Bitterzoete snoepjes onder het dashboard

Elk jaar ging hij als als pastor-vrijwilliger mee met een bedevaart naar één van de plaatsen waar een Mariaverschijning heeft plaatsgevonden.

Het programma van de groepsbedevaart bevat in de regel ook een excursiedag de omgeving in. De excursie is niet verplicht. Ook niet voor de de pastors. Hij vond het prettig om wel mee te gaan. Want tijdens zo’n excursie vinden meestal de meest verrassende ontmoetingen plaats.

De pelgrims die met deze excursie waren meegegaan, liepen in kleine groepjes langs het snelstromende riviertje in de bergen. Anderen liepen alleen. En sommigen die tegen de wandeling opzagen, bleven achter op een terrasje in het bergdorpje.
Allen ademden ze de pure berglucht in. Die zuiverheid werd mooi in beeld gebracht door de besneeuwde toppen van de bergen rondom.

Hij had verscheidene korte gesprekjes gevoerd met pelgrims die hij op de wandeling inhaalde of die hem inhaalden wanneer hij ergens een vergezicht in zich op wilde nemen of een foto maken.
Op de terugweg naar de  plaats waar de bus stond, was een brug over de bergstroom. De  leuning van de brug was breed genoeg om op te zitten. Hij nam even plaats om uit te rusten en streek met zijn vinger over de stenen leuning. Ze was verweerd en bedekt met eeuwenoud lijkende korstmossen.

Als een zeldzame vogel die uit het niets geruisloos neerstrijkt kwam een pelgrim naast hem zitten.
“Heeft u het naar uw zin?” vroeg ze vriendelijk met een licht buitenlands accent.
“Prima” antwoordde hij “en u?”
Hij hoorde een ingehouden snik. Op datzelfde moment viel er een grote traan op de stenen balustrade. Het gesteente nam haar even gulzig als behoedzaam in zich op tot er niet meer dan een kring achterbleef die even later ook verdween.

“Ik heb geen papieren zakdoekjes bij me” zei hij verontschuldigend. Hij voelde zich een beetje lomp.
Ze schudde haar hoofd en wuifde met een teder maar beslist handgebaar zijn tussenkomst weg.
Het was even stil voordat ze begon te vertellen. Intussen stroomde het riviertje gretig onder hen door. “Zou deze brug waaronder zoveel opspattend water stroomt, ooit eerder door een menselijke traan beroerd zijn?”dacht hij

“Ik ben als jonge vrouw naar Nederland gekomen. Samen met een paar andere werden we gelokt door het vooruitzicht van goed betaald werk. Dat viel erg tegen. We stonden dag in dag uit aan de lopende band in een fabriek tegen een laag loon. Maar we konden niet terug. We wilden niet na een paar dagen alweer met hangende pootjes in ons achterlijke dorp terugkomen. Iedereen had ons het avontuur afgeraden.
Trouwens we hadden geen geld voor de terugreis”.
“Mijn vriendinnen gaven het na een paar maanden op. Ik bleef alleen hier”

Ze vertelde in vervoering alsof ze de kracht van die dagen opnieuw beleefde. Zijn indruk was dat ze een bescheiden, maar koppige persoon was. Een combinatie die karakteristiek is voor volhouders.

Daarna vertelde ze haar verdere leven in hier. Ze trouwde op jonge leeftijd met een Nederlandse man. Natuurlijk had in haar familie iedereen haar ook dit afgeraden.
Van hun twee kinderen stierf de eerste als gevolg van een zware handicap. Het huwelijk liep uit op een mislukking. De tweede zoon was in de gevangenis terecht gekomen nadat hij op zichzelf was gaan wonen in de grote stad. Ze mocht hem maar af en toe even bezoeken omdat zijn zaak nog in behandeling was.

Haar verhaal was een lange klacht die hem stil maakte. Daardoor werd hij zich nog bewuster van de intensiteit en vriendelijkheid waarmee ze bijna melodieus vertelde.
Al die tijd stroomde het riviertje onder hen en de brug door. Het zorgde voor een klaterende achtergrond bij deze droeve geschiedenis als muziek bij een film.
Af en toe stelde hij een korte vraag. Niet uit nieuwsgierigheid, maar als ondersteuning bij het vertellen van haar verhaal.

