Homilie in de Kerstnacht 2013 Mariakerk De Meern

Preek in de Kerstnachtmissen in de Mariakerk op 24 december 2013 De Meern
voorgeschreven lezingen uit het r.k. leesrooster: Jesaja 9:1-6, Titus 2:11-14. Evangelie: Lukas 2:1-14

Lieve zusters en broeders, ruim een maand geleden was ik met een groep van veertig pelgrims uit ons land een week in Israël. We waren op zondag in Bethlehem. De helft van de groep bestond onze pelgrims met behoefte aan zorg vanwege verlamming, blindheid of andere ernstige oorzaken.
We vierden daar op die zondag in de november in de grot op het Herdersveld de Mis. Het was geen vraag wat voor soort Mis.  Als je daar bent, vier je de Kerstmis. Zoals vanavond. En we zongen natuurlijk “Nu zijt wellekome” en “de Herdertjes lagen bij nachte” *)
We vierden Kerstmis in dezelfde grot waar volgens de traditie de herders de wacht hielden over hun kudden. Toen verscheen plotseling een engel aan hen met de boodschap: “Vrees niet want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David”.

Het was heel ontroerend om met deze groep mannen en vrouwen van wie velen een gebrek hadden, te vieren en erbij stil te staan dat God mens geworden is.
God is mens geworden. Mens zoals wij daar bij elkaar waren in de grot. Mens zoals de twee blinde medepelgrims en de man met een dwarslaesie en de vrouwen in hun rolstoel. Mens zoals wij allen met onze kwetsbaarheid en gebreken.
We beseften daar in die grot op het Hersdersveld heel goed: als God mens geworden is, dan is hij één geworden met ons allemaal.
En is dat niet precies waarom wij hier vanavond allen tezamen zijn gekomen rondom het Kind in de kribbe?

God is mens geworden. Maar wat betekent het dat God mens is geworden? Er zijn ontelbare mensen, heel verschillende mensen. Maar in al die verschillende mensen die we zijn, ontmoeten we die ene mens die we allemaal samen zijn. Mannen, vrouwen, blank, bruin, getint, heterosexuelen, homosexuelen, transgenders, mensen van alle rassen en talen, volken en staten. Ondanks die verschillen hebben we allemaal deel aan die ene mens. Die ene mens die zoals wij geloven, door God geschapen is.
Zonder uitzondering zijn we allemaal vertegenwoordigers van die ene mens. Ook wel mensheid genoemd. Als vertegenwoordigers van die ene mens die we zijn, hebben we allemaal een boodschap aan elkaar. We kunnen niet zonder elkaar.
Niemand van ons is zomaar  uit de lucht komen vallen of in de wereld geworpen.  Iedereen is geboren uit een mens. We zijn allemaal mensenkinderen.

Vanaf het moment dat we geboren werden, namen mensen onze in de armen, noemden onze naam, keken ons in de ogen, lachten tegen ons. Want als mens ben je een persoon. Iemand met een naam en gezicht. Iemand met een geschiedenis en een toekomst. Het eerste wat we kunnen als mensenkind is de ander aankijken en het gezicht van de ander in ons opnemen. De baby laaft zich aan het gezicht van de moeder en de vader.
We zijn dus als mens op elkaar aangewezen. We vormen samen op talloze wijzen een gemeenschap.

Maar we kunnen ook met de rug naar elkaar toe gaan staan. We kunnen elkaar negeren. We kunnen doen alsof we alleen op de wereld zijn.
Dan worden we van personen individuen. Van mensen met een gezicht worden we naamloze voorbijgangers. Mensen die geen boodschap aan elkaar hebben. Vreemdelingen voor elkaar, ook al wonen we in dezelfde straat.
Als individu zijn we consumenten van het leven, altijd op zoek naar genot en gemak.  Anders zijn we ontevreden en boos. Levenslange toeristen. We vragen wel wat de ander voor ons kan betekenen, maar niet wat wij voor de andere kunnen betekenen.

Bedoelen we  nu met de boodschap dat God mens is geworden,  dat God als zo’n individu in de wereld is gekomen. Nee,  God is mens geworden in de zin van persoon, iemand met een naam en een gezicht: Jezus Christus. Jezus is geen individu, maar hij is een persoon die op alle mensen van alle tijden toe komt en die met ons verbonden is.
Hij komt op ons toe als een kwetsbare mens, een kind in de kribbe, en later als de man aan het kruis. En hij nodigt ons uit om één te worden met hem. Om een gemeenschap met hem te vormen. Een nieuwe mens. Vervuld van God.

