Koester de ironie als de waarheid je lief is

Standvastig van standpunt
Met liefde denk ik terug aan mijn gereformeerde jeugd. Mijn ouders waren hartelijke oprecht gelovige mensen, maar niet streng. Voor hen waren gereformeerde leer en zede een richtsnoer en geen keurslijf. Ze waren wars van letterknechterij of het nu de Bijbel zelf betrof, of kerkelijke leer/traditie of welke bepalingen van welke instantie dan ook. Wel leerde ik ongemerkt door de gesprekken die mijn ouders thuis voerden met familie en vrienden, dat je altijd een standpunt moest innemen. Als je eenmaal een standpunt had dan moest je dat ook vasthouden en zo nodig ervoor uitkomen. Wij, gereformeerde jongens, gingen dan ook naar de jeugdclub zondagsmorgens na de kerkdienst. Daar bespraken we bijbelse onderwerpen. We leerden discussiëren over allerlei thema’s waar we zelf ook me te maken kregen zoals zondagsrust, respect voor anderen, vloeken, amusement, enzovoort. Had je eenmaal een standpunt gevonden, dan kon je daarmee verder, hopelijk voor je hele leven. Een standvastig standpunt.

“Niet consequent”
Een paar jaar later – de televisie had zijn intrede gedaan – hoorde ik als tiener de toenmalige voorzitter van Feyenoord een uitspraak doen die mij evenzeer onthutste als fascineerde. Een journalist zei tegen hem: “mijnheer Kieboom, vorige maand zei u dit, en nu zegt u dat. Dat is toch niet consequent?” Waarop de havenbaron antwoordde: “Wie heeft gezegd dat ik consequent moet zijn?
De ironie die uit zijn woorden sprak, raakte me diep. Tegelijk zorgde zijn uitspraak voor enige kortsluiting in mijn gereformeerd gevormde brein. Deze echte Rotterdamse manier van “recht voor zijn raap” spreken waarmee ik als Rotterdamse jongen vertrouwd was, maakte me iets duidelijk dat even vreemd als vanzelfsprekend leek: dat een standpunt situationeel door tijd en ruimte bepaald is. Waarheid heeft alles met perspectief te maken. Achteraf gezien sloot deze ontdekking natuurlijk goed aan bij mijn opvoeding en de ruimdenkende manier waarop mijn ouders omgingen met principes. Zij wisten gelukkig dat “Jeder Konzekwenz zum Teufel führt

Meersporigheid
Mogelijk ontdekken we hier de kiem van wat mij later heel lief geworden is. Dat is het inzicht dat de werkelijkheid niet bestaat uit of-of maar uit en-en en nog veel meer. De Calvinistische wereld leefde bij de gratie van of-of. Dat was haar kracht. De waarheid was één, en daarbij past één principieel standpunt. Alleen de Bijbel, alleen het geloof, alleen de genade, alleen God de eer.
Katholieken leefden bij Schrift en Traditie, Geloof en goede werken, genade en natuur, God en mensen. Ze doen dat nog steeds, hoewel ook bij hen of-of denken soms ook voorkomt en voor spanning zorgt. Als de leer boven het leven wordt gesteld bijvoorbeeld.
Ik leerde tijdens mijn studie steeds meer de meersporigheid van de katholieke waarheidsbeleving waarderen. Beide bovenstaande manieren van denken én beleven werken nog steeds door in onze Nederlandse samenleving en de wijze waarop bevolkingsgroepen tegen elkaar aankijken. Protestanten komen op katholieken in het algemeen nog steeds als te stijl en gelijk hebberig over en omgekeerd komen die als weinig principieel, onzeker en soms zelf wat onbetrouwbaar over op hun Reformatorische broeders en zusters. Voeg hier de geografie van boven en beneden de grote rivieren nog aan toe.
Nu we na de nadagen van de verzuiling in een geseculariseerde omgeving terecht gekomen zijn, spelen deze mentaliteiten nog steeds door. Achter menig politiek-correcte uitspraak is het of-of nog steeds te herkennen. Helaas lijkt voor het en-en zowel in de populistische repertoire als in het politiek-correcte steeds minder plaats.
Het is ongelofelijk hoe we in het publieke en politieke debat doen alsof we de waarheid in pacht hebben. Nuances verbleken, ironie gaat verloren, en de enige humor die er is, gaat ten koste van anderen.
Dat gebeurt als we doen alsof we de waarheid zelf in pacht hebben. Het is wat we tegenwoordig “framen” noemen. Maar wij bezitten de waarheid niet. We mogen blij zijn als de waarheid een licht op onze weg is.