Ze had maar een wens. Ze smeekte God uit de grond van haar hart dat haar zoon nog een kans zou krijgen om een nieuw leven te beginnen. Voor haar zelf wenste ze niets. Als haar kind maar ooit nog gelukkig zou worden, dan was ook zij dolgelukkig.
“Ik hoop dat Maria mij zal helpen. Zij is een echte moeder. Ze begrijpt mij. Ik hoop dat ze een goed woordje voor mij doet bij God”.

Even plotseling als ze naast hem was komen zitten, stond ze weer op.
“Heel erg bedankt dat u even naar me hebt willen luisteren. U weet niet hoe goed me dat gedaan heeft!” Ze greep even zijn hand vast. Maar nog voor hij iets terug kon zeggen, liep ze richting bus. Even later was ze verdwenen.

Nog diep onder de indruk stond hij langzaam op. Er stonden wat kraampjes met streekproducten. Noga, potjes marmelade, wijn, allerhande snoep lag uitgestald voor de spaarzame toeristen.
Hij kocht uit medelijden om de geringe klandizie een zakje homemade snoepjes voor in de bus terug.

Toen hij had afgerekend stond ze ineens weer bij hem. Ze stopte hem een zakje van dezelfde snoepjes toe die hij net had gekocht. En weg was ze weer. Had ze op een afstand staan kijken waar zijn voorkeur naar uit ging?
Hij stopte het zakje dat ze hem gegeven had, in zijn tas die in de bus lag te wachten.
Uit het zakje dat hij zelf had gekocht nam hij een snoepje en stopte dat in zijn mond. Het had een aparte ouderwetse bitterzoete smaak. Heel anders dan de frisse zuurzoete snoepjes die je bij de benzinepomp koopt.

Intussen reed de bus waarin hij zat weer terug naar het bedevaartsoord.
De vrouw die hij ontmoet had, zat kennelijk in één van de andere bussen. Hij zag haar in de daaropvolgende dagen niet meer. Ook niet op het vliegveld. Ze was weer één van de velen geworden. Maar haar verhaal bewaarde hij als een kostbaarheid in mijn hart.

Toen hij weer thuis was en zijn koffer uitpakte, trof hij daar het zakje snoep aan dat ze hem gegeven had. Wat moest hij er mee? Hij snoepte nooit als hij aan mijn bureau zat te werken. Hij legde het zakje dat als een onverdiend kleinood voelde eerst een poosje terzijde.
Toen schoot hem te binnen dat hij vaak een snoepje verlangde als hij een langere rit met de auto moest maken.

Hij legde het zakje snoep in de auto onder het dashboard. Daar viel het hem gewoonlijk niet op. Behalve als hij een langere rit moest maken en verlangde naar iets zoetigs. Dan herinnerde hij zich het zakje snoep én de vrouw die het hem gegeven had, na hun gesprek op de brug.
Hij deed er bijna een jaar over voor het laatste snoepje op was. En telkens dacht hij even aan haar en haar trieste verhaal, en deed even een gebedje voor haar.

Zijn bewondering voor haar was voortdurend toegenomen. Ze was er in geslaagd er met een eenvoudig gebaar voor te zorgen dat hij een jaar na de ontmoeting nog regelmatig aan haar gedacht had en voor haar een schietgebedje had gedaan.
Bescheiden en koppig was ze. Een combinatie die karakteristiek is voor taaie volhouders. Hij moest er om glimlachen en dacht aan de glimlach van Maria.

De snoepjes die de pelgrim hem gegeven had, vormden als het ware een langgerekt gebedsnoer in zijn handen om haar en haar situatie te gedenken.
De weg was lang. De smaak was bitterzoet. De uitkomst ook?

© Martin los

Dansen op het graf

Toen hun vader plotseling was overleden, vroegen zijn drie zonen zich af hoe ze hem een passende begrafenis konden geven.
Hun vader was vertrouwd met de riten van de kerk. Misschien had hij in zijn jeugd zelfs wel enige tijd op het seminarie gezeten. Dus het stond vast dat er een requiemmis gehouden zou worden in de parochiekerk.
Voor hen was de kerk niet meer dan een niet onplezierige herinnering uit hun kindertijd. Maar ze gunden “die ouwe” een uitvaart met latijn en wierook. Ze hoopten deepdown ook nog een vleugje van de hypnotiserende mystiek op te snuiven die zo bij hun vader hoorde.

Andere wensen ten aanzien van het afscheid in de kerk hadden ze niet. Eén van hen zou een kort woordje houden. Ongeveer op de manier van Olie B. Bommel die vaak tegen Tom Poes zei:  “Mijn goede vader zei altijd”. Aan alles was te merken dat de jonge mannen trots op hun vader waren. Hij was waarschijnlijk een goede sparringpartner voor hen geweest op weg naar de volwassenheid. Ik stel me voor dat hij hen een stevig tegenwicht geboden had en tegelijk ruimte had gegeven.

