Homilie op de 21ste zondag door het jaar, zondag 24 augustus 2014 in de Mariakerk in De Meern

Preek op zondag 24 augustus 2014 in de Mariakerk in De Meern
Schriftlezingen, voorgeschreven volgens het universele r.k.leesrooster voor de 21-ste gewone zondag: 1e lezing Jesaja 22:29-23 2e lezing Romeinen 11:33-36 Evangelie: Mattheus 16:13-20

Lieve zusters en broeders, ons geloof in Jezus Christus is een groot geschenk. We hebben het cadeau gekregen van God. We mogen elkaar ermee feliciteren. Niet eenmaal, niet tweemaal, maar steeds opnieuw.
En we doen dat ook. Alleen al bijvoorbeeld door naar de kerk te komen en elkaar hartelijk te begroeten. Blij dat het zondag is. Blij dat we tijd mogen maken voor God. Blij dat we de Heer mogen ontmoeten in de dienst van het Woord en van de Tafel.

Blijdschap is onlosmakelijk verbonden met ons christelijk geloof. Dat is ook wat paus Franciscus onophoudelijk verkondigt. Hij spreekt er niet alleen over, hij laat het ook zelf zien. Kern van zijn boodschap is: we hebben als christenen zelf alle reden om blij te zijn met ons geloof. En wat hij daarbij onderstreept:  blijdschap is aanstekelijk naar andere mensen toe. Door onze blijdschap mogen we andere mensen nieuwsgierig maken naar de bron van onze blijdschap, Jezus Christus.

De eerste die iemand feliciteert met zijn geloof in Jezus als de Christus is de Heer zelf: “zalig ben jij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben je dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”.  We horen duidelijk dat Jezus het geloof van Petrus in Hem een geschenk van God noemt: “Simon, je hebt dit niet van ‘vlees en bloed’ dat wil zeggen van ‘mensen’ en ook niet van jezelf, want je bent ook een mens. Maar je hebt het ontvangen van God, van “mijn hemelse Vader”.

Jezus feliciteert Petrus als eerste met dit geschenk. “Welkom Petrus in de wereld van Gods liefde, welkom in de kring van Vader, Zoon en Heilige Geest. Welkom in de intimiteit van God”.

Met diezelfde gelukwens feliciteert de Heer niet alleen Petrus en de andere leerlingen namens wie Petrus spreekt. Hij feliciteert ook ons. En Hij is blij met ons. Want ieder die gelooft is zelf ook een geschenk, een geschenk van God, de Vader aan Jezus.
Jezus spreekt herhaaldelijk in gebeden tot de Vader in de hemel over degenen die in Hem geloven als “degenen die U mij gegeven hebt”. Jezus is blij met ons als geschenk van God aan Hem. Blij met ieder van ons.
Stroomt er niet een golf van geluk door je heen als je die woorden zachtjes in jezelf uitspreekt: “Jezus is blij met mij!”.

We mogen ons geloof in Hem zien als een geschenk, als een bewijs van zijn liefde voor ieder van ons.  Wanneer we ons daarvan bewust zijn, zal ons geloof ook gepaard gaan met hartelijkheid en warmte.  Zoals bij Maria. Want dat trekt iedereen zo aan in Maria. Dat waardeert iedereen in Maria, de moeder van alle gelovigen.

Als we kostbaar zijn in de ogen van Jezus, moeten we ook blij zijn met elkaar als gelovigen. Blij met elkaar als broeders en zusters. Blij ook met de talenten die aan ieder van ons geschonken zijn om God te dienen. We zijn door ons geloof niet meer van onszelf, maar we zijn een geschenk van God, de Vader, aan Jezus. Samen mogen we Hem en elkaar in liefde dienen als geschenk aan elkaar.

Misschien denkt iemand nu. De wereld is vol spanning en dreiging en gebeuren onmenselijke dingen, en de pastoor heeft het over blijdschap alsof er niks aan de hand is. Maar lieve, broeders en zusters, wanneer u de afgelopen weken hier in de kerk bent geweest, dan weet u dat ik grote nadruk heb gelegd op die spanning, die nood, en die onmenselijkheid. Nee, we doen absoluut niet alsof er niks aan de hand is door vrolijk te zijn alsof we op een onbewoond eiland leven. Nee, we mogen blij zijn met ons geloof, niet omdat er niks aan de hand is, maar omdat ons geloof ons moed en kracht en uitzicht geeft in de moeilijke omstandigheden.
En we mogen blij zijn omdat we dat geloof ook aan de mensen mogen verkondigen en aanbieden als houvast in deze donkere tijden, het geloof in Jezus Christus.