Erasmus van Rotterdam
erasmus1In maart van dit jaar woonde ik het symposium Erasmus Oecumenicus bij in het Gouds Museum. Dit symposium was georganiseerd om te herdenken dat 500 jaar geleden de kritische uitgave door Erasmus van het Nieuwe Testament in het Grieks uitkwam. Een jaar voordat Martin Luther zijn stellingen op de vooravond van Allerheiligen op de deur van de kapel in Wittenberg spijkerde.
De grote Nederlander en Europeaan Erasmus blijkt moeilijk te plaatsen. De Rooms-katholieke kerk, Luther en de Reformatie, maar ook de latere humanistische traditie namen afstand van de unieke denker en wetenschapper. Elk om hun eigen reden. Voor de Kerk was hij te kritisch, voor Luther te rooms-katholiek, voor de humanisten te vroom.
Interessant en opmerkelijk is dat tijdens het symposium alle drie stromingen Erasmus nu toch probeerden in te lijven. De pauselijke nuntius in Nederland Aldo Cavalli, een van de inleiders, betoogde met de charme die hem eigen is, dat Erasmus altijd katholiek gebleven is. Van protestantse zijde werd benadrukt dat Erasmus zonder meer gezien kan worden als wegbereider van de Reformatie. En ook van Humanistische zijde lijkt Erasmus gerehabiliteerd te worden als echte humanist. Erasmus past duidelijk niet in een wereld van of-of.
Trouwens, een van zijn meest bekende werken is de Lof der Zotheid. Een boekje dat bol staat van humor. En ook ironie is een wapen, sterker nog een wezenstrek van de in Gouda als kind van een priester geconcipieerde maar in Rotterdam geboren monnik.

Tafelgesprekken als waarheidsvinding
Een van de inleiders was professor Herman Pleij. Met het hem eigen pathos, maar toch heel zorgvuldig, bijna koesterend, legde Pleij uit hoe Erasmus te werk ging bij zijn publicaties.
In die tijd botsten nieuwe ontdekkingen op oude waarheden. Kritische uitingen konden als gevaarlijk worden beschouwd vanwege onrust die ze veroorzaakten. Daarom ging Erasmus zorgvuldig te werk. Niet uit angst, maar omdat hij behoedzaam met de waarheid wilde omgaan. Bij zijn Antwerpse uitgever, maar ook tijdens zijn verblijf in Londen nam Erasmus deel aan tafelgesprekken met kritische geesten uit zijn tijd. De tafel was geen kale vergadertafel, maar een rijk gevulde dis van vrienden onder elkaar die elkaar hun vertrouwen schenken. Tijdens deze tafelgesprekken nam Erasmus vaak bewust een standpunt in dat door niemand nog was ingenomen.
Dat was voor hem de manier om door woord en wederwoord dichter bij de waarheid te komen. Er gingen later verslagen van deze gesprekken – en vooral van de bijdragen van Erasmus – van hand tot hand, door heel Europa. Erasmus protesteerde daartegen omdat wat in die verslagen voor zijn overtuiging doorging, eerder een rol was die hij innam om door het gezamenlijke debat de waarheid omtrent iets te ontdekken. Er sprak voorlopigheid uit deze manier van denken. Als we over de waarheid denken te beschikken ontglipt ze ons juist.

Liefde tot de waarheid kan niet zonder relativering en ironie
Het spreekt mij bijzonder aan dat Erasmus de gesprekken niet gebruikte om zijn standpunt te verkondigen als een onaantastbare waarheid. Hij koos ervoor om door vragen, twijfels, ironie ingenomen standpunten kritisch te benaderen. Daarmee toonde hij aan dat we de waarheid nooit definitief kunnen bezitten, maar dat ze altijd in een bepaalde perspectief gezien en beleefd moet worden.
Wat een zegen zou het zijn voor onze tijd als we leerden zo om te gaan met waarheidsvinding. Nu nemen publieke figuren – en zij niet alleen – een standpunt in dat als absolute waarheid verkondigd wordt. Men identificeert zich er helemaal mee. Van standpunt veranderen wordt gezien als gezichtsverlies en als zwakheid.
Waarom niet soms bewust een ander standpunt innemen om het eigen gelijk van jezelf of de groep aan de tand te voelen? Waarheidsvinding kan niet zonder relativeren. Relativeren van je standpunten, maar ook van jezelf. Erasmus uit Rotterdam verstond deze kunst. Ik pleit ervoor dat we die kunst opnieuw leren en toepassen. Naast elk of-of een en-en, nou-en-of.

