnen altijd leren van Johannes de Doper. Op bijzondere wijze rustte de geest van de Heer op hem.
Wij hebben de neiging om alleen bijzondere personen aan te wijzen waarop de “geest van de Heer rust”. Maar op allen rust de geest. Alleen niet op dezelfde manier. Want ieder heeft een eigen roeping.
Johannes had heel bijzonder de roeping om de mensen op te roepen zich om te keren en zich voor te bereiden op de komst van Christus.
Natuurlijk trok hij daardoor de aandacht van de mensen. Ze stroomden op hem toe. De mensen verwachten alles van hem. Zo vervuld was hij van de geest van God. Hij straalt naar alle kanten.
Maar Johannes is de bescheidenheid zelve. Hij wijst alle verwachtingen en pretenties af: “Nee, ik ben de Messias niet. Nee, ik ben Elia niet. Nee, ik ben geen profeet” “Hij die na mij komt, ik ben niet waardig de riem van zijn sandalen los te maken” (Evangelie)
Dat lijkt haaks te staan op onze tijd. Wij leren vooral op onszélf te wijzen. We prijzen onszelf aan om een baan te kunnen krijgen. De media geven ons het gevoel dat als je niet gezien wordt door iedereen, dat je dan niet bestaat. Meisjes en jongens dromen ervan model te worden of sportheld om op slag bekend en beroemd te zijn. Dan doe je ertoe. Dan heb je niet voor niets geleefd.
In zo’n tijd lijkt het weinig aantrekkelijk om niet naar jezelf te wijzen. Het lijkt alsof je dan jezelf te kort doet.
Maar onze roeping als christen vertelt een ander verhaal. Het zegt: God kent jou. Je staat voor hem al in het zonnetje. Gebruik al je gaven in dienst van zijn koninkrijk, in dienst van Jezus Christus. Wees niet bang dat je dan je talenten vermorst. Ze komen juist tot hun volste recht als je je leven in dienst stelt van Gods liefde.
Daarvoor hoef je je niet perse terug te trekken in een klooster of je helemaal belangeloos in dienst te stellen van de naaste in nood. Dat kan. Dat kan een bijzondere roeping zijn. Maar je kunt gewoon ook midden in deze wereld staan, een gewoon beroep uitoefenen of zelfs door een bijzondere talent opvallen en zelfs een model of sportheld of bekende Nederlander zijn.
Maar in alle gevallen mag je dan getuige zijn van Jezus Christus in onze wereld. Door niet naar onszelf te wijzen, maar vol vreugde en dankbaarheid te zijn dat we aangeraakt zijn door Gods liefde. En dat we ons bewust zijn dat ons leven zich afspeelt in Gods licht.
“Bidt zonder ophouden” zegt Paulus “Dankt God voor alles. Dat is wat God van u verlangt in Christus Jezus. Blust de Geest niet uit” (2e lezing)
Vooral ook dat laatste moeten we ter harte nemen: “Blust de geest niet uit!”.  Zeker in onze tijd met zijn somberheid en sombere voorspellingen over de toekomst van geloof en kerk. Hoe vaak gebeurt het niet dat iemand vol blijdschap is en spontaan gelooft als een kind, dat we met ons hoofd schudden en denken “die staat niet met beide benen op de grond”.  Of dat we tegen iemand die idealistisch een taak begint en te horen krijgt “Allemaal een druppel op een gloeiende plaat”. Soms ervaren hartelijke gelovigen tegenwerking in de eigen gemeenschap die leidt aan zwaartekracht van sleur en somberheid.
Het ligt toch veel meer voor de hand dat we een voorbeeld nemen aan zo iemand. Dat we enthousiast worden en zeggen: ik doe mee!?
Misschien is het angst om teleurgesteld te worden dat we moeite hebben in beweging te komen en weer de echte blijdschap van het geloof uit te stralen.
Want zeggen we: “we hebben zo ons best gedaan en toch komen onze kinderen niet meer in de kerk” en we wijzen op parochies die een zieltogend leven leiden of kerken die moeten sluiten.
Toch is één vlammetje genoeg om alles aan te steken en één lichtje is genoeg om duisternis te verdrijven. Laten we de somberheid niet het laatste woord geven en de geesten uitdoven.
Laten we om te beginnen zelf weer blij en bevoorrecht zijn met ons geloof zoals de volwassen die zich op maken om met Pasen gedoopt te worden. We hebben niet minder reden tot vreugde en  verwondering dan zij. Laten we ons aan hen optrekken. Laten we ons aan elkaar optrekken. Aan elkaars geloof, blijdschap, activiteit, ondernemingsdrang, enthousiasme, verwachting.
Er is maar een klein beetje nodig om ons allemaal aan te steken. Allemaal lichtjes die wijzen naar het grote Licht dat ons allen verlicht: Jezus Christus, onze Heer. Amen