Met andere woorden: God is mens geworden betekent: hij is één met ons allemaal geworden. ons. Met de bedoeling dat wij weer de echte mens worden waartoe we bestemd zijn.
En met de bedoeling dat we ook met elkaar de verbinding aangaan. Jezus nodigt ons uit de verbinding met elkaar aan te gaan, en dat we in iedereen de God die mens geworden is, herkennen.
In de gebreken en de kwetsbaarheid van elkaar, maar ook de in de mogelijkheden en de talenten. Geen vijanden en tegenstanders van elkaar, maar bondgenoten.
Mensen die allemaal een boodschap aan elkaar hebben. Mensen die samen van het leven iets moois proberen te maken. Die samen laten zien wat echt mens zijn betekent. Menszijn waarin God één met ons geworden is en waarin de liefde van God aan het licht komt

Veel mensen beleven een hele moeilijke tijd door verlies van werk, van inkomen, van zekerheid over de toekomst. Ook lijden velen aan de gevolgen van het individualisme, eenzaamheid, scheiding, uitzichtloosheid. De zorg voor de zieken en mensen met een gebrek neemt af door de bezuinigingen. Een zware tijd voor velen.
Maar deze tijd is ook een enorme kans om weer opnieuw zicht te krijgen op de mens die meer is dan een individu. Het is de hoogste tijd om weer de mens te ontdekken die we ten diepste zijn: een mens met een naam en een gezicht, een persoon, die gericht is op de ander. Op de mens die gemeenschap is.

De nood dwingt ons tot de participatiemaatschappij waarover de nieuwe koning sprak in de troonrede. Sindsdien gaat er geen dag voorbij of we horen dat woord uit de mond van politici: participatiemaatschappij. We moeten verantwoordelijkheid nemen voor onszelf en onze omgeving. Niet alles afschuiven op de overheid.
Iedereen voelt aan dat deze nadruk op participatiesamenleving uit nood geboren is. Er moet fors bezuinigd worden. Maar betekent verantwoordelijkheid nemen voor jezelf niet dat de mensen die op de een of andere manier gebrek lijden, het niet redden. Wie komt voor hen op?

En stel dat straks de economie weer aantrekt, gaan we dan weer de kant op dat we zeggen dat overheid moet overal maar voor zorgen?
Of is het inzicht dat we samen iets voor elkaar betekenen kunnen en dat daarin voldoening en geluk ligt, duurzaam? Staan we niet op de drempel van de nieuwe ontdekking van de waarde van gemeenschap. Als geloofsgemeenschap mogen we daarin een bijzonder rol vervullen want wij hebben de blijde boodschap voor heel de wereld.

Met Kerstmis vieren we dat God verder gaat dan participeren in de samenleving. Hij is één geworden met ons.
Dat is de aansporing aan ons allen om weer te gaan zien hoe kostbaar ieder mens is in Gods ogen. Laten we met zijn ogen naar elkaar gaan kijken. Laten we elkaar bekijken met de ogen waarmee Jezus Christus op ons toekomt en naar ons kijkt, en ons aanvaardt en bemint en een geluk zonder einde wil schenken.

Misschien gaan we dan zien hoe we God ontmoeten juist in kwetsbaarheid van mensen. Juist als we niet alleen voor onszelf leven, maar echt voor de ander, mogen we ervaren hoe God niet ver is, maar heel dichtbij. Emmanuel, God-met-ons.

Lieve zusters en broeders, Kerstmis is het niet alleen vannacht en morgen, en niet alleen in deze tijd met zijn kerstbomen en slingers. Het is het hele jaar Kerstmis wanneer we elkaar aankijken als mens en als persoon. Door Kerstmis zien we elke dag hoe Christus zelf ons aankijkt door de ogen van de ander. De vraag is: hebben we dan ook een boodschap aan elkaar? Amen

© Martin Los

*) in de week dat we in Israel waren werd de groep via Twitter en Facebook ook gewaar van de hype in de vaderlandse media over de bisschoppen die “stille nacht” en de “herdertjes lagen bij nachte” verboden zouden hebben. We voelden intuïtief aan dat dit niet klopte. Met des te meer plezier zongen we deze liedjes tijdens de Mis in Bethlehem