© Martin Los

Biografie van het katholieke lichaam

Biografie van het katholieke lichaam

Ons lichaam is heel erg in. Overal zijn sportscholen te vinden. We proberen ons lichaam aan te passen aan onze wensen door de plastische chirurgie. We maken veel werk van de juiste voeding. Velen doen aan Yoga. Magazines en Glossy’s puilen uit van mooie gebronsde lichamen Ziekten van het lichaam beschouwen we als een onrecht waar tegen in het geweer moeten komen. Met hardloopevenementen en tegen een hoge berg op fietsen “staan we op” tegen kanker. We vragen aandacht voor ALS door emmers met ijsblokje over ons uit te gieten voor een selfie op Facebook Door de kennis van ons lichaam die nog steeds toeneemt, bewonderen we het als een perfect apparaat. “De mooie voedselmachine (de charme van onze darmen)” van Giuila Engers is een recente bestseller.

omegajuli2015Veel nadruk ligt in onze tijd op het lichaam dat wij hébben. Een werktuig dat ons ten dienste staat. Een voertuig waarmee we ons bewegen. Een apparaat dat al of niet goed werkt. Een middel om te genieten. Maar hebben we alleen een lichaam, of zijn we ook dit lichaam? Zonder lichaam zouden we niet bestaan. Ons lichaam is dus niet alleen een middel, maar het is ons leven zelf. Ons levenslange zelf. Dat is als je jong bent best confronterend. Ik herinner me nog hoe ik als 13 jarige op een zomerse dag in korte broek op school zat. Ik werd opeens getroffen werd door de aanblik van mijn dijen. Dat lompe vlees was ik dat? Heel snel daarna verschenen de eerste puistjes op mijn gezicht. Was ik dat? Ook die vreselijke etterpuntjes? Het is mooi dat we dat kunnen denken en erover nadenken. Over alles en over jezelf. Zelfbewustzijn noemen we dat. Maar je bent ook die nagels die maar doorgroeien alsof je een plant bent. Je moet steeds naar het toilet. Er gebeuren dingen in je lichaam die je overkomen, en toch ben jij dat zelf. Heel verwarrend voor een jongen of meisje. Wij zijn ons lichaam voor de volle honderd procent. Dat roept de vraag op wat er van ons innerlijk overblijft. Noem het je innerlijk, je ziel, je wil, alles wat je niet kunt zien van jezelf. Ook dat ben je voor de volle honderd procent. Net zoals je een lichaam hebt én lichaam bent, heb je een ziel en ben je ziel. Ze zijn een perfecte eenheid. Op een bepaalde manier zou je ons lichaam het sacrament van onze ziel kunnen noemen.

Door en met en in ons lichaam manifesteert zich onze ziel. Door recente wetenschappelijke experimenten lijkt het erop dat onze onzichtbare kant een illusie is. “Wij zijn ons brein” en vergelijkbare boeken staan in vele huiskamers op de boekenplank. Het klopt dat we inderdaad zelf die hersenmassa en al die enzymen zijn. Daarom is zulk onderzoek best spannend. Het gaat over jou. Maar onze wil en onze gedachten zijn geen illusie. Als je weet hoe een motor werkt, en de accu en al het andere onder de motorkap en er is zelfs een navigatiesysteem, dan weet je nog niet waar de reis naar toe gaat. Dat doet de bestuurder. Wetenschap die beweert dat we samenvallen met ons lichamelijk brein, en dat er verder niets is, geen wil, geen geweten, kan die claim niet waarmaken.

