Allerzielenviering 2 november 2014 Mariakerk en Willibrordkerk

Preek gehouden tijdens de Eucharistieviering op de vooravond en de morgen van Allerzielen 2 november 2014 in Willibrordkerk te Vleuten en Mariakerk De Meern (Beiden Leidsche Rijn)
De namen werden genoemd van hen die in het afgelopen jaar gestorven zijn (72) en na afloop was er een processie naar het kerkhof van beide kerken.
In het donker met kaarsen, in het licht met bloemen

“Voor wie steek jij een kaarsje aan?” Die vraag klonk deze week elke dag op de televisie in het programma Ode aan de doden. Gelukkig is het gedenken van de overledenen in deze tijd van het jaar beslist geen binnenkerkmuurlijk gebeuren.
Ik kan me voorstellen dat als gevolg van die tv-uitzending mensen ook aan elkaar gingen vragen “voor wie steek jij een kaarsje aan?” Ik heb zelf meegemaakt hoe dit deze week in een gezelschap van collega’s tot een heel mooi gesprek leidde.
Vandaag steken we hier in onze parochiekerken een kaars aan voor alle medegelovigen van wie we afscheid moesten nemen in het afgelopen jaar.
We hebben van elk van hen persoonlijk afscheid genomen in deze kerk of op een andere plaats.
Maar het is ook goed om hen samen te gedenken op deze dag. Verdriet en gemis werpt ons op ons zelf terug. Je voelt je extra alleen. Vandaag voelen we ons tenminste niet alleen staan in ons gemis en verdriet.
Daardoor komt er ruimte vrij in ons hart om niet alleen verdrietig te zijn, maar ook om trots te zijn op onze gestorvenen. We herinneren ons hoe kostbaar ze voor ons zijn en blijven. En we ervaren zo nog beter dat niets onze herinnering aan hen en onze liefde voor hen kan uitwissen.

Wist u dat de gedachtenis van de overledenen zoals we die in de kerk vieren, nog een heel bijzondere betekenis heeft?
Deze gedenkdag van Allerzielen is heel lang gelden ontstaan omdat voorouders zeiden: “het is mooi en het is nodig om aan onze gestorvenen te denken en voor hen te bidden. Maar er zijn ook medegelovigen aan wie niemand meer denkt. Omdat ze niet getrouwd waren, of geen kinderen hadden of geen vrienden. Of omdat ze altijd al met de nek waren aangekeken en gemeden. Laten we daarom ook met heel de kerk aan hen denken”.
Allerzielen is dus een gebaar van solidariteit van alle gelovigen met elkaar en ook met alle andere mensen die in vergetelheid gestorven zijn.
Mocht iemand van ons hier denken “wie zal er na mijn dood nog aan mij denken, want ik heb geen nabestaanden” dan weet u dat er toch voor u gebeden wordt.
Want de kerk bidt voor u. Zij is het volk van God in wiens hand al onze namen geschreven staan. Al zou iedereen ons vergeten, God niet.
Heel de kerk staat als een grote familie achter u. En ze belooft ook de diepste waarde van uw geloof en uw leven waarvoor u zich hebt ingezet, te behoeden en door te geven.  We geloven niet in ons eentje. We geloven samen. We zijn verenigd in het geloof dat de dood niet het laatste woord heeft over ons leven en over deze wereld.

Dat geloof hebben we niet zelf bedacht. Het is ons overgeleverd.
We komen het al tegen bij de oude profeten zoals Jesaja zegt: “God de Heer zal voor altijd de dood vernietigen. Hij zal alle tranen van de ogen afwissen”.
Van die woorden ging door de eeuwen een enorme kracht uit die we zelf ook voelen.
Ze helpen ons om niet cynisch en egoistisch te worden omdat aan het eind toch de dood wacht alsof alles voor niets is. We spannen ons in om elkaar lief te hebben, voor elkaar te zorgen en samen het leven mooi te maken. Allemaal door de kracht van die belofte. Want we zijn immers niet op weg naar het duister, maar naar het eeuwig licht van Gods koninkrijk?!

