Muizenoortjes

Op minder dan tweehonderd meter van zijn huis begon het bos.
Een uitloper van de immense Veluwezoom.
Meestal met vrienden, of als hij daar behoefte aan had alleen, wandelde Rienk Troost door de onafzienbare beukenbossen.
Waar het terrein vlak was, groeide nauwelijks iets op de grond.
Lichtbruin beukenblad bedekte de bodem tussen de bomen zover je kon kijken.
In de herfst waadde hij over een onzichtbaar geworden pad door een zee van bladeren.

Rienk was in de plaats vlakbij predikant geworden.
Hij voelde zich een bevoorrecht mens omdat hij in zijn vrije tijd door deze bossen kon zwerven.
“Net buitenland” zeiden steevast vrienden die uit de randstad op bezoek kwamen.
De enige autoweg die naar het hoogste punt, de Posbank, voerde, telde zelfs een paar echte haarspeldbochten.

Als kind woonde hij met zijn ouders in Rotterdam.
In bed verslond hij met rode oren de gloednieuwe boeken van Pim Pandoer.
Hij las bij het zwakke schijnsel van een klein bedlampje, want in de ogen van zijn ouders hoorde hij allang te slapen.
Vooral het eerste boek “Pim Pandoer, de schrik van de Imbosch” maakte diepe indruk op hem.
Een adembenemend verhaal dat zich helemaal afspeelde in de streek van de Veluwezoom rond de Posbank.
“Postbank” zeiden de bezoekers uit de rest van Nederland niet wetend dat deze zitbank uit 1918 genoemd was naar een mijnheer Pos, één van de eerste voorzitters van de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond.

Als jongen was Rienk jaloers op Pim Pandoer en zijn metgezellen uit deze streek.
Zij woonden hier en ze beleefden adembenemende avonturen.
Ze ontmaskerden gemene stropers en ze lieten allerlei andere schurken tegen de lamp lopen. Voor hem als stadsjongen was dit een onbekende, spannende wereld.
Schurken kwamen in het beschermde milieu van zijn jeugd niet voor.
Hooguit was er een groepje jongens die hem bij vlagen probeerden te pesten.
Hoewel hij fysiek niet erg sterk was, was hij niet echt bang voor hen.
Hij daagde hen af en toe zelf uit, om de sleur van de dagelijkse gang van en naar school te doorbreken.
Het was misschien meer testen dan pesten.
De mysterieuze wereld van bossen en heuvels was voor zijn beleving nog veel verder weg dan die schurken waarmee Pim Pandoer te maken kreeg.
Want schurken waren ondanks alles mensen, en die waren er in Rotterdam genoeg.
Maar echte bossen niet. Wat er was aan bos, waren keurig onderhouden parken.

Nu hij hier zelf woonde op een paar honderd meter van het bos, liep hij regelmatig door diezelfde bossen waar hij als kind van gedroomd had.
Ruiters die met hun paard in volle galop door de bossen draafden, namen de plaats in van de schurken uit de tijd van de held uit zijn jongensboek.

Op een dag stormde er een paard vlak langs hem over het pad dat zeker geen ruiterpad was.
Het zadel was leeg en de leidsels sleepten over de grond. Geen spoor van een ruiter.
Rienk kon nog net op tijd opzij springen.
Tien minuten later kwam een man in lange leren ruiterjas hem tegemoet.
Met bebloede kop en een lelijke schaafwond snelde en strompelde de man in zijn ruiterlaarzen de heuvel af
“Heeft u mijn paard gezien?” riep de man verschrikt.
“Ja, hij is die kant uit!” zei Rienk met zijn hand de richting aangevend
“O, God, gelukkig. Dan is hij op weg naar de manege!” riep de man hem buiten adem toe en rende verder.
Rienk keek de man nog een poosje na.
Hij hoopte dat de ruiter gauw verlost zou worden van zijn angst.
Want reden tot angst was er genoeg. De manege lag aan de andere kant van de drukke provinciale weg.

Hondenbezitters zorgden voor meer spanning en vooral ergernis in het bos.
Overtuigd dat boswachters veel belangrijker dingen te doen hadden dan eigenaren van honden achterna lopen en bekeuren, lieten ze hun honden, herders en andere grote jongens, overal los rond lopen.
De borden “honden aan de lijn” werden voor kennisgeving aangenomen.
Net als alle honden hadden ook hun soortgenoten hier een voorliefde om blaffend op elke naderende wandelaar af te vliegen en soms tegen hem op te springen.
Rienk had tot zijn genoegen al snel ontdekt dat de honden minder brutaal waren en tijdig terugrenden naar hun baas wanneer hij nonchalant bij wijze van stok een tak bij zich droeg

Op een keer was hij vergeten bij de ingang van het bos een dode tak te pakken. Een stok van huis af meenemen vond hij genant.
Na een halfuurtje lopen, kwam hij boven op een heuvel aan.
Plotseling kwam er uit het niets een Rotweiler onheilspellend op hem af.
Rienk had ooit van iemand gehoord dat je in zo’n geval niets anders moest en kon doen dan als het ware bevriezen.
Hij bleef stokstijf staan.
Het dier kwam op een meter afstand van hem grommend tot stilstand.
Rienk stond als een standbeeld, de handen in de zakken, de blik op oneindig.
De hond keek teleurgesteld om zich heen: “waar was die weerloze wandelaar van zonet gebleven?”
Rienk voelde zich een ogenblik “the invisible man”.

