Pokémon Go als bron van verwondering en ironie

e4ff0caa-0c94-4bee-b828-4c6f067b3bdeIn mijn directe omgeving merk ik nog niets van de nieuwste rage Pokemon Go. Maar mijn tijdlijn op twitter is er vol van. Overal beelden van jongeren met hun mobieltjes voor zich die gericht zijn op op het oog onzichtbare figuurtjes. Die Pocket Monsters kun je waarnemen en oogsten of vernietigen door de app van Pokėmon Go te gebruiken. De monstertjes, sommige lief, anderen beetje kwaadaardig, bevinden zich overal. Op straat, openbare gebouwen, ziekenhuizen, politiebureau’s, kerken en parken.

Jongeren met hun mobieltje stromen samen, vaak als team, op al die plekken, om hun monstertjes te scoren, en lopen zelfs naar binnen niet om een zieke te bezoeken, of een aangifte te doen, of een kerkdienst bij te wonen, maar om al die wonderlijke wezentjes op te sporen. De bedoeling is vanzelfsprekend om op een hoger level te komen.
 Op twitter waarschuwt de politie al om op straat op het verkeer te letten en niet onder een auto terecht te komen bij het vangen van één van de voor het oog onzichtbare poppetjes. Ook maakt ze erop attent dat criminelen jongeren verlokken de figuurtjes te zoeken op duistere eenzame plekken om ze vervolgens hun mobieltjes af te nemen. Natuurlijk zitten ziekenhuizen ook niet te wachten op mensen die daar niks te zoeken hebben en in de weg lopen met hun mobieltjes en komen in actie. Zo kan ik doorgaan. Ook zien slimme ondernemers hun kans. Een caféhouder probeert klanten aan te trekken met de mededeling dat je korting krijgt als je het digitale mormeltje dat zich op zijn terras bevindt, komt zoeken.
Het is al lang aan de gang dat de digitale wereld de reële wereld beïnvloedt, maar dit spel en de rage die het veroorzaakt, maakt wel heel duidelijk hoe beide werelden steeds meer vervlochten raken en op elkaar inspelen. Geen mens die kan overzien waar deze ontwikkeling toe leidt. Ze leidt in elk geval tot vele en snelle veranderingen en tot veranderingen van veranderingen. Wat dit met ons als mens doet, emotioneel, sociaal, spiritueel is ook de vraag.
Duidelijk is dat het Pokemon Go Game zelfs digitale blinden de ogen kan openen voor een veranderend wereldbeeld en de gevolgen voor onze beleving en zelfverstaan als mens. Zoals altijd zien we ook hier pessimisten die zich zorgen maken, en optimisten die kansen zien, en anderen die liever de kat uit de boom kijken. Hoe dan ook lijkt er sprake van een onstuitbare ontwikkeling.

Wat mij intrigeert aan het Pokémon Go Game zijn de overal op het scherm tegen de achtergrond van werkelijke gebouwen en fysieke ruimtes opduikende “levende” ikoontjes, sommige als engeltjes anderen als duiveltjes. Ik las dat de maker van Pokemon een Japanse achtergrond heeft, en dat de Japanse cultuur doordrongen is van bezielde wezentjes in alle soorten en maten. Men leert bijvoorbeeld zijn schoenen bij het uittrekken bedanken dat ze de gebruiker die dag geleid hebben naar een succesvolle handeling of ontmoeting. Alles kan dus in wezen uiting zijn van goede of zachte krachten die je als mens in je leven vergezellen, of van minder welgezinde machten waar je mee te maken krijgt. Er zou dus een indirecte religieus aspect aan Pokemon Go zitten. Of dit typische Japans is, betwijfel ik. De populariteit van engeltjes en kaboutertjes en andere aard- en hemelwezentjes in doorsnee Westerse woningen, is teken dat veel mensen het gevoel hebben dat de werkelijkheid niet alleen bepaald wordt door wat je er van ziet, maar ook door onzichtbare invloeden.