We zijn op weg naar een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, zoals het visioen van Johannes ons vertelt: naar de heilige stad, de stad van God waar God onder de mensen woont: “Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn. Geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn”.
We worden uitgenodigd om het leven als een mysterie te beschouwen, als een geschenk van God, iets dat veel groter is dan we in onze kleinmenselijkheid soms denken.
“Het leven is geen probleem dat moet worden opgelost, maar een mysterie dat je mag beleven” zegt een wijze spreuk.  De dood kan zoiets moois geen einde maken. Wat uit God komt, zal Hij ook in zijn liefde voltooien voorbij waar wij kunnen zien.
Toen onze Heer Jezus stierf treurden zijn apostelen en vrienden ook. Hun grote vriend en voorbeeld Jezus was gestorven en niet meer levend bij hen. Een smadelijke dood nog wel.
Gelukkig was er een rijk en goed mens die zijn eigen graf in de rots bij Jeruzalem ter beschikking stelde.
Het is fijn als je op liefdevolle wijze de laatste eer kunt bewijzen aan wie je liefhebt. Zoals u en wij allen ook het afgelopen jaar gedaan hebben.
En we gaan ermee door af en toe en bezoekje aan het graf te brengen. Door een kaarsje aan te steken bij een foto op een kast. Door op bepaalde dagen bijzonder aan en te denken. Dat is een teken van liefde, van respect, van beschaving. Dat doet onszelf ook goed.
Toch zeggen de engelen tegen de vrouwen die het graf van Jezus komen bezoeken en de steen zien weggerold: “wat zoeken jullie de levende bij de doden. Hij is niet hier. Hij is verrezen”.

Lieve zusters en broeders, we gedenken onze gestorvenen niet als doden, als schimmen die achter blijven. Voor ons leven zij. Ze leven in ons hart. Maar ze leven ook bij God.
Zouden ze alleen in ons hart leven, dan moesten we vrezen dat ze met onze eigen dood mee in de vergetelheid zouden verdwijnen. Maar zij leven voor God.
Dat is het Evangelie van onze Heer Jezus christus die zichzelf ervoor over heeft gehad om te laten zien dat niet de dood het laatste woord heeft over ons leven, maar de liefde van God.
In onze onmacht dat wij elkaar niet vast konden houden komt het geloof van de kerk ons te hulp dat God ons voor elkaar bewaart.
Door de boodschap van de kerk komt Jezus Christus zelf op ons toe als de levende Heer die zegt: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in mij gelooft zal leven in eeuwigheid”.
Door onze tranen heen valt er een lichtstraal ons leven binnen. Het licht van de hoop dat door niets gedoofd kan worden.
We gedenken vandaag liefdevol onze gestorvenen. We steken een kaarsje voor hen aan. Ook voor degenen aan wie niemand denkt. En we voeden de hoop in ons dat inderdaad liefde sterker is dan de dood. Amen
Pastoor Martin Los

Homilie op de 30e zondag door het jaar in de Mariakerk 25 en 26 oktober 2014

voetbalveld2014Preek op de 30e reguliere zondag door het jaar 2014
voorgeschreven Schriftlezingen volgens het universele r.k. lectionarium jaar-A
1e lezing: Exodus 22:20-26 2e lezing: I Thesslonicenzen Evangelie: Matteus 22:34-40

Lieve broeders en zusters, U hebt vast wel met de nieuwe stagiair en priesterstudent Jaider kennis gemaakt door middel van zijn stukje in het parochieblad Drieluik. Ik spreek regelmatig met Jaider over onze Nederlandse cultuur. Hij wil die graag goed leren kennen.
Wat hem opgevallen was, dat wij, Neerlands een hekel hebben aan het woordje “moeten”.  Als je tegen iemand zegt “je moet dit of dat” dan gaan meteen de stekels overeind staan.
In Colombia woedt een burgeroorlog. In sommige gebieden heeft de drugsmaffia het voor het zeggen. Mensen zijn gewend dat anderen hen bevelen geven.