© Pastoor Martin Los

homilie op de 2e adventszondag 2014 6/12 Willibrordkerk en 7/12 Mariakerk

Preek op de 2e zondag van de Advent 6 en 7 december 2014 in de Willibrordkerk en Mariakerk
Voorgeschreven Schriftlezingen voor deze zondag in het weredlwijde r.k lectionarium voor deze zondag: 1e lezing Jesaja 40:1-5,9-11 2e lezing: 2 Petrus 3:8-14 Evangelie”: Marcus 1:1-8

Lieve zusters en broeders, in deze Adventstijd gaan we als het ware even in de schoenen staan van het volk van God dat lang geleden eeuwen lang uitzag naar de komst van de Christus op aarde.
Het is onvoorstelbaar dat van Abraham af generatie op generatie duizenden jaren de belofte doorgaf dat eens een heel bijzonder mensenkind geboren zou worden. Een mens die van betekenis zou zijn voor het volk van God zelf en voor de hele wereld.
Denk je eens in. Duizenden jaren leven met niet meer dan een belofte van iets dat je niet kunt zien, van Iemand die je niet kunt zien, God. Dat het geloof in die belofte je hele wijze van leven bepaalt. Dat je daarin verschilt van alle anderen volkeren die veel groter zijn. Dat je daarvoor heel veel over hebt. Dat je je daarbij gelukkig voelt.
Toch is dat precies wat het volk van God typeerde van Abraham tot Johannes de Doper. Van Sara tot Maria. Wat een lange adem! We kunnen er alleen maar grote bewondering voor hebben.

Wij, christenen, zien niet meer uit naar de geboorte van Christus. Wij zien uit naar zijn komst in heerlijkheid. Ook dat is een belofte van iets dat we niet zien en kennen.  Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
“De hemelen zullen dreunend vergaan en de elementen zullen door vuur worden verteerd” zegt de apostel Petrus. Dat lijkt ons nou niet iets om naar uit te zien. Het lijkt erop dat alles vergaat. Maar de apostel bedoelt juist dat er iets onvoorstelbaar mooisstaat te gebeuren bij de komst van Christus in heerlijkheid. In één ogenblik zal heel de aarde als nieuw tevoorschijn komen.
Hoe moet je uitzien naar wat onvoorstelbaar is? Hoe hou je dat vol?
Toch doen we dat. Al twee duizend jaar lang. We laten ons leven als christenen bepalen door wat we niet kunnen zien. We offeren in bepaalde zin ons leven ervoor op. We bloeien op door de hoop die in ons is.

De Romeinen noemden lang geleden onze voorouders in het geloof “atheoi” godloze mensen. Wij zouden zeggen: atheisten. In de ogen van de mensen van hun tijd waren christenen atheisten omdat ze niet een zichtbare god vereerden van steen en goud, maar een onzichtbare God en een man die een schandalige dood aan het kruis gestorven was. De Romeinen schudden hun hoofd of ergerden zich aan de christenen omdat ze zelfs hun leven over hadden voor het geloof in Iemand die je niet kon zien en voorstellen.
Zo zien ook wij uit naar de komst van onze Heer. Niet wetend hoe en wanneer. En toch is dat geloof sterker dan alles.

