Waarin lijken zout en licht op elkaar?

Preek op de 5e zondag door het jaar in de Mariakerk en Willibrordkerk 4 en 5 februari 2017

Lieve zusters en broeders, aan de oever van het meer van Galilea zit Jezus met zijn leerlingen om hem heen en een duizendkoppige menigte. Ze hangen aan zijn lippen. Geen wonder. Het zijn allemaal eenvoudige mensen, vissers, handwerkslieden. Hun dagen rijgen zich aaneen. Er gebeurt zelden iets bijzonders. Dan is daar opeens die jongeman, dertig jaar oud, die voor opschudding zorgt. Door de woorden die hij spreekt en de dingen die hij doet. Hij maakt hen bewust dat ze een heel bijzondere tijd beleven. Dat spreekt vooral de jongeren aan. Ze zijn trots dat ze erbij horen, bij de gelukkigen die Jezus’ meemaken.
Dan zegt Jezus tegen hen: “Jullie zijn het zout der aarde” en “jullie zijn het licht der wereld”. Met andere woorden: ze maken niet alleen een bijzondere tijd mee. Ze zijn zelf bijzonder in de ogen van Jezus.
Laten we dit even op onszelf betrekken. Wij zitten hier in de kerk als het ware ook rondom Jezus en luisteren naar hem. Als het goed is, geeft ons dat een bijzonder gevoel. Een gevoel van trots dat we dit mee mogen maken. We hebben het Evangelieboek bewierookt en onthaald met een feestelijk Hallelujah. We zijn vol verwachting naar wat hij ons te zeggen heeft.
Opeens dringt het tot ons door dat het over ons zelf gaat wat hij zegt: “jullie zijn het zout der aarde!” We zijn geen toeschouwer maar medespelers. Hou dat vast. Overal waar de woorden van Jezus klinken, horen mensen dat ze heel bijzonder zijn. Het Evangelie is Gods liefdesverklaring. Een geliefde zegt altijd tegen de ander: “Jij bent bijzonder! Jij geeft smaak aan mijn leven”. Eigenlijk zegt Jezus dus tegen de jonge mensen aan de oever van het meer van Galilea: “Ik houd van jullie. Jullie zijn zo mooi. Zo speciaal”.
Maar daar blijft het niet bij. Hij wil niet dat we met een zalig gevoel op onze plek blijven zitten. We moeten ermee aan de slag gaan. Als we zo bijzonder zijn in Jezus’ ogen dan kan dat zijn uitwerking natuurlijk niet missen. Dan moeten we daarmee aan de slag gaan.
“Jullie zijn het zout der aarde, maar als het zout nergens naar smaakt, dan is het nutteloos”. zegt Jezus. Het zout moet wel zijn werk doen. Net als licht. Een lamp die je onder een emmer zet, verspreidt ook geen licht. Het kon er net zo goed niet zijn. Wat is nou zo bijzonder aan zout en aan licht?
Dat je er maar een heel klein beetje van nodig hebt. Eén kaars verlicht de hele kamer. Een snufje zout geeft smaak aan de hele pan soep. Stel je voor dat het licht zou zeggen: “ik ben maar zo klein tegenover de duisternis. Die is zo onmetelijk groot. Ik ben bang dat het duister mij opslokt”. Dat is onzin. Toch durven we vaak niet het verschil te maken. We zijn bang om voor vreemd te worden versleten. We voelen ons veilig in gezelschap waar iedereen hetzelfde doet. We kijken de kat uit de boom voordat we een nieuwe richting durven inslaan. Eerst kijken wat de anderen doen.