Jezus feliciteert Petrus met zijn geloof in Jezus als de Christus, de Zoon van de levende God. En hij geeft Petrus er nog een cadeau bij.
Zijn geloof is al een geschenk, een geschenk van God, de Vader. Het cadeau dat hij van Jezus erbij krijgt, is de sleutel. De “sleutel van het rijk der hemelen”.
Die sleutel is het geloof in Jezus zelf. Want wie gelooft, krijgt de kans en de macht om harten van mensen te winnen voor Gods liefde.
Door ons geloof delen we in de liefde van God. Door ons geloof mogen we de wereld uitzicht geven op Gods goedheid en liefde. Door ons geloof mogen we alle mensen hoop geven in een wereld vol teleurstelling en pijn en verdriet. Zo zijn we allemaal sleuteldragers.

We hoorden in de eerste lezing dat de tempelbewaarder een sleutel op de schouders gelegd kreeg bij de aanvaarding van zijn ambt. In die tijd was een sleutel waarmee de poort moest worden geopend heel groot en lang. Die sleutel was een geschenk aan de tempelbewaarder, maar ook een opdracht. Vandaar dat hij op de schouders werd gelegd. Een opdracht, een lastgeving om de poort van het huis van God open te doen voor velen.
Paus Franciscus als sleuteldrager en opvolger van Petrus geeft het goede voorbeeld voor het oog van heel de wereld. Maar we mogen niet gaan achteroverleunen om te kijken hoe bijzonder Franciscus dit persoonlijk doet. We moeten juist uit onze gemakkelijke stoel komen en zelf aan de gang gaan. Wij mogen allen op onze eigen manier en in onze eigen wereld door de sleutel van het geloof harten van mensen openen voor God en zijn rijk.

Nogmaals, ons geloof, niet als eigen verdienste, als eigen uitvinding maar als geschenk van God. Een geschenk waarover we ons zelf dagelijks verwonderen. Een geschenk dat ons blij maakt. Een geschenk waarmee we elkaar feliciteren. Dat geloof en die blijdschap is de sleutel voor alle mensen tot het rijk van God.
Want met die sleutel heeft God ook ons eigen hart opengedaan. En wat God opengemaakt heeft, kan geen mens meer sluiten.  Nogmaals allemaal van harte gefeliciteerd. Amen

(c) Martin Los pr.

Homilie op het hoogfeest van Onze Lieve Vrouw ten Hemelopneming 15 augustus 2014 Mariakerk De Meern

Voorgeschreven lezingen uit de Bijbel tijdens deze Mis volgens het wereldwijde lectionarium van de r.k. kerk  1e lezing: Openbaring van Johannes 11:19a;12:1-6a,10ab 2e lezing: I Korinthiërs 15:20-26. Evangelie: Lucas 39-56

Lieve zusters en broeders, het visioen van de vrouw met de zon bekleed en de maan aan haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren vertelt ook van een grote draak met zeven kopen en tien horens. Hij staat tegenover de vrouw om haar kind te verslinden zodra zij het gebaard heeft.
In het visioen loopt het goed af. Het kind wordt weggevoerd naar God en zijn troon. En de vrouw vluchtte naar de woestijn waar zij een plaats heeft door God bereid.
In het visioen loopt het goed af, maar in de werkelijkheid waarin de christenen leefden toen dit visioen werd opgetekend door Johannes, leek het met gelovigen en de kerk niet goed af te lopen. Tallozen werden vervolgd om hun geloof en gedood. Ze werden onthoofd voor ieders ogen of voor tot vermaak van de massa voor de leeuwen geworpen.
Daarom kreeg Johannes dit visioen. Daarom heeft hij het opgeschreven. Om te zeggen: “soms lijkt het volk van God geconfronteerd met een verschrikkelijke tegenstand. Een draak met zeven koppen en tien horens”. Toch zullen de tegenkrachten haar niet kunnen overweldigen en wegvagen.