Soms verslapte dat geloof in de tijd voor de geboorte van Christus. Het Oude Testament staat er vol van. Maar steeds stonden er mannen en vrouwen op die weer op de uitkijk gingen staan. We noemen ze profeten. Zij wekten het volk weer op om op te staan uit de slaap en met nieuwe elan de komst van Christus te verwachten. De laatste van hen is Johannes de Doper. De laatste die op de uitkijk stond en verkondigde: “Na mij komt Hij die sterker is dan ik. Ik doop met water. Hij zal u dopen met de heilige Geest”.

Ook wij die de komst van de Heer verwachten, verslappen soms. Het lijkt dan alsof de kerk in slaap is gevallen. Of de fut eruit is. Door vermoeidheid, onverschilligheid, gebrek aan passie.
Gelukkig staan er door de tijden heen steeds weer mannen en vrouwen op om ons wakker te schudden. We noemen ze heiligen. Omdat ze op beslissende momenten als uit het niets opstonden en de mensen opriepen tot nieuw leven, tot leven aan de hand van Gods belofte. Denk aan Sint Franciscus van Assisi en al die anderen voor en na hem. Door hen gingen de mensen alles met nieuwe ogen zien. Alsof de nacht voorbij was en een nieuwe morgen aangebroken.
Zo schenkt God ons zijn belofte, maar Hij komt ons ook te hulp om vol te houden. Hij maakt ons steeds weer wakker door mensen die ons hart weer sneller doen kloppen en die het verlangen naar Gods rijk weer aanwakkeren.

Zo komt Jezus Christus niet alleen op ons toe aan het eind der tijden, als hemel en aarde vergaan om plaats te maken van het rijk van God. Hij komt ook nu al op ons toe. Door de bijzondere mannen en vrouwen die zich niet neerleggen bij het verslappen en verdwijnen van het geloof in Gods belofte. Door mannen en vrouwen die frank en vrij de liefde van God verkondigen.
Statistieken van het teruglopend kerkbezoek hebben voor hen niet het laatste woord. Kerksluitingen betekenen voor hen niet einde verhaal van het geloof. Zij zien in een tijd van nood geen problemen voor het geloof, maar juist unieke kansen. Soms zijn het enkelingen die eerst voor gek worden versleten.
Laten we ons door hen laten inspireren zoals de mensen die op weg gingen omdat ze begrepen dat Johannes de Doper een nieuwe geluid verkondigde. Hij gaf de mensen weer hoop.

De Heer komt ook op ons toe tijdens ons leven hier en nu in de kerk zelf, in de sacramenten, in de eucharistie als de levende Heer, door de vergeving die Hij schenkt in de biecht, door de troost in de ziekenzalving.
Hij komt ook op ons toe in de gemeenschappen van mensen die in Hem geloven: “Waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, daar ben ik zelf in hun midden” zegt Hij.

En tenslotte komt de Heer ook op ons toe in de armen en de mensen in nood: “wat je aande  minste van mijn broeders hier gedaan hebt, heb je aan mij gedaan” zegt Christus.
Wanneer wij soms denken: “zal Christus ooit weer komen. Zal ooit het rijk van God komen. Waar blijft God nou?” laten we dan niet passief achter overleunen of de moed opgeven.
Weg met alle somberheid en cynisme in de kerk. Ze zijn een vorm van ongeloof. Het zijn stofnesten. Rijp voor de schoonmaak

Juist wanneer we samen als geloofsgemeenschap de handen uit de mouwen steken en opkomen voor de zwaksten in ons midden en in de samenleving zullen we de liefde van God en de kracht van God ervaren. Onmiddellijk en concreet.
Daar waar christenen echt opkomen voor de mensen in nood zie je het geloof opleven en groeien en bloeien.
Daar zie je ook jonge mensen weer de zin van het geloof en de kerk beleven want zij willen graag iets concreets met hun geloof doen.
Daar waar de naaste in nood centraal komt te staan, voelen mensen dat het rijk van God veel dichter bij is dan je denkt. Daar worden mensen weer blij. Daar beleef je weer de vreugde. Daar worden mensen weer tot boden van vreugde.
Wij denken misschien: “mooie gedachte. Misschien iets voor morgen”.
Maar wat onze Heer betreft is het de hoogste tijd. Tijd voor de boodschap van vreugde
Amen.

(c) Pastoor Martin Los