Natuurlijk is het goed dat we zo veel mogelijk in een goede verstandhouding met anderen leven. We leren al in het gezin rekening met anderen te houden. Daarna op school en later tijdens je werk en als burger in de samenleving. Dat is nodig. Je bent niet alleen op de wereld. En alles draait niet om jou. Maar rekening houden met je omgeving, met iedereen in vrede leven zover binnen je vermogen ligt, betekent niet dat je alleen maar aanpast aan anderen. Je hebt ook je eigen inbreng. Conformisme betekent dat je je zo aanpast aan je omgeving dat je vergeet je eigen talenten in te brengen. Daarmee doe je jezelf te kort, maar ook de anderen.
Met het appel “jullie zijn het zout der aarde” bedoelt Jezus dat je niet moet wachten tot anderen aan de slag gaan omdat je bang ben in je eentje een figuur te slaan. Waarin zouden we dan smaakmakers kunnen zijn? Zelfs in ons eentje?
Daarover gaat Jezus spreken in het vervolg van het Evangelie waarnaar we volgende zondag gaan luisteren.
Maar we hoorden het al bij de profeet Jesaja in de 1e lezing: “wanneer je uit je midden onderdrukking verwijdert en de dreigende vinger en de kwaadsprekerij, als je je hart voor de hongerige opent en de mistroostige verzadigt, dan straalt uw licht als de duisternis, dan wordt uw nacht als was het middag”.
De vraag aan ons is: je bent bijzonder in Gods oog, wil je nu zelf ook het verschil maken, wil je uitblinken, doe dan niet mee aan alles wat anderen onvrij maakt, doe niet mee aan discriminatie. Dat is een hot item op dit moment met de verkiezingen in aantocht.
Ook al vinden ze je dan een spelbreker, doe niet mee. Doe niet mee aan roddel. Doe niet mee aan beschadiging van mensen, niet in je eigen omgeving, ook niet op internet. En sta open voor de noden van mensen om je heen. Een vriendelijk woord, een arm onder de schouder, een kleine attentie kunnen zoveel wonderen doen. Staan wij daarom bekend als christenen? Ook hier in Leidsche Rijn en Vleuten-de Meern? Hebben we oog voor elkaar? En stellen we ons ook zo op naar onze omgeving? Wat houdt ons tegen? Zout hoeft niet bang te zijn geen smaak aan te brengen. Licht hoeft niet bang te zijn niet te schijnen. Het is en kwestie van doen wat we zijn.
Onze parochie heet zelfs naar deze geweldige opdracht “Licht van Christus”. Dat verwijst naar onze gestorven en verrezen Heer. Het beleidsplan van onze parochie heet “zorgzaam en zichtbaar”. Zorgzaam doordat we zorgvuldig met elkaar, met onze gemeenschap en kerken en het woord van God omgaan. En Zichtbaar om dat we er niet voor ons zelf zijn. Jezus zendt ons de wereld in, om smaak te brengen en te stralen. Zo mogen we mensen in aanraking brengen met Christus en met Gods liefde omdat we die zelf geproefd hebben en ons leven niet meer zonder kunnen voorstellen. Amen