Als hij die had gehad, zou de Rotweiler met de staart tussen de benen zijn afgedropen.
De hond rende jankend terug naar zijn baas die nu pas om de hoek van het bospad kwam.
Voor één keer zei Rienk tegen zijn gewoonte geen “goedendag” tegen de voorbijganger die geen benul had wat zich zo-even in een split-second had afgespeeld. Alsof hij nog steeds onzichtbaar was
Innerlijk voelde hij een golf van opluchting en geluk door hem heen gaan.
Oog in oog met een grommende Rotweiler was hij zichzelf gebleven zonder een spoortje angst.
Zo beleefde hij toch nog zijn jongensdroom daar in de bossen van de Veluwezoom.

De hoge heuvels aan de rand van de Veluwezoom vormden een panorama op de Ijssel die beneden in de verte midden tussen de uitgestrekte groene weilanden stroomde.
Maar nergens werd de wandelaar een blik gegund op de mooie rivier.
Waar een prachtig uitzicht zou moeten zijn, was die kant van het het pad dat over de heuvels naar de Posbank voerde, geheel begroeid met eikenhout, sporkeboom, en ander struikgewas.
Zelfs op een plek waar houten banken waren neergezet voor de vermoeide wandelaar, werd door het hoge struikgewas het uitzicht op de rivier volledig weggenomen.
Het was de tijd waarin het denkbeeld terrein won, om het bos aan de natuur terug te geven.
Achterstallig onderhoud kon zo ook in één moeite door worden gelegitimeerd als werk van de natuur.

Overal stonden bordjes dat je als voetganger niet buiten de paden mocht lopen.
Heel begrijpelijk met het oog op de konijntjes, reeën en de kwetsbare mossen.
Maar Rienk wilde toch het adembenemende uitzicht op de rivier in de verte niet missen.
Hij had net zolang gezocht tot hij ergens in het verboden struikgewas een plek gevonden had vanwaar hij precies tussen de boomtoppen door een glimp van de rivier opving.
Wanneer de zon scheen, lag de rivier in het landschap als een zilveren lint dat een bruid uitzinnig dansend van geluk achteloos achter zich op de grond had laten vallen.

Dit plekje was zijn persoonlijke geheim.
Met trots liet hij het zijn vrienden zien.
Maar het was voor hem vooral een beeld van iets dat hem steeds meer bezig hield.
Een soort visioen achter het dichte struikgewas en gebladerte.
Bestaat de echte werkelijkheid niet uit talloze onoverzichtelijke, vaak elkaar tegensprekende, blijkbaar onsamenhangende delen waarin je gemakkelijk van de bomen het bos niet meer ziet? Wat is de zin, de samenhang ? Wat maakt ons leven tot een verhaal waarin we ergens vandaan komen en ergens naar toe gaan, met hoogte en diepte punten?
Vond je maar die ene plek die je uitzicht geeft, dan vielen alle puzzelstukjes heel even  op zijn plaats.
Het uitzicht tussen de boomtoppen door van het zilveren lint vanaf dat ene plekje, deed Rienk denken aan het mysterie van God waarvan je soms maar heel even een glimp hoefde te zien. Door dat ene vergezicht viel als het ware al het andere op zijn plaats.
Je moest dan ondanks de bordjes “verboden buiten de paden te lopen” wel van de gebaande paden durven gaan.

Op een dag ontmoette hij iemand die heel vertrouwd was met de bossen rondom.
Enthousiast vertelde Rienk over zijn belevenissen.
Vooral over de bijzondere planten die hij in de loop van de tijd in het gebied ontdekt had.
In zijn studententijd had hij een Flora gekocht waarmee je kunt bepalen welke plant of bloem je voor je hebt.
Hij genoot ervan veel planten bij name te kennen.
“Heb je wel eens een muizenoortje gezien?” vroeg zijn metgezel.
“hoe bedoel je? “vroeg Rienk “natuurlijk heb ik wel eens muizen met oortjes gezien”.
“Nee. Ik bedoel een plantje dat Muizenoortje heet”
“Vind je die hier dan?”vroeg Rienk
“O ja, in overvloed. Maar iedereen loopt aan ze voorbij”
“Dus ik ook, denk je”
“Ja, jij ook. Kom maar mee dan zal ik je ze laten zien”

