vlak het zout niet uit

Preek op de 5e zondag door het jaar 8 februari 2020 Mariakerk en Willibrordkerk

“jullie zijn het zout der aarde” zegt Jezus tot de verbouwereerde mensen die aan zijn voeten zitten 1). Ze hebben altijd gehoord dat ze er eigenlijk niet toe deden als ongeletterde mensen. Hardwerken, kinderen krijgen en vroeg of laat sterven. Dat was hun lot.
Nu horen ze plotseling uit de mond van die jongeman van dertig jaar: “jullie zijn het zout der aarde”. De smaakmakers van deze wereld. Dat raakt hen. Het verwarmt hen. Ze voelen een verlangen in zich boven komen. Ze worden enthousiast.
‘Maar als het zout zijn kracht verliest, deugt het nergens meer toe” vervolgt Jezus.
Wij zijn niet minder geraakt door deze woorden van onze Heer, dan de menigte tweeduizend jaar geleden. Deze woorden doen ons wat. Ze geven ons moed om het te wagen met de boodschap van Jezus. Ondanks dat het aantal mensen dat zich in ons land christen noemt nog jaarlijks afneemt. Ondanks dat velen ons niet begrijpen.
Het mooie van zout is, dat het niet afhankelijk is van de hoeveelheid. Een klein beetje kan smaak geven aan een hele maaltijd. We moeten ons geen zorgen maken over de hoeveelheid medegelovigen, maar we moeten ons wel afvragen of wij zelf werkelijk als zout iets toevoegen. Als gemeenschap en als mens? Maakt het iets uit of er een kerk is in onze woonplaats? Maakt het iets uit of ik wel of niet geloof?
Als we zelf het gevoel hebben dat het niets uitmaakt, dan zijn we al smakeloos geworden. We kijken dan te veel naar onszelf en onze beperkingen. En luisteren te weinig naar de Heer die zegt: “jullie zijn het zout der aarde”. Want dát woord heeft nog niets van zijn kracht verloren en zál ook niets van zijn kracht verliezen.
We moeten gewoon doorgaan met wat we doen. Als oprechte christenen proberen te leven zonder naar de resultaten te kijken. Zout is zout. Het doet zijn werk. Punt uit.
We kunnen onze smaak niet verloochenen. Daarvoor is God ons veel te kostbaar. Daarvoor is Jezus ons veel te lief. Daarvoor is de kerk ons te  veel waard. We zouden ze voor geen goud ter wereld willen missen. Daarvan getuigen we door ook vandaag samen te komen om ons te laten bemoedigen en om het leven met Jezus samen te delen in de eucharistie.
Toch is het wel nuttig om te begrijpen waaróm in onze tijd en in ons deel van de wereld het christelijk geloof het moeilijk heeft. Dat is niet onmiddellijk alleen het gevolg van onwil, onverschilligheid, of zelf het werk van de satan. Met zo’n oordeel maken we het onszelf iets te gemakkelijk. Met alleen maar veroordelen verliezen het zout dat we mogen zijn, zijn smaak. We worden zelf smakeloos. En dat is de dood in de pot.

Dus toch maar even stil staan bij de oorzaken van de moeite die het geloof heeft in onze tijd.
Eeuwenlang werd de kerk gevormd uit de kinderen die gedoopt waren, hun eerste communie en vormsel deden, trouwden en weer kinderen kregen. Generaties gingen voorbij, generaties kwamen. Men was van de wieg tot het graf vertrouwd met de kerk. Men vroeg zich niet af of men geloofde. Je deed het gewoon. Al of niet met overtuiging. Dat is in onze tijd grondig veranderd. Geloof is geen gewoonte of verplichting meer, maar een keuze. Een keuze te midden van vele alternatieven.
We zien jongeren die gedoopt zijn, communie en vormsel hebben gedaan en misschien nog deel namen aan de tienergroep hun weg door het leven zoeken. Vaak studeren ze in een andere plaats. Bijna niets staat vast voor ze. De weg naar de volwassenheid duurt veel langer dan vroeger toen je verkering kreeg en een baan. Vroeger was je gelovig als je deel uit maakte van de gemeenschap waarin je was opgegroeid. Nu groei je op in een tijd waarin mensen die je kent de kerk verlaten. Wat doet dat met je? Nu ben je op je dertigste nog bezig met de vraag: wie ben ik? Dat maakt dat veel jongeren niet durven zeggen dat ze gelovig zijn. Want als je zegt: “ik geloof” moet je wel weten wie die “ik” is.
Vanuit die onzekerheid kijken jongeren ook kritisch naar instituten zoals pubers naar hun ouders. Is de kerk wel betrouwbaar. Menen al die christenen wel wat ze zeggen?