Voor ons besef in Nederland zijn we allemaal gelijk. Niemand is in het maatschappelijk leven de baas over een ander. Vandaar dat we tegen elkaar zeggen: “zou je zo vriendelijk willen zijn om even dit of dat te doen”.  Zelfs ouders proberen hun kinderen in die sfeer op te voeden tot vrije en verantwoordelijke burgers. Ze bevelen hun kind niet, maar zeggen: “zou je je speelgoed even willen opruimen”.
Zo beginnen we al vroeg onze kinderen op te voeden tot vrije verantwoordelijke burgers.

Zelfs als we iets doen waarvan we vinden het nodig is, willen we toch het gevoel hebben dat we vrij zijn om het te doen. We zijn vrije burgers in een vrij land.
In zo’n klimaat is het lastig om over geboden te spreken. Een gebod geeft iemand die macht heeft om anderen iets te gebieden. Bij een gebod lijk je weinig keus te hebben.
Of je gehoorzaamt, maar dan ben je eigenlijk een knecht. Dat voelt als verlies. Zelfs Zwarte Piet mag geen “knecht” meer heten.  Of je gehoorzaamt niet, en dan ben je ongehoorzaam. Dat voelt ook niet goed.

Is dat niet precies ons probleem met de geboden in de Bijbel? “Je moet een vreemdeling niet slecht behandelen” horen we vandaag. “Je moet geen rente eisen van je volksgenoot”.
Natuurlijk vinden we dat je een vreemdeling niet slecht mag behandelen. Maar in dat “moeten” horen we een bevel. Alsof we niet uit eigen beweging vreemdelingen goed zouden kunnen behandelen. We willen het gevoel hebben dat het helemaal van uit ons zelf komt. Een gebod geeft ons het gevoel dat we het anders niet zouden doen.

Het is jammer dat veel mensen zo tegen de geboden in de Bijbel aankijken. Want overal waar wij “je moet” horen, staat er in het Hebreeuws “je zult”.
Op school leerden we dat dit toekomstige tijd heet: “de trein zal over enige ogenblikken aankomen op perron 4”.
Zou het misschien kunnen zijn dat de Bijbel met “ je zult niet stelen” of “je zult geen kwaad spreken” letterlijk over de toekomst spreekt?
Inderdaad. De geboden van God zijn eigenlijk beloften. Tegenover zijn volk wil God geen machthebber zijn, die mensen zijn wil oplegt. Hij belooft zijn volk: “Als je naar mij luistert, dan zul je geen kwaad meer doen”.  “Als je leeft aan mijn hand, zul je doen wat goed is”.
Machthebbers in de wereld zijn gewend hun onderdanen te bevelen en angst in te boezemen. Ze zijn dus zelf angstig dat anders hun ondergeschikten niet gehoorzamen.

Maar God is niet bang. Laten we alle geboden en opdrachten die we in de Bijbel lezen, zien als onderstreping van de relatie van God met ons: “Als je verbonden met Mij leeft, zul je zien hoe mooi het leven is en je zult ook zelf het leven mooi mogen maken”.
God nodigt ons uit om te genieten van een waardevol leven. Niet als iets dat onder dwang gebeurt, maar in volle vrijheid.

Dat geldt dus ook voor  de twee geboden waar uiteindelijk alles om draait: “ge zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand”  en “ge zult uw naaste beminnen als uzelf”.
Dat is niet een last die ons als gelovigen wordt opgelegd, boven op alle andere zorgen en plichten van het menselijk leven.
“Gij zult de Heer uw God liefhebben” en “Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf” opent een toekomst, een weg die ons wordt gewezen, een leven waarin we mogen groeien en bloeien.
We worden uitgenodigd om een leven te ontdekken waarin de liefde tot God alle ruimte krijgt. En we worden uitgenodigd om een leven te leiden waarin de liefde tot de naaste alle ruimte krijgt.