Ze liepen samen over het pad in de richting van de heuvels.
Hetzelfde pad bezaaid met beukenblad dat Rienk al vele malen gelopen had.
Het pad werd zanderiger naarmate het heuvelopwaarts ging.
Rienk lette op de sporen van reeën in het zand.
Hij liep behoedzaam om niet op de mestkevers te trappen die op onverklaarbare wijze opdoken waar uitwerpselen lagen.
Overal groeiden verweesde grassprietjes in het mulle zand.
Verder hier en daar een klein plantje. Vaal blauwgroen in de vorm van een rozet.
Op sommige plaatsen bedekte het de hele breedte van het pad.
Het kon kennelijk tegen een stootje want ondanks de voeten die er dagelijks over gingen, zag het er fris en zorgeloos uit.

Rienk en zijn metgezel spraken onderweg over wat ze zagen of over wat ze ooit gezien hadden.
Ze liepen ook hele stukken zwijgend naast elkaar om te laten bezinken wat ze besproken hadden. Maar meer nog uit respect voor het bos met zijn eigen geluiden van vogelgeluiden en ruisende bomen en af en toe de ratelende mitrailleur van een specht.

“Ik zou je een muizenoortje laten zien”zei de metgezel “Heb je er alleen opgemerkt?”
“Nee, ik zie nergens iets dat op een muizenoortje lijkt” zei Rienk.
“Ik ben bang dat je het op deze manier ook niet zult ontdekken” zei de man
Op dat moment stopte hij en knielde hij op de grond.
Hij wenkte Rienk hetzelfde te doen
Vlak voor hen groeiden een paar van die rozetvormige plantjes waarover Rienk altijd achteloos over hen was gelopen. Ook zo-even.
“Pak eens zo’n blaadje” zei de metgezel “en draai het voorzichtig om”.
Met zijn knieën in het zand strekte Rienk zijn hand nieuwsgierig naar het plantje uit en draaide een van de blaadjes om.
Het blad krulde aan de onderkant naar binnen.
De binnenkant was bedekt met grijze haartjes. Het leek als twee druppels water op een muizenoortje.

Rienks gezicht ontlaadde zich in een gulle glimlach.
“Grappig! Hoe vaak heb ik hier niet over ze heen gelopen zonder te weten wat het eigenlijk was” zie hij.
“Zonder jou had ik deze ontdekking misschien nooit gedaan, want ik had altijd oog voor de andere dingen”
“Leuk, hé” zei de metgezel oprecht “Ik zie dat ik je er echt een plezier mee gedaan heb”. “Zo zie je” vervolgde hij “achter het gewone gaat soms het meest ongewone schuil. Vergeet niet je af en toe klein te maken en te knielen”.

(c) Martin Los 17/2/2013

“Wat doe je op mijn terrein!”

Met zijn spierwitte hoofd en lange gestalte viel hij op temidden van de andere mannen en vrouwen in de kerk.
Elke zondag was hij met zijn vrouw in de Mis met de Gregoriaanse gezangen.
Dat was de vroege Mis die voorafging aan de Hoogmis in de volkstaal
Zijn vrouw verschilde niet veel in lengte met hem.
Maar ze onderstreepte door haar slanke voorkomen en fragiel gezicht als het ware zijn aanwezigheid.
Kortom, hij had iets patriarchaals over zich.

Het echtpaar woonde in een naburige parochie.
Ze hielden kennelijk van Gregoriaans.
Er werd in de meeste omringende dorpen geen Gregoriaans meer gezongen.

Maar belangrijker voor hen was het vroege tijdstip van de Mis.
Zijn vrouw en hij waren nog gewend elke dag vroeg op te staan.
“De ochtendstond heeft goud in de mond” was één van de gevleugelde woorden die mijn vader mij als kind regelmatig voordroeg
Het zou zo maar de lijfspreuk van deze opvallende man kunnen zijn.
Hij was ondernemer met een groot bedrijf.
Op zondag lag zijn bedrijf stil.  Behalve in het hoogseizoen als buien de oogst van de boeren bedreigden.
Het goud dat de zondagochtend in de mond had, was niet het zoals op weekdagen het geld dat te verdienen was, maar de rijkdom van de rustdag waarvan hij zichtbaar intens genoot

Een nog belangrijke reden om alle zondagen mijn parochiekerk te bezoeken was ook de vriendschap met een echtpaar dat hier woonde.
Ze waren allebei grote paardenvrienden. Van paarden en rijtuigen wisten ze alles af.
En vaak gingen de vrienden naar een wedstrijd met vierspannen.
Daar raakten ze nooit over uitgepraat.
Na de Mis brachten ze samen de zondagmorgen door.