Homilie op de 4e Adventszondag 21/22 december 2013

Preek op de 4 zondag van de Advent jaar A 2013 in de Willibrordkerk te Vleuten (21/12)  en de Mariakerk  (22/12) *)
Voorgeschreven lezingen volgens het lectionarium van de r.k. kerk: 1e lezing Jesaja  7:10-14; 2e lezing Romeinen 1:1-7. Evangelie: Mattheus 1:18-24

Lieve zusters en broeders, van ieder mensenkind staat vast dat hij of zij uit een vrouw geboren is.
Elke vrouw is er zelf bij als haar kind geboren wordt. Ze weet dat het haar kind is. Ze heeft het in haar schoot gedragen. Ze heeft het gedragen onder haar hart. Het is een deel van haar zelf geweest. En dat blijft zo.

Volgens de definitie dat elk mens uit een vrouw geboren is, is het een echt mensenkind. Daar kan geen twijfel over bestaan. Ook niet wie de moeder is bij de geboorte.
Ook onze Heer Jezus Christus is geboren uit een vrouw, uit Maria.

Het is voor ons geloof heel belangrijk dat Jezus een mensenkind is net als wij allen. Zijn geboorte uit de maagd Maria betekent niet  dat hij uit de lucht is komen vallen als een soort bewoner van een andere planeet die een bezoek bracht aan de aarde en onze mensenwereld.

Hij is ook niet een godenzoon die even voor de schijn een menselijk lichaam aangetrokken heeft, maar geen echt mens was.  Iemand die ook niet echt voor onze zonden aan het kruis gestorven is, omdat hij toen de mens Jezus stierf, dat menselijk, sterfelijke lichaam als een jas aan de kapstok hing, en net op tijd weer verdween.

Met Kerstmis vieren we dat God waarachtig mens geworden is, en heel het menszijn met ons gedeeld heeft als echt mensenkind. Met als doel ons, mensenkinderen, weer deel te geven aan God.

Daar draait het in het christelijk geloof om als wij, christenen, Kerstfeest vieren. Jezus is als iedere mens uit een vrouw geboren. Een mensenkind net als wij allen. Maar wel met een unieke boodschap

Sommige wetenschappers dromen ervan dat zij ooit een mens kunnen klonen. Die mens wordt dan niet uit een moeder geboren. Hij of zij wordt gekweekt uit een cel. Met planten is dit al heel lang het geval. De hortensia die u koopt in het tuincentrum is een stek van een ebstaande hortensia. Met dieren is het een enkele maal gelukt.

Mocht het ooit met een mens lukken, dan weten we zeker dit die mens geen mensenkind is, maar een kopie van een reeds bestaande mens. Dat is echt niet iets om naar uit te zien. Een mensenkind is geen kopie van iemand, maar een unieke persoonlijkheid.
Het menselijk avontuur bestaat hieruit dat uit de vereniging van man en vrouw steeds een nieuwe unieke persoon voortkomt. En aan dat menselijke avontuur wordt steeds een nieuwe generatie toegevoegd als een nieuw verrassend hoofdstuk.

Ook daarin is Jezus één met ons geworden, want hij was een herkenbare mens, levend in zijn tijd, met een eigen gezicht en een eigen karakter en eigen levensweg. Een echt mensenkind!

Van ieder mensenkind staat bij de geboorte vast wie de moeder  is, want zij is er zelf bij. Maar wie is de vader? Dat weet eigenlijk alleen de moeder.
We mogen aannemen dat de echtgenoot als regel inderdaad de vader is. Maar anders dan de moeder die het kind zelf ter wereld brengt, moet de vader het kind erkennen. Hij is als het ware de eerste die het kind welkom heet in de menswereld en het bescherming biedt. De vader erkent zijn kind als het zijne doordat hij het zijn naam geeft.

Door een wetswijzing is het in Nederland mogelijk geworden dat ouders met wederwijdse toestemming het kind de naam van de moeder geven. Ik ben nog niet vaak tegengekomen dat dit ook werkelijk gebeurde.
Kennelijk is er toch bij veel ouders het besef, dat het kind al door een onverbrekelijke natuurlijk band aan de moeder verbonden is, en dat juist de band met de vader extra bevestiging nodig heeft. Door de naam verbindt hij het kind aan zich.
Als het kind de naam van de vader draagt zal deze ook veel sterker zich verantwoordelijk weten voor het kind en daar minder snel voor weg lopen, want als hij dat doet, blijft hij door de naam altijd aan het kind verbonden. **)

Een menskind is van nature direct met de moeder verbonden. Met de vader is het verbonden door de erkenning en door de maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Nu begrijpen we beter waar het in het Evangelie van deze zondag omgaat.
Jozef krijgt in een droom door een engel de opdracht om Maria bij zich in huis te nemen, en bij de geboorte van haar kind dit kind een naam te geven: Jezus, de zoon van Jozef.
Want anders zou Jezus wel geboren zijn als mensenkind, maar hij zou maatschappelijk niet geaccepteerd zijn. Hij zou niet staan in een bepaalde lijn van vader op zoon.