De socioloog Max Weber typeerde als eerste onze moderne visie op de werkelijkheid als “disenchanted”, van haar betovering ontdaan, als gevolg van wetenschap en techniek en in éen adem als motor en object van wetenschap en techniek. Dit is de heersende visie geworden in de hedendaagse Westerse samenleving. In een bepaalde zin is daardoor geloof in God, of in wat voor onzichtbare wezens dan ook, illegaal geworden. Niet dat er geen vrijheid van godsdienst is, maar wie gelooft in een onzichtbare macht of machten, wordt eigenlijk niet helemaal voor vol aangezien. Volgens deze visie kan geloof eigenlijk het daglicht van de moderne wetenschap en wereldvisie (Verlichting) niet verdragen. Toch zijn er naast de nog steeds krimpende groep leden van de officiële godsdiensten in onze streken, zeer veel mensen die toegeven dat ze het gevoel hebben dat er wel “iets” is. Meest als gevolg van een persoonlijke ervaring met iets dat verwondering oproept, of diep respect. Werd dit lang geleden niet uitgedrukt door engeltjes en kaboutertjes?
Het is toch ironische dat uitgerekend als gevolg van de moderne techniek en wetenschap die de computer en de iPod hebben voortgebracht, nu hele groepen jonge mensen met een moderne opleiding koortsachtig zoeken met hun mobieltje naar de digitale ikoontjes van onzichtbare wezentjes. Alsof de wereld re-enchanted moet worden. Het is een spel, oké, hoewel, game klinkt al ernstiger, maar Pokémon Game is misschien toch uiting van dat diepe verlangen te ontdekken dat we niet alleen op de wereld zijn als mensen, maar dat we gezelschap hebben. Niet alleen van andere levende wezens, van de dieren en planten die we door ons groene bewustzijn weer meer leren respecteren en koesteren. Maar ook van onzichtbare krachten die ons beschermen of op de proef stellen. En is die gedachte nou echt zo bedreigend voor ons moderne bewustzijn? Het is de vraag aan de Verlichting of ze gestructureerde argwaan is, of echt een perspectief van vrijheid waar ruimte is voor twijfel, ironie, en speelsheid.

Mag ik nog wat fantaseren? Ik zie ook een soort Go Game voor me. Jezus heeft gezegd: “als je een kind opneemt in mijn naam, neem je mij op” en “als je een arme kleedt, heb je dat aan mij gedaan” of “als je een gevangen bezoekt, bezoek je mij” (hongerenden, dorstigen, naakten etc.) of “ waar twee of drie in mijn naam bijeen zijn, ben ik in hun midden”. Stel je voor dat we een app konden maken die zodra je een vluchteling of een ander kwetsbaar mens in beeld krijgt, dat je dan een icoon van Christus zou zien die je uitnodigt te helpen, of wanneer je mensen ziet die zich inzetten voor vrede of mensenrechten, met datzelfde ikoontje dat je aanspoortom die je steun te geven. En dan even off-line gaan en je handen uit de mouwen steken. Je level doet er dan niet meer toe want het doel van de game is dan bereikt.

(c) Martin Los.