We hebben een lichaam en we zijn een lichaam. Maar er zijn ook nog eens verschillende visies op ons lichaam waardoor we het anders zien en beleven. Het “katholieke lijf” is gewoon ons menselijk lichaam, gezien en beleefd vanuit ons katholieke geloof. Het is een omvattende visie. Een uniek avontuur om te beleven. Katholieken zien het lichaam als eenheid van lichaam en ziel, van wat zichtbaar en onzichtbaar is. Voorop staat dat we ons lichaam als een geschenk ervaren. Een geschenk van God door onze ouders. Voor katholieken is het lichaam niet iets lagers en minderwaardigs en de ziel iets hoogs. Je komt zulke gedachten wel eens tegen, maar ze gaan in tegen de katholieke visie. Je moet ze trouwens altijd in hun context zien. Niet alleen de ziel is een gave van God, ook ons lichaam. Dit lichaam als eenheid van lichaam en ziel, begint bij de conceptie. Niet pas bij de geboorte, alsof leven begint bij het bewustzijn. Of ergens onderweg in de moederschoot op een door de politiek te bepalen moment alsof we eerst alleen klompje anoniem vlees zijn. “Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van mijn moeder, was mijn wezen voor U geen geheim”(Psalm 139:15)

Dit lichaam is een geschenk. Het komt voort uit de vereniging van twee lichamen, man en vrouw. Seks vanuit de katholieke visie en beleving onderstreept dat we niet alleen een lichaam hebben, maar het ook zelf zijn. Je geeft jezelf aan de ander. Dat kan alleen maar met duurzame liefde en respect voor elkaar.

Aandacht en zorg voor het lichaam is een soort van dank je wel zeggen tegen God. Als we dankzij ons lichaam kunnen genieten van het goede der aarde, druist niet in tegen de katholieke visie. Bourgondiërs worden we soms genoemd. Natuurlijk gaat echt genot met stijl, gastvrijheid gepaard. En gulheid tegenover mensen die het minder getroffen hebben.

Soms houden we ons lichaam juist een beetje in toom wat verlangens betreft. Dat heet vasten. We zeggen dan niet “nee” tegen de prettige dingen van het leven, maar we zeggen “ja” tegen iets dat we op dat moment heel belangrijk vinden. Tijd nemen voor bezinning, tijd voor de naaste, tijd voor God. Als je moet trainen voor je sport kun je niet het je vriendjes uit stappen gaan. Je zegt dan niet “nee” tegen gezelligheid en vriendschap maar je zegt “ja” tegen je doel om beter te worden in je sport. Zo is vasten voor ons een soort geheugensteun dat we geen consumenten zijn, maar personen die af en toe tijd nemen om te denken “wie ben ik en waarvoor leef ik eigenlijk en wat is echt genieten?”

Het “katholieke lijf” mag volledig mee doen in het vieren van het leven voor God. Thuis en in de kerk doet ons hele lichaam mee. Ons bidden bestaat niet alleen uit gedachten en woorden die we uitspreken. We maken als we gaan bidden een kruisteken. Bij het bidden kunnen we knielen om ons naar lichaam en ziel aan God toe te vertrouwen en onze handen in zijn hand te leggen. Of we staan  in de kerk bij gemeenschappelijke gebeden om te laten zien dat we er achter staan wat we bidden en dat we bereid zijn te mee te werken waar we om vragen. Voor de wijding tot diaken en priester gaat de wijdeling languit voor het altaar op de grond liggen om te laten zien dat hij als het stof van de aarde. Hij maakt Gods wil tot de zijne.

De katholieke liturgie maakt voluit gebruik van de elementen van de aarde waaruit ook ons lichaam is opgebouwd: aarde, water, lucht en vuur. Van aarde is het altaar. Als priester kus ik het altaar aan het begin van de Mis. Mijn mond gemaakt uit het stof van de aarde kust het altaar (letterlijk: verhoogde aarde) dat gewijd is om het offer van liefde van Christus te brengen. Met water zijn we gedoopt. Elke keer als we de kerk binnengaan kunnen we een kruisje maken met het wijwater in de bakjes. We worden bij verschillende gelegenheden besprenkeld met water. Het vuur is aanwezig in de vele kaarsen die in de kerk branden die het vuur verbeelden dat in onze harten brandt En de lucht wordt zichtbaar in de wierook die omhoog stijgt als beeld van onze gebed dat opstijgt naar God. We snuiven haar in. We worden één met de opstijgende wierook.

Bij doop, vormsel en ziekenzalving worden mensen de handen opgelegd en gezalfd. In de liturgie gebruiken we heel ons lichaam tot en met onze smaak tijdens de communie van brood en wijn. Onze ogen zien de rituelen waaraan we deelnemen. We worden aangemoedigd door de zichtbare beelden van de heiligen in de kerk. Bij een persoonlijk moment van gebed sluiten we even de ogen, maar bij het gemeenschappelijk gebed hebben we ze open om te gebaren aan het altaar te zien en de gezamenlijke gebeden mee te kunnen bidden.  Het leven vieren voor God is niet alleen een zaak van de ziel, maar van het hele lichaam.

