De eerste dag of de éne dag?

“Toen was het avond en morgen geweest: de eerste dag” zo luidt ongeveer de tekst in de meeste vertalingen van het eerste hoofdstuk van Genesis over de schepping.
Vertalers denken kennelijk algemeen:  het scheppingsverhaal vertelt over een tweede dag, een derde dag, dus is dag één de eerste dag.
Maar in het Hebreeuws staat niet “de eerste dag” want er is nog maar één dag. Het is nog helemaal niet gezegd dat er een tweede dag komt.
De huidige Paus Franciscus wordt pas Franciscus I genoemd als er ooit een tweede paus met die naam komt. Nu is het nog zondermeer Franciscus.

Er staat in de Hebreeuwse tekst over de schepping eenvoudigweg:  “Het was avond en het ochtend één dag”.
Waarom is het nou zo belangrijk om daar op te wijzen?
Omdat die ene dag de basis vormt van alle andere dagen die straks volgen. In die zin zijn alle dagen aan die ene dag gelijk. Elke dag heeft als kenmerk dat hij begint in het duister en eindigt in het licht.

Dat trouwens alweer een heel belangrijke constatering. In onze 24/7 agenda begint de dag met 00.00 uur. En voor ons eigen gevoel begint de dag wanneer we opstaan.
Maar de dag “die God heeft geschapen” begint met de avond en eindigt in het licht.

de ene dag in de zeven dagen

Het is goed om dat tot ons te laten doordringen. Het wezen van de dag is, dat ze in het duister begint en uitloop in het licht. Als een tulp die groeit vanuit de bol in de grond. Als een kaars die uitloopt op de vlam van licht.

Dat gaat tegen alle deprimerende gevoelens en weemoed in. Vanuit dat gevoel eindigt elke dag teleurstellend in het donker.
Maar vanuit Bijbels bewustzijn eindigt de dag in het licht: één dag. De dag eindigt niet in het duister. Met het duister begint weer die ene dag die groeit vanuit de rust van het donker naar het licht. Wat er ook gebeurt op een dag: die dag kan niet stuk.
Die ene dag plant zich voort in alle dagen van de week.

Nodeloos te zeggen hoe ongelukkig het is vanuit deze visie is om de week te laten beginnen op maandag in onze 24/7 agenda’s. Daarmee is alle nadruk komen liggen op werk en planning. Maar leven is meer. We leven allemaal bij de ene dag of liever in de ene dag die ons geschonken wordt.
Natuurlijk moeten we efficiënt met onze tijd omgaan, maar dag één is de zondag, zowel in de Joodse als Christelijke indeling van de week.
De zondag als de ene dag van duister naar licht plant zich voort in alle andere dagen die ook dag zijn omdat ze die basis gemeen hebben met de ene dag die God aan het begin schiep.

Nu begrijpen we beter waarom het Paasfeest een hele week duurt. In de liturgie van de katholieke kerk wordt elke dag van de Paasweek (Paasoctaaf) gevierd als de ene dag waarop de Heer is verrezen.
Er is een nieuwe schepping aangebroken. In deze nieuwe schepping plant de ene dag van de verrijzenis zich voort en de andere dagen. Ze delen nu allemaal in het nieuwe karakter van de dag die verwijst naar het licht van de eeuwige dag die met de verrijzenis van Christus is aangebroken.

Dus elke dag bidt de priester in dit Paasoktaaf in het voorwoord tot het eucharistisch gebed:  “….zullen wij uw Naam verkondigen al onze dagen, maar vooral op deze dag op deze dag die Gij gemaakt hebt, bezingen wij U”.  De dag “die gij gemaakt hebt” is de ene dag van het begin en nu de dag van de verrijzenis van Christus.

Ik vraag niet de aandacht voor deze visie op de dag uit een soort wereldvreemde nostalgische overwegingen. En ik koester ook geen illusie dat de agenda’s en roosters aangepast zullen gaan worden.
Maar voor onze spirituele beleving is het nuttig en noodzakelijk dat we ons opnieuw bewust worden van deze fundamentele visie op de dag: ze begint met donker en rust en eindigt in licht. Alle dagen eindigen in het licht. Eindigen niet in de zin van ondergaan, maar hun voltooiing vinden. Als verwijzing naar de dag die komt: de dag die eindigt in het eeuwige licht.