liever geen onnodige ballast

Babyboomers in de USA kunnen hun spullen niet meer kwijt aan hun kinderen, las ik deze week in een Amerikaanse onlinekrant. In Nederland is dat niet anders. Als de naoorlogse generatie kleiner wil gaan wonen en van rijtjeshuis of twee-onder-een-kap verhuist naar een appartement, moeten de zolders en soms kelders en de vele kasten worden leeggeruimd.
ballast2016Oud serviesgoed, bestek, kleden, meubilair, bedden, wordt aan de kinderen aangeboden, maar die hebben er geen behoefte aan. Het is hun smaak niet. Ze hebben geen zin in tweedehands al is het van hun ouders. Ze willen vooral geen ballast.
Onder de bestsellers in de boekhandel vind je nu boeken over hoe je grote opruiming houdt. Zo weinig mogelijk spullen in huis geeft je een goed en gezond gevoel, is de boodschap. Less is more.
In die sfeer hoeven de senioren al helemaal niet met hun overbodige zaken aan te komen bij de kinderen. De veertigers van nu als ze gehuwd zijn of met een partner samenwonen, werken beide. Veel tijd om zelf schoon te maken is er niet. En om een betaalde kracht boeken af te laten stoffen, is niet handig. De robotstofzuiger doet zijn intrede in de huiskamer maar dan heb je graag zo min mogelijk zaken rondslingeren. Veel van de jarenlang opgehoopte dingen komt niet meer bij de kinderen terecht zoals in vroeger waarin niets werd weggegooid, maar bij de Emmaus en bij de afvalverzamelplaats.
Deze trend blijft niet beperkt tot materiele zaken zoals huisraad van allerlei aard. Wat te denken van de dia’s, de fotoalbums, de videobanden, cassettebandjes, boeken met herinneringen. De veertigers schudden hun hoofd bij de gedachte dat zij hiermee de planken van hun kasten zouden moeten vullen. Alles wat niet gecomprimeerd kan worden op een USB stick, gaat de ondergang tegemoet. Vuilnisophalers kunnen ervan meepraten. Complete verzamelingen dia’s en bergen fotoalbums komen op de stortplaats of in de verbrandingsoven terecht.
Maar de kindertekeningen, de foto’s van de kindertijd, en allerlei andere dierbare herinneringen, de eerste hockeystick, babyschoentje, die de ouders bewaard hebben van hun kinderen zullen ze toch wel met blijdschap in ontvangst nemen en met zorg willen bewaren? In veel gevallen niet. Ze zijn vertederd dat pa en ma deze tastbare sporen van hun kindertijd gekoesterd hebben, maar toch niet om hen er nu zelf mee op te zadelen. Teleurstelling en tranen bij de babyboomers. Is dan alles wat zij bewaard hebben in de hoop dat hun kinderen er blij mee zijn, overbodig? Het is even slikken. Ja, het meeste wel.
Tot zover gaat het over materiele dingen. Vaak voorwerpen die herinneren aan de geschiedenis van familie en gezin. Het lijkt alsof je dan niet alleen kale voorwerpen wegdoet, maar beelden van je leven. Materieel en immaterieel raakt hier aan elkaar. Een ding is niet alleen een ding.
Dit roept natuurlijk de vraag op hoe het dan staat met de niet tastbare zaken? Ik denk aan de religieuze traditie? Regelmatig bellen kinderen van een langstlevende oudere die overleden is, bij mij aan de pastorie aan met een doos vol kruisbeelden, heiligenbeeldjes, rozenkransen, communiekleedjes en oude misboekjes: “Misschien kunt u er anderen blij mee maken. Wij doen er niets mee, maar we willen deze spullen toch niet graag bij de vuilnis doen”. Vooral uit deze laatste opmerking blijkt hoe ze respectvol staan tegenover de waarde ervan door het gebruik ervan door hun ouders en grootouders. Maar zelf kan de jongere generatie er niet mee uit te voeten.
Een kruisbeeld is voor de oudere generaties niet een soort versiering, maar een venster op een onzichtbare werkelijkheid. De rozenkrans is niet een soort religieus tijdverdrijf, maar tastbare verbinding met de wereld van gebed en van het mysterie van God. Als de jongeren in het algemeen deze devotionalia als voor hen overbodig ervaren betekent dit niet dat zij niet meer zouden geloven of willen geloven. Ze denken vaak met groot respect aan de oprecht vroomheid van hun ouders en grootouders. Maar zij verbinden geloof niet met gebruiken van voorwerpen. Dit leidt vaak tot de vraag of geloven wel iets is van deze tijd, zo verbonden is het voor velen met uiterlijke, soms verouderde, voorwerpen.
Natuurlijk zegt dit allemaal beslist iets over onze omgang met materiele zaken zowel uit de familietraditie als de religieuze traditie. Hebben voorwerpen, materiele dingen, steeds minder betekenis voor ons? Beschouwen we alles in de eerste plaats of alleen als gebruiksvoorwerpen? Dan is het vanzelfsprekend dat we de dingen om ons heen steeds meer als vervangbaar en zelfs hinderlijk gaan beschouwen.
Hebben we de verbinding met het verleden die de dingen vormen, niet meer nodig. Ze vormden ons thuis. Hoe zit dat nu? Zijn we op weg om een soort nomaden te worden die altijd onderweg zijn. De vluchtelingen die gedwongen alles achter zich moesten laten, maar ook de moderne burger die vrijwillig geen binding meer aangaat omdat spullen ballast zijn?
Wat de godsdienstige traditie betreft, zeker in zijn katholieke vorm, is deze ontwikkeling een grote uitdaging. Beelden en andere religieuze voorwerpen maakten het onzichtbare zichtbaar. Het tastbare mag het goddelijke representeren. Gaat dit besef verloren of bevinden we ons in een overgangssituatie die vraag om nieuwe vormen en nieuwe representatie?
Het zou niet voor het eerst zijn. Ooit ging de vader van alle gelovigen, Abraham, op weg met achterlating van alles, alleen de stem van God die hem riep, volgend. En Jezus zelf was steeds onderweg. Hij droeg zijn leerlingen op de wereld in te trekken met alleen een stok om eventueel wilde dieren af te schrikken en sandalen onder voeten om zich niet te bezeren aan scherpe stenen en stekels. Zelfs geen beurs of extra mantel.
In elk geval is duidelijk dat er in onze tijd sprake is van een representatiecrisis. Van het goddelijke, maar ook van het menselijke. Dat kan duiden op een geloofscrisis, of zelfs een crisis in de menselijke beleving van zichzelf als lichamelijk, zichtbaar, tastbaar, wezen.
Maar als het goed is, is een crisis geen teloorgang, maar doorgang naar een nieuwe vorm en beleving van de werkelijkheid. Daar is best een flinke dosis geloof voor nodig, denk ik.

(c) Martin Los