Het gebed van heel de kerk gaat in deze dagen uit naar onze broeders en zusters in Noord-Irak. Daar bestaat de kerk al tweeduizend jaar. Ze is even oud als het christendom zelf. Nu worden daar de christenen massaal verdreven uit hun huizen en hun woonplaatsen. Velen worden zonder pardon neergeschoten. Anderen worden gedwongen zich tot de Islam te bekeren of enorme belastingen te betalen. Het is ten hemel schreiend wat de medechristenen en andere minderheden overkomt. En degenen die deze gruweldaden begaan zijn in veel gevallen jonge mannen uit Europa en ook ons land.
Geen mens kan begrijpen hoe dit kwaad kan geschieden. Geen mens kan begrijpen hoe deze zogenaamde strijders zulke onmenselijke wreedheden kunnen begaan. Geen mens kan onberoerd blijven bij het horen en het zien van deze gruweldaden tegen onschuldige mensen gericht.

Voor de christenen en andere minderheidsgroepen is het daar in Noord-Irak en op andere plaatsen alsof de wereld vergaat. Alsof tegenover de vrouw die in blijde verwachting is en de wereld toekomst mag geven, een alles verslindende draak staat, klaar om haar kind te verslinden en alle hoop de grond in te boren. Maar dat zal níet gebeuren. Dat vertelt het visioen. En dat is de ervaring van het volk van God door de tijden. Het is vaste vertrouwen in God.

Wij hopen dat onze zusters en broeders in de geteisterde gebieden de troost van dit visioen zullen voelen. Door de zekerheid die God zelf geeft dat het kwade niet zal overwinnen.
Want het kind van de vrouw is niemand minder dan Jezus Christus die door zijn kruis de macht van het kwade en de dood een beslissende slag heeft toegebracht. Hoe het kwade ook woedt het kan het geloof in God niet meer wegvagen en totale duisternis komt op aarde.
De gruwelen zullen niet in staat zijn de hoop in de mensheid op de wereld van God te kop in te drukken. Integendeel, juist tegenover wreedheden en de onmenselijkheid zal het volk van God in de wereld des te meer schitteren door haar geloof in Gods liefde, door haar verlangen naar gerechtigheid en vrede, door haar mensenliefde, door vertrouwen dat het rijk van God aanstaande is.

We bidden voor de christenen daar, maar ook voor onszelf hier. Dat we geconfronteerd met het lot van onze medechristenen, zelf ook bereid zijn voor ons geloof uit te komen. Dat we ons weer bewust worden wat ons geloof ons waard is. En dat we ons inzetten om de nood van hen die vervolgd worden te verlichten.

De onmenselijkheid die mensen op dit moment begaan, maakt dat we ons er allemaal voor schamen om mens te zijn. Als we zien wat de mannen van ISIS doen dan kijken we in een diepe afgrond, en we huiveren bij het zien van het onvoorstelbaar kwade waartoe mensen in staat zijn.

Gelukkig komt het geloof ons te hulp. Het voert ons weg van de afgrond van het kwade waartoe mensen in staat zijn. Het geloof laat ons juist het mooíste en duurzaamste zien wat mensen hebben voortgebracht: Maria, de moeder van Jezus.
Zij is het beeld van heel het volk van God. Door haar geloof. Door haar liefde. Door hartelijke aanwezigheid in het leven van Jezus, het kind dat uit haar geboren was. Zij stond naast hem in zijn lijden. En zij geloofde in zijn overwinning op het kwade en de dood door zijn trouw aan de liefde van God.
Wat een enorme troost moet het voor Jezus geweest zijn dat op het moment dat hij uitriep in uiterste beproeving “ mijn God waarom hebt ge mij verlaten” Maria vol liefde en respect en stil geloof bij hem stond aan de voet van het kruis.

Voor de christenen in Noord-Irak en het midden Oosten is de verering voor Maria twee duizend jaar oud. En deze liefde voor Maria is nog even sterk en hartelijk. Op dat punt kunnen wij hier in het Westen hen leren.
Want overal waar liefde is voor de moeder van de Heer, is de kerk levendig ondanks armoede en strijd. Waar christenen als haar kinderen trots op Maria zijn, is de kerk vervuld van liefde en hartelijkheid en eenvoud en spontaniteit.
Waar wij Maria betrekken bij ons leven en ons werken en ons bidden, kan niemand ons geloof in Jezus en in God, onze Vader, ons afnemen.
Als ons oog gericht is op Maria in de hemel bij haar Zoon, zullen we altijd de kracht van de hoop in ons ervaren op de goede afloop van ons leven en deze wereld in het rijk van God waarnaar we op weg zijn en Maria ons is voorgegaan. Amen

(c)  Martin Los