(c) Martin Los

Aan de hand van de initialen

Vier jaar voordat Rienk Troost predikant werd in zijn nieuwe gemeente was de kerk totaal afgebrand.
Ze was net volledig gerestaureerd.
Een paar dagen voordat de kerk zou worden opgeleverd, was het gebouw gevuld met een bepaald soort gas om eventuele larven van de boktor in het houten dak en spant te doden.
Een vonkje door kortsluiting of een onvoorzichtige bouwvakker die een sigaret opstak, was er de oorzaak van dat de kerk in een paar ogenblikken ik lichtelaaie stond.
Ze brandde tot de grond toe af.

Herbouw had geen enkele zin. De kerkenraad besloot van de nood een deugd te maken.
Er werd een nieuw gebouw ontworpen.
Helemaal naar de inzichten van hoe een eigentijdse kerk er uit moest zien.
Met vergaderzalen, een bar, een jeugdhonk en een soort foyer.

Maar in de kerkzaal zelf moest uiteraard alles gericht zijn op het Woord van God.
De vloer liep naar beneden af. De banken vormden een soort amfitheater binnen rechthoekige zaal.
Aller ogen zouden tijdens de dienst gericht op een enorme wand van schoon metselwerk die als de Sinai zelf oprees voor het verzamelde volk van God.
Tegen deze reusachtige muur was een houten preekstoel gemaakt.
Om enigszins in verhouding te staan tot de wand was deze preekstoel ook bijzonder groot.

In oude kerken was de preekstoel meestal niet meer dan een houten broek met een plat klankbord boven het hoofd van de predikant.
Deze preekstoel leek veel meer op een aan de muur gehangen kansel van mahoniekleurig hout.
Midden op de kansel was een lezenaar aangebracht waarop dag en nacht een Statenbijbel open lag.
Deze werd niet meer gebruikt voor de lezingen tijdens de kerkdienst. Er werd uit een nieuwe Bijbelvertaling gelezen.
Maar de oude Statenbijbel met zijn koperen sloten zorgde toch voor de nodige uitstraling.

Het klankbord waaronder de predikant stond tijdens de preek, zag eruit als een enorme hand
Met de komst van de microfoon, en helemaal met de draagbare “halsband” microfoon was een klankbord eigenlijk niet meer nodig.
Maar een preekstoel had nu eenmaal traditioneel een klankbord.
Dus werd ook voor deze preekstoel een klankbord ontworpen.
In dit geval was de traditie eigenlijk minder de aanleiding, dan de enorme stenen wand achter de preekstoel.
De situatie vroeg om een verder aankleding van de preekstoel met een klankbord.
Anders zou de predikant tegen de grote stenen muur nog nietiger geworden zijn dan hij of zij toch al was op die eenzame hoogte.

In de gemeente was een kundige timmerman, Jaap Kouwenaar.
Hem werd gevraagd de preekstoel te maken.
Of het idee van Jaap zelf was, of van de architect, is onduidelijk.
In elk geval zagen gemeenteleden die tijdens de inrichting van de kerk even kwamen kijken, dat boven de preekstoel een enorme hand als klankbord zichtbaar werd.
De palm van een hand waarvan vier aaneengesloten vingers zich kromden boven het hoofd van de predikant.
Het was een vondst, vond iedereen.

Maar een hand heeft toch vijf vingers. Waar was de duim?
Bij nader toezien bleek de hand een rechterhand.
Op de plaats van de duim was een houten plaat tegen de muur in dezelfde mahoniehouten kleur als de rest van de hand.
Was dat nou wel of geen duim?

Wie de eerste was die met de veronderstelling kwam, is onbekend.
Maar er was iemand die zich als eerste realiseerde dat Jaap Kouwenaar aan zijn rechterhand geen duim had.
Die had hij verloren op een ongelukkig moment door een elektrische zaag.
Al gauw ging het verhaal dat het klankbord Jaaps eigen hand moest voorstellen.
De mensen die het hoorden, wisten met deze gedachte niet goed raad.
Ze gniffelden er een beetje om.

Op de dag van de officiële opening zat de kerk bomvol.
Iedereen was trots op de mooie, eigentijdse kerk.
Voor het eerst stond er nu echt een predikant op de kansel onder de machtige hand.
Het deed de aanwezige gelovigen wel iets.
Want een predikant wordt immers behoed door de hand van God die hem als nietig wezen toch bijstaat door de heilige Geest om tijdens de  preek zulke grandioze woorden te spreken over genade en verlossing?
En door die troostvolle woorden van de predikant voelde toch iedereen de hand van God om zich heen?

