Leven uit de hoop. Mijn 5e Vastenzondag overweging

zondag 2 april 2017 Mariakerk en Willibrordkerk

Lieve zusters en broeders, een vuur verspreidt licht naar alle kanten, maar je kunt door het vuur zelf niet heen kijken. Een vlam maakt dat we kunnen kijken, maar als we er al te lang inkijken zien we vlekken voor de ogen. Zo is Jezus een licht voor onze ogen. “Ik ben het Licht der wereld” zegt hij. Maar als we naar hem kijken, staren we in een mysterie als in een lamp. We kunnen niet bevatten wat hij doet.
Is dat erg? Nee, want het gaat erom dat we leven in zijn licht. Hij opent onze ogen voor de werkelijkheid van God. Leven in het licht van Jezus dát is geloof. Wanneer wij zeggen dat we geloven, dan bedoelen we daarmee dat we oprecht proberen te leven en te werken in het licht van Jezus.
Het verhaal van de opwekking van Lazarus door Jezus gaat over dit geloof. En wel om geloof in zijn uiterste consequentie. Op het scherpst van de snede: leven en dood. “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven ook al is hij gestorven en ieder die leeft in geloof aan Mij zal in eeuwigheid niet sterven. Geloof je dit?” *) vraagt Jezus aan Martha nadat haar broer Lazarus gestorven is. “Ja, Heer, ik geloof!” antwoordt Martha uit de grond van haar hart.
De dood heeft niet het laatste woord over ons leven, zegt Jezus. Dat hebben we niet van onszelf. Het is ook niet iets wat wij hoeven te bewijzen of te verdedigen. Het is geloof in Jezus. Hij laat ons zien dat God groter is dan de dood. Daarom kwam hij geen afscheid van Lazarus nemen op zijn sterfbed om zich neer te leggen bij de dood van zijn vriend, maar hij wekte hem op. Jezus gaat nog verder als hijzelf sterft aan het kruis en zijn leerlingen vinden op de derde dag zijn graf leeg.
Lazarus wordt nog teruggeroepen in het leven maar uiteindelijk zal hij zoals iedereen een keer sterven. Maar Jezus zelf is de eerstgeborene uit de doden.
Hij is de Levende die niet meer sterft. Hij schenkt het eeuwige leven aan allen die in hem geloven. Nu al. “Ieder die in mij gelooft zal in eeuwigheid niet sterven”.
We gaan eenmaal dood. Maar dat is dan niet het einde van het leven. Het is het einde van de dood die ons leven leek te omringen.
Geloven in de verrijzenis en in het eeuwig leven is dus geen vondst van onszelf. Het is geen prestatie van onszelf waarin wij van anderen verschillen die minder voorstellingsvermogen hebben. Of die minder optimistisch zijn. Dat is helemaal niet aan de orde. Er zijn christenen die van nature pessimistisch zijn, toch klampen zij zich vast aan de hoop die Jezus ons mensen schenkt. Geloven is niet hetzelfde als optimisme. Het is hoop. Niet hoop dit uit onszelf voorkomt zoals van supporters van Feyenoord en Ajax die hopen dat hun club vanmiddag gaat winnen. Hoop is dan een ander woord voor voorkeur of wens. De hoop waarover wij christenen spreken en die we ervaren, is een werkelijk geschenk dat we mogen omarmen.
Leven we in het licht van Jezus, durven we dat aan? Zien wij als het ware met Zijn ogen? Keren we als zonnebloemen steeds weer naar Zijn licht?
Kunnen we in dat licht van Jezus ons eigen leven, met nieuwe ogen gaan zien? En dat van onze medemensen? Als het waar is dat de dood niet het einddoel is van ons leven – Jezus nodigt ons uit om die waarheid te omarmen – dan rijst onmiddellijk de vraag: “hoe is leven dat niet meer geregeerd wordt door de dood? Hoe kunnen wij dat leven leven en beleven?”
In de eerste plaats door niet alleen maar meer krampachtig met ons eigen leven en de eindigheid ervan bezig te zijn. Zolang mogelijk leven en zoveel mogelijk voor onszelf eruit halen als een grabbelton, meestal met weinig oog voor anderen. Nee, we mogen het leven als een wonder in ieder mens te zien. Niet alleen in de geslaagde mensen, maar ook in de mensen die minder geslaagd zijn.
In de tweede plaats door niet het leven te beschouwen als ons bezit, maar als een geschenk van God aan ons, een geschenk dat ons niet op onszelf terugwerpt, maar dat ons verbindt met God als de bron van alle leven, dat ons voedt met Gods liefde. In de derde plaats door het leven te zien als mogelijkheid tot het leven delen met elkaar, het leven vieren, elkaar dienen. Het leven zelf verbindt ons dan met God juist door ons tekort, dat we sterfelijke mensen zijn.
Ook door het leven door te geven. Leven in solidariteit met elkaar als generaties die elkaar opvolgen. Zo kunnen we doorgaan. Heel de rijkdom van het leven komt aan het licht wanneer we in Jezus geloven die zegt: “Ik ben de Verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven. En wie leeft in geloof aan Mij zal in eeuwigheid niet sterven”.
Wat doet het met ons als we die woorden echt tot ons door laten dringen? Het kan niet anders of je wordt vervuld van hoop. Het probleem is, dat we geneigd zijn te denken: “Ja, het lijkt me heel mooi om dat te geloven, maar dan wil ik toch eerst ergens de zekerheid dat het echt zo is”. Maar het gaat er nou juist om, dat Jezus zelf de waarheid is. Hij is zelf het licht dat ons verlicht. We moeten het met hem wagen als de bron van het echte leven zoals God het bedoeld heeft, en zoals God het ons gegeven heeft. Ons leven zoals God het zal voltooien in zijn liefde als de dood voorbij is.
Door zo te geloven mogen we als christenen een teken van hoop zijn voor alle mensen. Door onze manier waarop we met het leven zelf omgaan, door zorg voor de naaste, door liefde voor de zwakkeren, door samen het leven mooi te maken en te vieren, en ook elkaar bij te staan in droeve omstandigheden. Door elkaar te vergeven. Telkens wordt daar heel concreet al de dood overwonnen.
Dat is geloven in hem die zegt: “Ik ben de verrijzenis en het leven….Geloof je dat?” Jezus gaat ons voor als het licht dat ons steeds de ogen opent en de weg wijst. Totdat ons leven zelf voltooid is in Gods liefde en er geen duisternis meer is, maar enkel licht. Amen