Een Engelse onderzoekster nodigt op grond van haar onderzoek onder millenials, jongeren rond de dertig ons als medegelovigen en als kerk uit om open te staan naar de jongeren *).
Ze doet vier aanbevelingen: leg in de eerste plaats niet de nadruk op het geloof als kantenklare leer. Maak geloven zichtbaar en ervaarbaar door het geloof écht in praktijk te brengen. Ten tweede: ga het gesprek met de jongeren aan. Neem de tijd om samen over diepere dingen in het leven te spreken. Wat zij waardevol vinden. Kom niet meteen met antwoorden of hoe het moet. Laat zien dat jezelf ook vragen hebt, maar dat geloof je echt helpt.
Op de derde plaats: laten we werken aan de kerk als gemeenschap, een hartelijke familie. Veel jongeren zijn alleenstaand. Hebben geen familieleven. De hartelijkheid en de warmte binnen een echte geloofsgemeenschap kan een nieuw thuis voor hen zijn waarin de liefde van Christus voelbaar en zichtbaar is. Tenslotte: jongeren zijn idealistisch. Ze willen ergens voor gaan. Denk maar aan hun inzet voor klimaat en milieu. Laten we als kerk ook idealen hebben waar we voor staan, waar we om zo te zeggen alles voor over hebben.
Door deze vragen aan onszelf te stellen als een soort warenonderzoek naar de kwaliteit van het zout der aarde, gaat er weer iets prikkelen in ons en onze gemeenschap.
Door dit zelfonderzoek neemt ons eigen geloof weer in kracht toe. We zien het platgezegd ‘weer helemaal zitten”.
Want  ‘jullie zijn het zout der aarde” is niet tegen dovenmansoren gezegd. Er is er namelijk maar één die dit zegt en weet wat Hij zegt: Jezus onze Heer. Amen

(c) Pastoor Martin Los

1) Evangelielezing voor de Mis op de 5e zondag door het jaar 9 februari 2020: Mattheus 5:13-16
*) Ruth Perrin
afbeelding: The Sermon on the Mount Beryl Lewis (b.1939) Tulllie House museum and art gallery

Tullie House Museum and Art Gallery


twee maal twee broers

Preek op de 3e zo dag door het jaar, zondag van het Woord van God, afsluiting van de gebedsweek voor de eenheid van de christenen, op 25/26 januari 2020