Na verloop van tijd zag ik hem alleen in de kerk.
Eerst stond ik er niet zo bij stil.
Maar later viel me op dat hij door de afwezigheid van zijn vrouw een kwetsbare indruk maakte.
In gezelschap van haar had hij er altijd krachtiger uitgezien.

Op een zondag stond hij na de Mis mij op te wachten.
“ Kom eens een keertje kijken” zei hij “je hebt mijn bedrijf nog nooit gezien”.
Ik knikte en zei: “Ik zie u de laatste tijd steeds alleen?”
“Mijn vrouw is al een tijdje ziek. Het gaat niet zo gaat met haar”.
“Dat is niet zo mooi” antwoordde ik oprecht meelevend.
“Ze zou een bezoekje erg op prijs stellen” vervolgde hij
“Goed, laten we dan een afspraak maken” zei ik
“Maar ik kom echt alleen maar op bezoek. Voor pastorale begeleiding moet u bij uw plaatselijke pastor zijn. Want anders begeef ik mij op het terrein van mijn collega”

Het kostte me wel moeite om dit te zeggen. Want ik voelde veel sympathie voor hem en zijn vrouw. Maar ik wilde geen eigenmachtige indruk maken op mijn collega’s.
De naburige pastor zou zo’n inbreuk op zijn territorium absoluut niet zou waarderen.
“Dat weet ik” zei hij vriendelijk “maar dat is ook helemaal niet nodig. U komt gewoon als vriend”
“Ze zou het gewoon fijn vinden u even te zien. En dan kan ik u tegelijk mijn bedrijf laten zien”.

De zaterdag daarop reed ik door de weilanden naar het echtpaar toe.
Ze woonden in een voormalige boerderij omgeven met grote oude bomen die het huis zomers koelte gaven.
Ik reed het erf op. Gealarmeerd kwam een hond aanrennen vanachter het huis.
Daarachter aan kwam de man met zijn witte haar. Hij riep de hond bij zich.
Het beest gehoorzaamde meteen.

In de huiskamer lag zijn vrouw in bed.
Door het raam had ze me al van verre aan zien komen rijden
Ze zag er erg verzwakt uit.
Ze begroette mij hartelijk.
Ik zei dat ik het fijn vond om haar te zien en ik vroeg hoe het met haar ging.
Ze verloor zich niet in allerlei medische details, maar liet onze ontmoeting op zich inwerken door de stiltes die af en toe vielen.
We spraken even over de kinderen en kleinkinderen die te zien waren op de foto’s die bij haar aan de muur hingen.
Ik merkte aan haar dat ze snel uitgeput raakte. Dus het bezoekje duurde maar kort.
We namen hartelijk afscheid van elkaar.
“Ik zal u in mijn gebeden gedenken” beloofde ik haar, terwijl haar  man mij voorging naar de deur.
“En ik u” sprak ze met een berustende glimlach om de lippen.

Haar man en ik liepen naar de loodsen waar allerlei landbouwmachines stonden.
Trots vertelde hij mij hoe het bedrijf gegroeid was in de loop der jaren.
Dat was ook te zien aan de schuren en loodsen, de één uit oude tijden, de ander hypermodern.
Hij stond eigenlijk nog maar met één been in de zaak, want zijn zoons namen het bedrijf gaandeweg helemaal over.
Binnenkort zou hij zich helemaal terugtrekken.
De bezichtiging duurde een half uurtje.

Net toen we uit de laatste loods naar buiten kwamen, reed een auto de betonnen oprijlaan op.
Het was een auto die het midden hield tussen een bestelauto en een personenauto.
Ik herkende onmiddellijk de auto van mijn naburige collega-pastor.
Een lange man voor wie een normale personenauto eigenlijk te klein was.
“Dat is ook toevallig” zei mijn gastheer:
“Daar heb je de pastor. Die komt vast een paar zakken aardappelen halen”.

Ik zag aan zijn gezicht dat hij zich amuseerde met deze onverwachte wending van mijn bezoek.
Ik voelde mij helemaal niet betrapt, want ik had mij keurig gehouden aan de ongeschreven collegiale wetten. Maar dat kon de collega niet weten.
Ik voelde de spanning stijgen toen de collega uit de auto stapte.
De gastheer en ik liepen op hem toe. Met zijn rijzige gestalte kwam hij op ons toe.

Er verscheen een grijns op zijn gezicht.
“Wat doe jij hier op mijn terrein?” zei hij

Even leek de tijd stil te staan.
Wat moest ik zeggen?
Wat ik ook zou zeggen, zou afketsen op de indruk die mijn aanwezigheid wel op hem moest maken.

Die ene seconde duurde voor mij een eeuwigheid.
Maar met de kracht van de zon die door de wolken breekt, sprak mijn gastheer sprak zonder aarzeling het verlossende woord:
“Het is toevallig wel míjn terrein!”