Zonder die liefde tot God en zonder die liefde tot de naaste kunnen we alles hebben wat ons hartje begeert, en toch hebben we dan bij lange na niet ontdekt wat leven werkelijk is.
Alles bezitten zonder Gods liefde te kennen is het zelfde als pupillen die met zijn tweeentwintigen in het hoekje van het voetbalveld om de bal strijden alsof het speelveld en de mogelijkheid om samen te spelen niet oneindig veel groter is. Zo is het ook met het leven. Zo is het ook met Gods liefde.

Nu is voor ons in onze tijd een probleem, een groot probleem, dat we niet toekomen aan de liefde tot God en tot onze medemensen. Waarom niet? Zijn we zo egoistisch? Nee, maar we beminnen onszelf onvoldoende .
“je naaste beminnen als jezelf” gaat ervan uit dat je “jezelf liefhebt”.  Maar heel veel mensen zijn in onze tijd erg teleurgesteld in zichzelf. Veel mensen hebben een laag zelfbeeld, zoals dat heet. Heel veel jonge mensen hebben last van angst en grote onzekerheid.
De Danceparty’s waar jongeren uit hun dak gaan, vaak met behulp van xtcpillen en andere harddrugs, zijn niet voor niets een teken van deze tijd. Net als het enorme drankgebruik onder onder tieners.
Jezelf verliezen betekent ook even je angst achter laten. Even je menselijke tekorten vergeten. Maar als je de dag daarop in de spiegel kijkt, kom je jezelf weer helemaal tegen.

Hoe kun je houden van jezelf als je teleurgesteld bent in jezelf?
Om echt van anderen te kunnen houden, moet je ook van jezelf kunnen houden als mens met alle mogelijke tekorten. Dat gaat niet vanzelf. Daar hebben we anderen voor nodig die ons niet veroordelen. Anderen die ons nemen zoals we zijn met al onze tekortkomingen en gebreken.
Daar ligt een belangrijke taak voor ons, christenen. Dat we proberen in ieder mens een kind van God te zien. Dat waar anderen mensen gemakkelijk afschrijven, wij eerder een arm om hun schouder slaan.

Laten we als christenen ons niet gedragen als mensen die nog kritischer zijn op onze medemensen dan anderen. Laten we in ieder mens een wezen zien dat door God wordt bemind. Dat is de blijde boodschap van het Evangelie.
De angst om de onzekere en ingewikkelde wereld waarin we leven, kunnen we niet van anderen wegnemen. We leiden er misschien zelf ook meer dan ons lief is aan. Maar we kunnen wel de mensen om ons heen het gevoel geven dat ze de moeite waard zijn. Dat ze waard zijn bemind te worden ondanks alle gebreken, ja misschien wel vanwege hun kwetsbaarheid.

Dat is de weg waarop Christus ons allemaal naar God leidt. Door de arm van God om de schouders van ons allen te zijn.
Hij nodigt ons uit om zelf daadwerkelijk getuige te zijn van die liefde.
Misschien gaan mensen door ons weer vragen naar God. Naar Hem die uit liefde ons het leven heeft gegeven om op te zoek te gaan naar Hem.
Het gaat er toch uiteindelijke om dat die Liefde ontdekken die ons draagt en die ons dient. Die liefde die ons niets liever gunt dan dat we meer en meer op Hem te gelijken in de liefde voor onszelf als zijn kinderen, en de liefde voor de naaste die is als onszelf: een kind van God.

Jezus heeft zelf dat hele onmetelijke speelveld uitgezet met zijn liefde voor God en mensen. Wat heerlijk dat hij ons uitnodigt dat speelveld te betreden als Hij zegt: “Je zult de Heer uw God liefhebben met geheel je hart, geheel je ziel en geheel je verstand”en “je zult je naaste liefhebben……….als jezelf!”

Martin Los, pastoor