Ons lichaam staat niet op zichzelf. We hebben het ontvangen uit onze ouders. Ondanks alle verschillen in geslacht, afkomst en huiskleur zijn we als mensen lichamelijk wezenlijk één. En we vormen samen één lichaam door de gemeenschap die we vormen in het gemeenschappelijke ritueel. Hoogtepunt van ons katholieke leven is dat we in de communie het Lichaam van Christus ontvangen. We worden één met Jezus die zijn lichaam en leven voor ons heeft overgehad. Daardoor wordt ons lichaam zoals Paulus het noemt een tempel van de Heilige Geest.

Dit lichaam van ons is ook kwetsbaar en sterfelijk. Daarom is het onze opdracht mee te leven en te zorgen voor hen die lijden. De menselijke waardigheid is niet afhankelijk van of iemand gebrekkig is of achteruit gaat. Ook dan is iemand volledig mens Omdat we het leven als geschenk van God beschouwen leggen we ons geleefde leven terug in zijn handen bij onze dood.

Dit lichaam omgeven we ook na de dood met zorg en respect. Het katholieke lijf wordt nooit een lijk in de kille betekenis van het woord. Het is het lichaam van je geliefde, van je vader, je moeder. Bij de uitvaart is de gestorvene voor het laatst in de kerk als medegelovige. Waaraan kun je dat zien? Zij staat opgebaard met de voeten naar het altaar, naar God toegewend. Als een biddend mens. Zij brengt ons samen om te danken voor haar leven en haar in Gods hand te leggen. Wat mooi om voor het oog van het geloof te zien dat zij nu met heel haar leven voor God mag staan als een voorspraak voor ons allen.

Na onze dood volgt respectvol de begrafenis of crematie van dit lichaam. Het wordt niet als afval gedumpt. Maar dat is niet het einde. Want wij geloven in de verrijzenis van het lichaam. Jezus verscheen als verrezen Heer aan zijn leerlingen met een verheerlijkt lichaam. Niet meer onderworpen aan aardse begrenzingen, aan pijn, zorg en gemis. Maar wel herkenbaar aan de littekens in zijn handen en voeten.

We weten niet goed hoe we ons lichaam als verrezen moeten voorstellen. Net zoals een rups niet weet wat het is om een vlinder te zijn zolang hij nog voortstrompelt. Maar door de verrijzenis van Christus geloven wij in de verrijzenis van het lichaam. Ons aardse leven is dus geen achteloos opstapje voor het eeuwig leven, een soort noodzakelijk oponthoud. Ons aardse bestaan, ons lichaam, mag delen in de verheerlijking. Alles wat we gedaan hebben voor Gods rijk mogen we mee binnendragen.

Daarom worden de heiligen die ons zijn voorgegaan lichamelijk afgebeeld. Ze staan op een verhoging. Dat wil zeggen dat ze opgenomen zijn bij God. Niet als schim, maar als echte mensen van vlees en bloed. In hun hand het attribuut waardoor zij van betekenis zijn geworden: Maria met het kind Jezus in de armen. Jozef met zijn beschermende kleed om het kind. Petrus met de sleutel van de hemel. Willibrord met de kerk van Nederland in zijn hand. Ze staan met hun gezicht naar de gelovigen in de kerk toe. Zij die al delen in de heerlijkheid bemoedigen hen die nog hier op aarde onder weg zijn. We horen bij elkaar. Wij die nog in dit lichaam zijn en zij die de verheerlijking van het lichaam genieten, we vormen tezamen één lichaam.

De katholieke visie op ons menselijk lichaam is helemaal geen verstikkend keurslijf. Ze geeft juist alle ruimte en vrijheid aan ons lichaam. Katholiek wil zeggen: universeel, voor iedereen weggelegd ongeacht ras of afkomst of taal of wat dan ook. Het is echt de moeite waard de oneindige rijkdom van het menselijk lichamelijk bestaan te zien en te beleven in het licht van het Evangelie, het verhaal van God en mensen.

(c) Pastoor Martin Los
deze blog verscheen juli 2015 in het katholieke jongerenblad Omega onder de titel “Het katholieke lijf-dossier”