(c) Martin Los

*) Evangelielezing voor deze zondag volgens het universele leesrooster van de r.k. kerk: Johannes 11:1-45
(1e lezing: Ezechiël 37:12-14; 2e lezing: Romeinen 8:8-11)
**) Afbeelding: Opwekking van Lazarus, Karl Isakson 187801912

Genezing van een blindgeborene

Preek op de 4e zondag van de Veertigdagentijd Mariakerk en Willibrordkerk 26 maart 2017

Lieve zusters en broeders, op weg naar Pasen horen we vandaag het verhaal van de blindgeborene die door Jezus genezen wordt.
In die tijd zag men algemeen ziekte als een soort strafwerk dat je als mens kreeg opgelegd van Godswege. Ook blindheid. In sommige culturen nog steeds. Want er moet toch een verklaring voor zijn dat de ene mens door ziekte getroffen wordt en de andere niet? Als dat zomaar toevallig gebeurde, zou dat toch heel onrechtvaardig zijn?
“Rabbi, wie heeft gezondigd, hijzelf of zijn ouders dat hij blind geboren werd?” *) vragen de leerlingen van Jezus als ze de blindgeborene die aan de kant van de weg zit te bedelen, passeren. Gelukkig zijn er altijd mensen die kritische vragen stellen bij opvatting die voor velen als vanzelfsprekend gelden. Het gemakkelijkst kun je de onhoudbaarheid van bepaalde opvattingen aantonen daar waar ze zichzelf tegenspreken.
De leerlingen van Jezus stellen die vraag omdat de schuldvraag bij een ziekte zoals aangeboren blindheid problemen oplevert. Hoe kan iemand nou gestraft wordt, voordat hij iets verkeerds gedaan kan hebben? En als de ouders iets verkeerds hebben gedaan, waarom moet hun kind daar dan onder lijden? Daar hebben ze natuurlijk een punt.
Gelukkig denken wie bij ziekte tegenwoordig helemaal niet meer in termen van schuld of straf. Maar het ligt altijd wel op de loer. Iedere zieke krijgt wel te maken met vragen of je de ziekte toch niet aan jezelf te danken hebt.
“Heb je gerookt?” vraagt de omgeving aan iemand die longkanker blijkt te hebben.  Het maakt je ziekte moeilijker te dragen als je het gevoel hebt dat je omgeving of de maatschappij denkt: “eigen schuld, dikke bult”.
Jezus doet hier niet aan mee. Voor hem is maar één ding belangrijk: “Wat kan ik doen voor deze arme bedelaar? Hoe kan ik hem Gods barmhartigheid laten ervaren: “de werken van God moeten in hem aan het licht komen. We moeten de werken van Hem die mij gezonden heeft, verrichtten zolang het dag is” antwoordt hij zijn leerlingen.
Hoeveel discussies over hulpbehoevenden, vluchtelingen, eenzamen blijven niet theoretisch. We vergaderen. We discussiëren. We verwijten elkaar vanuit politieke standpunten de oorzaak van de ellende in de wereld. Als we al die energie en tijd zouden steken in concrete hulp aan mensen die we op onze weg tegenkomen, zou dat niet veel effectiever en menselijker zijn, voor de naaste in nood en voor onszelf?