Pastoor Martin Los

“Niets staat jou in de weg om mens te zijn”. Mijn preek op de 4e zondag door het jaar A 29 januari 2017 Mariakerk en Willibrordkerk

Lieve zusters en broeders, drie jaar geleden was ik met een groep pelgrims in het Heilige Land. De groep bestond uit allemaal mensen met een gebrek zoals blinden en lammen vanwege een dwarslaesie of een hersenbeschadiging. We waren de tweede dag ’s morgens bij het meer van Genesareth. We vierden er de eucharistie op de plek waar Jezus volgens de overlevering de Zaligsprekingen heeft uitgesproken. Jezus’ eerste grote toespraak tot een grote menigte.
Ik las op die plek de Zaligsprekingen voor omringd door deze mensen die één voor één door een grote beperking in hun leven getroffen waren. Ze waren volkomen afhankelijk. Om hen heen de mannen en vrouwen die hen verzorgden. Hun leven had door de beperking van hun echtgenoot, of kind of vader of vriend ook een andere wending genomen. Allemaal mensen die in de ogen van de wereld beklagenswaardig zijn. Allemaal medemensen die zich vaak afvroegen of ze er nog wel toe deden.
“Zalig de armen van geest want aan het behoord het rijk der hemelen. Zalig de treurenden want zij zullen getroost worden” hoorde ik Jezus door mijn eigen stem tot deze pelgrims zeggen. Het kostte me moeite om mijn tranen te bedwingen. Tranen, niet van verdriet, maar van ontroering en blijdschap dat op die plek deze woorden van onze Heer tot hen en ons allemaal gesproken werden. Omdat deze woorden waar waren. Ze zijn waar omdat het woorden van Christus zijn.
Door zijn woorden opent hij een vergezicht dat we anders niet zouden zien. Het gaat er niet om wat wij in de ogen van de wereld zijn. Ook niet in eigen ogen waardoor we soms een te hoge dunk of nog vaker en lage dunk van onszelf hebben. Het gaat erom wie je in de ogen van God bent.
Hij kijkt niet naar de macht die je hebt, naar de ophef die je veroorzaakt, naar je roem of je rijkdom waarom mensen elkaar benijden. God kijkt naar het hart en hij kent je hart. Hij staat volledig achter je wanneer je echt mens probeert te zijn, je bewust van je beperkingen, open en eerlijk, met aandacht voor je eigen verdriet en dat van anderen.
Om zó mens te zijn hoeft niets je in de weg te staan. Om zo mens te zijn hoef je niet vals te spelen door je toevlucht te nemen tot bedrog en geweld. Je zult je doel met Gods zegen bereiken. Het is de weg van Christus zelf.
Het Nederlandse woordje “zalig” kan aanleiding zijn tot misverstanden. Alsof armoede, verdriet, vervolging verheerlijkt wordt. Dat is niet de bedoeling van de zaligsprekingen. Het Hebreeuwse woord “Asrej” betekent: “ruim baan” (Hoera). Het is een aansporing: “Ga zo door” want dan zal niets je kunnen verhinderen je doel te bereiken. “Word jij vervolgd vanwege de gerechtigheid, omdat je doet wat goed is en opkomt voor de waarheid? Twijfel niet, want uiteindelijk zul jij overwinnen”. “Ben jij eenvoudig en bescheiden, wees dan niet bang dat jij voor spek en bonen meedoet. Jij bent juist degene die met elke stap en elke daad dichter bij je bestemming komt: een mens naar Gods hart te zijn. “Word jij gediscrimineerd vanwege je geloof, vanwege je eerlijkheid, vanwege je persoonlijke keuzes die tegen de stroom ingaan? Houd vol want dan ben je op de goede weg”.
Het bezoek van het Heilige Land met de zorgbehoevende pelgrims was onvergetelijk, elk moment, en elke plaats. Maar het diepst waren we onder de indruk toen we aan de oever van het meer van Genesareth zaten als de menigte tweeduizend jaar geleden. De woorden van Jezus klonken nu even nieuw en wonderlijk en bemoedigend als toen. Ieder zag zichzelf met nieuwe ogen: met de ogen van Jezus, de ogen van God.
We hoeven niet naar Israel te reizen voor die ervaring. Gelukkig horen we die aansporingen en felicitaties ook hier in de kerk, in de eucharistie waar ze worden voorgelezen. “Zalig de vredestichters want zij zullen kinderen van God genoemd worden”.
Die woorden zijn vandaag nog even actueel. Want het is de levende Heer die ze tot ons spreekt. Vandaar zegt de lector aan het einde van de lezing: Woord van de Heer. En we antwoorden met Wij danken God. Hij die zelf deze woorden waargemaakt heeft door zijn kruis op zich te nemen.
Het is deze week Nationale Voorleesweek. Bekende Nederlanders trokken langs de scholen om hun favoriete verhalen voor te lezen. Verhalen laten je verder kijken dan wat je ziet. Ze verwijden je blik. Ze stimuleren je geest. Ze scheppen een band. Het is fijn als ouders hun kinderen voorlezen voor het slapen gaan. Of grootouders als hun kleinkinderen op bezoek komen.
Gelukkig leest de kerk elke dag en elke zon- en feestdag uit de Bijbel voor. Het is meer dan een boek. Een hele bibliotheek. De oude verhalen over de aartsvaders, de beloften en visioenen van de profeten. De unieke brieven van de apostelen die Jezus zelf gekend hebben. En bovenal de woorden van de Christus zelf: de blijde boodschap. Laten we de kracht ervan niet onderschatten. Het is God zelf die door de heilige Geest tot ons spreekt, ons raad geeft, hoop schenkt.
We leven in een tijd van grote woorden. De kranten en nieuwsprogramma’s staan er vol van. Mensen worden er bang en onzeker door. Daarom is het des te belangrijker dat we met nieuwe oren luisteren naar Jezus Christus. Dat we zijn woorden als nieuw horen, woorden van troost en eeuwig leven. Laten we ons niet te groot achten om gewoon te schuilen onder het gehoor van onze Heer zoals eens die eenvoudige mensen aan de oever van het meer van Genesareth. En wij, u en ik, nu hier gewoon, hier in deze kerk. Schuilen bij de Heer. Daar is de kerk voor. De tijd is er rijp voor om mensen weer uit te nodigen mee te komen. Amen

Schriftlezingen voor deze zondag volgens het universele r.k. leesrooster: 1e lezing Seganja 2:3 3:12-13; 2e lezing I korinthiers 1:26-31

(c) Pastoor Martin Los