Kortom, iedereen vond de enorme preekstoel mooi en passend.
Jaap Kouwenaar ontving tijdens de receptie veel complimenten.
Maar de mensen de hem een hand gaven om hem te feliciteren, konden toch niet laten een blik op zijn hand te werpen: ze zagen op de plaats van de rechterduim een vormeloos stompje.

Intussen gingen er tijdens de bezichtiging gemeenteleden de preekstoel op om even vanaf de positie van de predikant de nieuwe kerk in te kijken.
Het was een indrukwekkend uitzicht over de lege banken en paden.
Eén van die nieuwsgierige mensen moet zich op de preekstoel hebben omgedraaid om de hand wat beter te bekijken.
Wat zag deze beklimmer van de kansel?
Midden in de handpalm stonden de letters J K.
Waarom stonden die letters daar? Wat betekenden ze?
Er was eigenlijk maar één antwoord mogelijk meenden sommigen: J K stond voor Jaap Kouwenaar. Hij had zijn eigen initialen in de preekstoel gezet.
Want die hand zonder duim was toch ook van hem?
“Maar je eigen initialen in de preekstoel kerven, dat gaat toch wel heel ver!” vond men

Toen Rienk vier jaar later in die kerk tot predikant werd bevestigd was hij uiteraard onder de indruk van de hand boven zijn hoofd.
Hij zag ook de letter J K in de handpalm uitgesneden.
En het duurde niet lang of Rienk kreeg het verhaal van de hand te horen met de bijbehorende gniffel.
Hij vond het wel een grappig verhaal.
Maar het overtuigde hem niet helemaal.
Die J kon toch ook een handgeschreven hoofdletter I voorstellen zoals je dat vroeger op school leerde?
Dan verwezen die letters naar God die zich bekend maakte aan Mozes als “IK ben met u” kortweg “IK”

Een jaar later kreeg Rienk een telefoontje van mevrouw Kouwenaar dat haar man in het ziekenhuis was opgenomen.
Haar stem klonk bezorgd.
Diezelfde dag ging hij naar het plaatselijke ziekenhuis.

Daar trof hij Jaap Kouwenaar voorovergebogen aan in een stoel bij het raam.
Een forse man in pyama en pantoffels.
Jaaps gezicht lichte op toen hij voetstappen hoorde en Rienk de ziekenzaal zag binnenkomen.
Hij stak zijn hand uit. Rienk pakte die hand om hem te begroeten.
Zijn eigen hand schoof door tot de pols van Jaap.
De duim ontbrak.
Rienk realiseerde het zich meteen weer wat hij over die hand gehoord had.

Jaap was een krachtige persoon.
Rienk kon zich nu nog beter voorstellen dat deze man hier voor hem bed die enorme hand ontworpen en getimmerd had.
Hij voelde een bijzonder sympathie voor de maker van de preekstoel waar hij zondag aan zondag op stond tijdens de preek.
“Ik vind het heel bijzonder om de maker van de preekstoel waar ik zo vaak op sta, te ontmoeten” zei hij “het is en heel bijzondere preekstoel!”

“Dank u”antwoordde de man “U kent ongetwijfeld ook wel het verhaal dat de ronde doet over de preekstoel?”
Rienk wachtte even met een reactie omdat hij benieuwd was wat de ander verder zou zeggen.
“Ze denken dat ik mijn eigen naam in die hand gezet heb. Maar het is de hand van God die zegt: “IK sta achter je”

“Voelt u dat zelf ook zo?”vroeg Rienk in een poging het gesprek te verleggen naar de zorgelijke situatie van de ander.
“U bedoelt of ik nu ook de nabijheid van God ervaar?”
Rienk knikte.
Het werd even stil. Er verscheen een traan in de ogen van de man.
“Ik klamp me aan die hand vast” antwoordde hij snikkend.

Een week later kreeg Rienk het bericht dat de maker van de preekstoel was overleden.
Vijf dagen later was de afscheidsdienst in de kerk.
Normaal ging hij bij een afscheidsdienst niet op de preekstoel staan bij de preek.
Hij stond dan liever dicht bij de overledene en de familie bij de lezenaar beneden.
Maar die dag beklom hij vastberaden de preekstoel.
Natuurlijk vertelde hij aan de aanwezigen het geheim van de hand achter en boven hem.
Hij voelde zich heel bewust gedragen door de hand van God ………en van Jaap Kouwenaar

© Martin Los