Jezus spuwt op de grond, maakt met het speeksel slijk, bestrijkt daarmee de ogen van de man. Dit gebaar herinnert aan de schepping van de mens door God die hem boetseerde uit de klei. Maar de blindgeborene moet zelf ook iets doen: “ga u wassen in de vijver van Siloam”.
Jezus vraagt geloof van de man, geloof in hem en in God. Hij moet zijn verleden achter zich laten, en een nieuwe mens worden. Door de reiniging met het water moet hij opnieuw geboren worden. Jezus schenkt de man het levenslicht. Voor het eerst van zijn leven. Hij was als kind uit de moederschoot gekomen, maar het was altijd duister voor hem gebleven.
Dat gebrek van de blindgeborene werd voor Jezus aanleiding om de ogen van iedereen ervoor te openen dat hijzelf het licht der wereld is: “Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld”.
We hebben ogen gekregen om te zien. Maar zíen we ook werkelijk? We zien de mensen, de natuur, de dingen, gebeurtenissen. We zien de nood in de wereld. Je vraagt je af: waarvoor leven we eigenlijk? De vraag aan ons is, of we zelf niet in het duister tasten.  We zijn dan geneigd om terug te kijken. “Het is nooit anders geweest” zijn we geneigd te zeggen “Het wordt nooit wat”.
Jezus houdt ons voor: “Ga niet vruchteloos proberen uit te vinden, hoe het komt dat je als mens het idee hebt in het duister rond te tasten. Laat mij je de ogen openen: “Ik ben het licht der wereld”.
Met andere woorden: “Als je mij ziet en in mij gelooft, leef je in het licht. Als je mij volgt, dan wandel je in het licht. Dan hoef je geen duisternis te vrezen”.
We horen dit verhaal van de genezing van de blindgeboren op weg naar Pasen. Omdat Pasen het feest is van het kruis, de dood en de verrijzenis van Jezus. Daardoor is Hij het licht dat alle duisternis verdrijft. We leven niet meer met het duister en de dood voor ogen, maar met het licht van Christus.
Door de doop en het geloof zijn we opnieuw geboren en zijn onze ogen geopend, dat we kinderen van God zijn. We zelf zijn het licht niet. We hebben het licht niet in onszelf. Onze ogen zijn geopend door onze Heer. Laten we daar dankbaar voor zijn.
En als we soms toch niet zien hoe het verder moet, met onszelf, met de kerk, of helemaal met de wereld, laten we dan vurig roepen als een blinde bedelaar aan de kant van de weg: “Heer, toon ons uw barmhartigheid. Laat ons weer ziende worden. Wees ons licht, ga ons voor. Laat ons niet zo tobben, maar laat de werken van God ook vandaag in ons midden, in ons leven, aan het licht komen. Want dat is toch Gods bedoeling met ons, mensen, en met zijn gehele schepping?” Amen

(c) Pastoor Martin Los

*) Evangelielezing op de 4e zondag Laetare volgens het universele r.k.lectionarium: Johannes 9:1-41