Ze hadden eigenlijk maar één verzoek: “We willen zelf onze vader begraven.”
“Geen probleem” zei ik “Normaal plaatst de beheerder van onze begraafplaats een hydraulische lift op het graf. Tijdens de begrafenis wordt de kist daarop gezet. Op mijn teken laat de uitvaartleider de kist zakken. Maar jullie kunnen natuurlijk ook de kist met touwen laten zakken. Bespreek het verder met de uitvaart ondernemer. Die regelt dat dan wel”.

“Er komt in absoluut geen lift aan te pas als onze vader begraven wordt” antwoordde de meest bespraakte van de drie. Het verschil in reactiesnelheid was eigenlijk niet meer dan een neuslengte bij de finish van een atletiekwedstrijd. In de loop van het gesprek was het steeds een verrassing wie van hen het eerst het woord nam.
“Het idee dat pa in zijn graf wordt gelegd zonder een spatje inspanning van ons” zei de andere zoon met minachting op zijn gezicht.
We laten hem eigenhandig aan touwen zakken” zei de derde alsof hij een knoop doorhakte.

Aan hun gezichten was te zien dat ze als het ware nog eenmaal het gewicht van hun vader in volle zwaarte wilden voelen als ze de kist neerlieten.
“Die ouwe” met wie ze zoveel gestoeid hadden, gaven ze niet uit handen aan vreemden. Ze hadden nog op zijn rug paardje gereden. Hij had in het spel met zijn kinderen hen opgetild en gedragen. Later toen ze opgroeiden had hij hen intellectueel gedragen en weerstand geboden. Ze wilden nog een laatste keer zijn gewicht ten opzichte van zichzelf bepalen en eren.
“Dat is dan afgesproken” zei ik in de verwachting dat het gesprek naar een einde toeging.

“Maar we willen ook onze vader zelf begraven!” vervolgden ze onverstoorbaar.
“Wat bedoelen jullie?”
“ Als we de kist hebben neergelaten, willen we de kuil dichten met de berg aarde die naast het graf ligt”.
“Dat heb ik eigenlijk nooit eerder meegemaakt” zei ik belangstellend. En ik voegde er zonder aarzeling spontaan aan toe: “Maar als jullie dat willen moet er, vind ik, een mogelijkheid voor zijn. Ik neem wel contact op met de beheerder van onze begraafplaats”

“Maar hoe stellen jullie je dat praktisch voor?” vervolgde ik “Jullie hebben de kist aan touwen laten zakken. Er staan dan zo’n honderd aanwezigen rondom jullie. Dat dichten van de kuil gaat zeker een half uur duren. Het lijkt me niet prettig voor je moeder en de andere aanwezigen zo lang daar te moeten staan. Bovendien komen de eerste scheppen zand met een luide plof op de kist. Dat kan een aanslag zijn op het gevoel van mensen met teerdere zielen dan die van jullie”.
Ik zag aan hun gezichten dat  ik door de situatie beeldend te beschrijven erin geslaagd was hen in gedachten mee te nemen naar het moment van de begrafenis.
Plotseling zagen ze zichzelf in hun nette pak dat ze voor die ene keer zouden dragen. Elk met een grote schop in de hand. Ze voelden het zweet al van hun voorhoofd druipen. Het was augustus. En al die tijd zouden de ogen van familie en vrienden op hen en hun inspanningen rusten.
Ze keken enigszins teleurgesteld. Niet door mijn woorden, maar door wat hun eigen waarneming hen vertelde.

Ik glimlachte van binnen een klein beetje omdat deze drie jonge mannen die zich door niets lieten weerhouden, nu toch even weifelden hoe het verder moest.
Maar voor geen goud had ik hen de mogelijkheid willen ontnemen om met grote schoppen en luide ploffen zand de kist van hun vader langzaam aan hun oog te onttrekken.
Elke schep zand die ze in de kuil wierpen zou het verhaal vertellen van hun jeugd. Elke schep zand die hun spieren op de proef zou stellen, zou hen laten voelen hoe ze  met hem als kind gestoeid hadden als mannen onder elkaar, tot hun spieren pijn deden. En hoe ze later hun krachten met hem gemeten hadden in verhitte debatten. Het had hen gemaakt tot de mannen die ze nu waren. Geen fysieke krachtpatsers, maar wel intellectuele mannetjesputters.