“Komt, volgt Mij. Ik zal jullie vissers van mensen maken”
1).
Lieve zusters en broeders, de Heilige Schrift die in de kerk elke dag  voorgelezen wordt – en op de zondag met bijzondere eerbied – is als een schatkamer waar we steeds weer nieuwe schatten vinden, schatten aan inzicht en inspiratie.
Zo overkwam het mij dat mijn oog bij de voorbereiding van deze zondag viel op een schijnbaar onbelangrijk detail in de Evangelielezing. We kennen de tekst over de roeping van de eerste leerlingen allemaal bijna uit het hoofd. En toch ging er bij mij ineens een lampje branden: “Toen Jezus bij het meer van Galilea was, zag Hij twee broers, Simon die Petrus genoemd wordt en zijn broer Andreas. Ze waren vissers”. Tot zover niks nieuws. We lezen verder: “Iets verder zag Hij nóg twee broers, Jakobus, de zoon van Zebedeus en diens broer Johannes. Met hun vader waren ze in de boot de netten aan het klaar maken’. “Nog twee broers”. Ik had er nog nooit goed bij stil gestaan, dat de eerste leerlingen die de Heer riep, twéé paar broers waren. De eerste twee zelfstandige ondernemers zonder vader, het tweede paar nog in samenwerking met hun vader.
Dat moet iets te betekenen hebben, dacht ik. Dat moet ik met de mensen in de kerk zondag overdenken. De eerste mensen die Jezus roep om Hem te volgen waren geen losse personen, vreemden voor elkaar, maar broers, en niet alleen broers, het waren mannen die samen werkten en op elkaar ingespeeld waren. Het eerste paar al heel ervaren, het tweede nog in dienst bij hun vader. Zo legde Jezus de basis voor de overige leerlingen die Hij nog zou roepen. Dat hij eerst broers en nog wel twee verschillende paren broers riep, is een les dat al zijn volgelingen als broers en zusters moesten zijn, diep verbonden met elkaar. dat zij op elkaar moesten inspelen en elkaar aanvullen als een team. Dat de onervarene van de meer ervarenen moesten leren. Dat zij daarin in broederschap en samenwerking de eenheid moesten bewaren en elkaar nooit loslaten
Ziet u, zusters en broeders, hoe mij ineens dingen duidelijk werden? Door dat inzicht dat de eerste leerlingen niet toevallig broers waren en hetzelfde beroep uitoefenden? Ja, door dit inzicht kreeg ook die belangrijke tekst “Volg Mij. Ik zal u vissers van mensen maken” ineens een diepere betekenis. Die woorden kregen kleur op de wangen. Want Jezus bedoelt natuurlijk: zoals jullie zijn, broers en medewerkers van elkaar, en leerlingen van elkaar, zó zal ik jullie tot vissers van mensen maken.  Van begin af aan leerde Jezus dat zijn volgelingen een team moeten vormen; dat ze een diepe onverbreekbare verwantschap moeten voelen. Zo en alleen zo zullen ze echt vissers van mensen kunnen zijn.
Dat zegt Jezus ook tegen ons, zusters en broeders, en tegen alle christenen. De opdracht om het Evangelie te verkondigen is onze gezamenlijk opdracht. We zijn familie en team tegelijk. Alleen zo zullen we met liefde en vreugde onze taak vervullen. Iedereen telt mee. Iedereen doet mee. Ieder heeft een eigen onvervangbare rol in het geheel. Het is heel belangrijk dat we dit gevoel koesteren en verder ontwikkelen.
Daarbij is geen plaats voor partijdigheid zoals Paulus 2) in zijn brief schrijft: ‘Er is mij door de huisgenoten van Chloé over u verteld, broeders en zusters, dat er onenigheid onder u heerst. Ieder schijnt zijn eigen leus te hebben”. Het echoot door in onze tijd: “Ïk ben van Benedictus. Ik ben van Franciscus….” Zo moet het niet. Zo gaat het al van het begin. We zijn hardleers. We zouden van het verleden moeten leren. De onervarenen van de ervarenen.
We sluiten vandaag de Gebedsweek voor de eenheid van de christenen af. Dat gebed is nodig omdat wij, christenen, verdeeld zijn. We moeten er ook aan werken en niet zelfgenoegzaam achter overleunen. Vooral in deze tijd waarin christenen een minderheid vormen in onze streken, kunnen we ons niet veroorloven om te doen alsof de andere kerken en christenen niet bestaan. We hebben elkaar heel hard nodig. Niet alleen binnen de eigen geloofsgemeenschap, maar ook als medechristenen. Natuurlijk zijn er verschillen –  die hoeven we ook niet onder tafel te schuiven – maar er is ook veel dat verbindt. Laten we vooral daar naar kijken. Dat we met veel kerken dezelfde geloofsbelijdenis delen, is dat niet geweldig? Is dat niet een gezamenlijke basis om elkaar als broeders en zusters  en om waar dat kan samen te werken in de verkondiging van het Evangelie en de dienst aan de naaste en de samenleving?
Paus Franciscus heeft deze derde zondag door het jaar, afsluiting van de Gebedsweek voor de eenheid uitgeroepen tot Zondag van het Woord van God. De voorlezing uit Heilige Schrift verbindt ons met het overige christendom en met de generaties gelovigen die ons zijn voorgegaan. De Bijbel is niet een boek dat op de boekenplan staat. Het is het levende woord dat elke dag tot ons spreekt, in het bijzonder op de zondagen, in de liturgie van de kerk. Het Oude Testament bevestigt onze eeuwenoude band met het Jodendom met wie we de belofte aan Abraham delen. Laten we ons bewust zijn van al die verbindingen als we luisteren naar het Woord van God.
De Heer roept zijn leerlingen als broeders om een diepgewortelde eenheid te vormen. Hij roept hen als vakbroeders om op elkaar in te spelen als team. Zo moeten we allen zijn als leerlingen van Jezus Christus. Vitaal, open en leergierig, vol hoop, geen genoegen nemend met verdeeldheid en onenigheid. Allemaal luisterend naar de stem van de ene Herder, allen de oren geopend voor het Woord van God dat klinkt in zijn Kerk. Dan zullen we zijn zoals de profeet Jesaja zegt als “Het volk dat in duisternis wandelt, ziet een groot licht”. Ja, want hier klinkt het woord van onze Heer: “Volgt Mij. Ik zal u vissers van mensen maken”. We zijn allemaal aan elkaar gegeven om die taak te volbrengen. Samen geroepen om te luisteren naar het Woord van God. Amen

(c) Martin Los

Schriftlezingen voor Zon- en Feestdagen volgens het Rooms-katholieke lectionarium
1) Evangelielezing Mattheus 4:12-23
2) 2e lezing: I Korinthiers 1:10-13,17
3) 1e lezing: Jesaja 8:23b-9,1

afbeelding: Fisher of men Rex R. Deloney