Jezus is niet het biologische kind van Jozef, maar door de naamgeving erkent hij het kind van Maria als zijn kind. Doordat Jozef Jezus erkent als zijn kind wordt het een kind in de lijn van zijn voorvader, de grote koning David. En daarmee zullen ook de beloften aan David en zijn volk in vervulling kunnen gaan. Want  door de erkenning door Jozef is Jezus een echte zoon van David.

Is dat dan toch niet een vorm van “jokken” dat Jozef het kind van Maria als het zijne erkent? Een soort vroom bedrog?
Nee, want Jozef geeft gehoor aan de opdracht van de engel die hem in de droom verschijnt. Het is geen list om wat krom is, recht te maken. Trouwens, Jozef wordt “rechtsschapen” genoemd. Een integer mens. Geen man met een heimelijke agenda.

Maar ook wettelijk en cultureel gezien is de naamgeving door Jozef geen bedrog. In alle landen geldt dat een kind ook door adoptie door de vader wettelijk erkend wordt als kind. Al is het niet zijn biologisch kind, het is zijn kind met alle rechten. Klaar uit!
We zien ook in onze omgeving voorbeelden genoeg van ouders die niet de biologische ouders zijn van een kind, maar daar vol liefde en verantwoordelijkheid voor zorgen als hun eigen vlees en bloed.

Jezus is dus omwille van ons heil geboren als mensenkind uit Maria. Maar hij is óók omwille van ons heil erkend door Jozef.
Door die erkenning is  Jezus als zoon van Jozef opgenomen in de menselijke maatschappij met zijn cultuur, historie, wetten en verplichtingen.
Jezus is geen buitenbeentje gebleven die voor spek en bonen mee deed in de samenleving. Een “outlaw” waaraan men geen boodschap had. Integendeel: Zoon van David was hij.
Hij nam een plaats in met een naam en een afkomst. Hij kreeg een opvoeding die hem klaar maakte om als volwassene een verantwoordelijke taak op zich te nemen ter wille van de mensen.

Zo werd hij degene die uiteindelijk als leraar de wet uitlegde. En zo werd hij ook degene die de wet ook zelf vervuld door te laten zien wat de wet van God betekende: liefde tot God en de naaste.
Door die wet van liefde en gerechtigheid te vervullen, ga hij zijn leven geven aan het kruis. En zo mocht hij degene worden, die ons mensenkinderen tot kinderen van God maakt.

Dat is de prachtige ruil die we met Kerstmis vieren: de Zoon van God werd mensenkind, opdat wij, mensenkinderen, door het geloof in Jezus  kinderen van God zouden worden.
Jezus was een echt mensenkind, geboren uit een vrouw. Niet verwekt door een man maar door de heilige Geest.
Omgekeerd mogen wij als mensenkinderen door diezelfde Geest kinderen van God zijn. We hebben die Geest bij de doop onder handoplegging ontvangen. Niet om te doen alsof we meer of beter zijn dan andere mensen, maar als een boodschap van God aan alle mensen dat zij zijn kinderen zijn.
Dat is een groot geheim dat we door ons geloof koesteren als een ongelofelijk voorrecht en als een bron van intense vreugde en een boodschap voor alle mensen.

Wat mooi dat de heilige Jozef net als Maria de boodschap van de engel aanvaardde. Daar was voor hem net als voor haar een groot geloof voor nodig. Laten wij niet bij hun geloof achterblijven, maar ons geloof koesteren als een schat. En laten we vol vreugde het feest van de geboorte van Christus tegemoet gaan. Amen

*) Deze preek is ook in een iets andere versie verschenen in het Werkboek Zondagsliturgie  Advent 2013 A Gooi&Sticht p. 55v.
**) Waarom niet de mogelijkheid geboden om een kind naar beide ouders te noemen zoals in Spaanstalige landen?