“Ik stel voor, dat we na de begrafenis allemaal naar het restaurant gaan waar de receptie wordt gehouden. Met jullie moeder nemen jullie de condoleances in ontvangst. Je eet even een broodje. Dan vertrekken jullie via de achterdeur naar de begraafplaats. Daar dichten jullie dan zelf het graf.
Mijn voorstel werd dankbaar aanvaard. Ze gingen opgelucht weg. Ik genoot inwendig van de onschuldige samenzwering die we hadden afgesproken.

Meteen belde ik de beheerder op. Ik legde hem uit wat de bedoeling was. Ik kende hem als een man met een open geest. Maar bij dit vooruitzicht van drie jonge mannen die alleen gelaten op het kerkhof een grafkuil gingen dichten, begon hij toch te sputteren: “ik weet niet of ik daarmee akkoord kan gaan. Er lopen misschien andere bezoekers over de begraafplaats. Wat voor indruk moet dat op hen maken!”
“Ach, de jonge mannen zullen dat echt wel een beetje waardig doen”zei ik “en op dat uur is het meestal stil op de begraafplaats. Het is dan siësta. Trouwens, ik kan me niet voorstellen dat iemand van zijn stuk raakt als ze die jongens aan het werk zien”,
“Goed dan. Maar het moet geen gewoonte worden, hoor!”
“Zo’n vaart zal dat niet lopen, hoor. Het is een heel bijzonder stel. Net de drie musketiers. Die kom je niet elke dag tegen”.

De dag van de begrafenis brak aan. Het was een prachtige zonnige dag.
De requiemmis verliep sereen en stijlvol. Ook het woordje van de zoons met liefde en milde humor gebracht paste daar geheel in.
Tijdens de begrafenis lieten ze als harde werkers de kist aan touwen neer, terwijl de uitvaartleider werkeloos toekeek.
Na het slotgebed gingen alle aanwezigen naar het restaurant. Ik zelf ging ook mee om een kopje koffie te drinken en een praatje te maken met familie en vrienden van de gestorvene. Het waren boeiende gesprekken want de overledene was een bijzonder mens geweest. Na verloop van tijd nam ik afscheid van zijn vrouw. Het was me ontgaan dat de drie jonge mannen er tussen uit geslopen waren.

Op weg terug naar de pastorie kwam ik bij het kerkhof. Ik hoorde van verre al hun uitgelaten stemmen. Toen ik dichterbij kwam, zag ik hen aan het werk. Hun jasjes hadden ze uitgetrokken, hun stropdas afgedaan, hun overhemd boven losgeknoopt en hun mouwen opgestroopt.
Ze waren bijna klaar. Het graf was gedicht. Hun grote schoppen hadden aan de kant geworpen.
Met zijn drieeen dansten ze op het graf van hun vader. Want toen ze al het zand in het graf hadden geschept, had zich een heuvel gevormd. Door de kist die in het graf is neergelaten, blijft er immers minstens een kubieke meter zand over.
Al dansend probeerden ze nog zoveel mogelijk grond de kuil in te stampen.

Terwijl ze zo op en neer sprongen waren ze helemaal buiten zichzelf. Hun stemmen gingen ongemerkt over in gejuich. Het had nog het meest weg van jodelen wat ze deden. Alleen kaatste er geen echo van de bergen terug, maar vormden ze zelf de echo van elkaar.
Zo dansten en sprongen ze op het graf van hun vader. Niet omdat ze blij waren dat de man onder de zoden lag. Ze waren apetrots op hem.
Ze hadden door deze eigenhandige begrafenis hun relatie met hun vader met de inspanning van hun hele lichaam opgeslagen in hun wezen.
Ze jubelden het uit als kinderen die iets kostbaars buit gemaakt hebben. Het was adembenemend.

Ik zorgde ervoor, om hen niet de storen, dat ze mij niet zagen. Wat hier te zien was, was niet voor andere ogen bestemd. Het was een heilig moment.

Terwijl ze zo dansten op het graf leken hun voeten even de aarde niet meer te raken. De zwaarte was van hen afgevallen. Ze voelden de intense lichtheid van het bestaan en dansten als eendagsvliegen in het zonlicht.
Het leek erop dat hun vader die nu in de zorgeloze hemel boven was, hen beloonde voor hun inspanning en hen optilde zoals in hun kindertijd wanneer hij eindelijk thuis kwam van zijn werk.

© Martin Los