Preek op de 1e zondag van de Vasten 14 februari 2016 in Mariakerk en Willibrordkerk

tentationsdediableStMarco12eeeuw

de drie verleidingen waarmee de duivel Jezus probeerde te verleiden Mozaïek S. Marco XIIe eeuw

Lieve zusters en broeders, we horen in het Evangelie hoe de duivel Jezus tot driemaal toe probeerde te verleiden. Zonder succes.
Opmerkelijk is dat Jezus elke poging afweert met woorden uit de Bijbel.
Het is alsof Jezus zelfs de duivel nog op het goede pad probeert te brengen en hem een lesje leert.
Maar weet u: ik denk dat het eerder een les voor ons is. Jezus wil beslist niet de indruk wekken dat Hij persoonlijk door een magische superioriteit de duivel te slim af is.
Dan zouden wij kunnen denken: “Jezus is de duivel de baas, geen wonder, want hij beschikte over bovennatuurlijk krachten. Maar wij, gewone mensen, zijn weerloos voor de stiekeme verleidingen van de duivel.
Door bekende woorden uit de Bijbel te gebruiken als afweer tegen de duivel laat Jezus zien dat gehóórzaamheid aan het woord van God ons wapent.
Wanneer we luisteren naar het  Woord van God in de Eucharistie gaan we met God zelf om.  Ook door persoonlijk de Bijbel thuis te lezen en te overdenken, wordt onze vriendschap met God gevoed.
Dát helpt ons de kwade verleidingen te weerstaan.
Jezus haalt zijn neus er dus niet voor op om woorden te gebruiken die veel mensen kenden door hun gelovige opvoeding en door hun wekelijks bezoek aan de synagoge. Zo laat Jezus zien dat de verleidingen van de duivel doorzien en afslaan, geen kwestie is van slimheid. Dan was het onbegonnen werk je te verzetten tegen de verleidingen. Waar het op aankomt is dat je gehoor geeft aan God. Dat is voor iedereen weggelegd. Liefde tot God, vertrouwen in God, kinderlijk vertrouwen.

Een mooi voorbeeld hoorden we in de Eerste lezing uit Deuteronomium. Mozes geeft het volk van God de opdracht om als ze in het beloofde land zijn en daar een bestaan opgebouwd hebben, elk jaar een korf vol halmen gerst naar de tempel te brengen. Met deze woorden: Mijn vader was een zwervende Arameeër (……) De Heer heeft ons hier gebracht en ons dit land van melk en honing geschonken. Daarom breng ik nu de eerste vruchten van de grond die U, Heer, mij geschonken hebt.
Gerst was het eerste graan dat in het voorjaar groeide. Waar ergens in het land de gerst het eerste rijp was, ging een hoeraatje op, want die bewoners mochten in feestelijke optocht de halmen naar de tempel brengen om ze aan de Heer te offeren. Met dit ritueel wordt natuurlijk bedoeld dat de vruchten van de aarde het geschenk van God zijn.
Als je dankbaar bent, dat de aarde en ons leven en het werk van onze eigen handen een geschenk van God is, dan kom je niet in de verleiding materialistisch worden of doen alsof het jouw verdienste is, en dat je daarom niets met anderen deelt.

Zo eenvoudig is het. Waarom zouden we geen gehoor geven aan God? Wordt je daar minder van? Geeft God ons zijn geboden om ons dom en onmondig te houden? Ja, dat is precies wat de duivel influistert. Als hij maar het geringste greintje twijfel aan de goedheid van God in ons hart kan zaaien, heeft hij al een voet tussen de deur.
Maar wat ís geloven dan? De hele bijbel uit je hoofd kennen? Alle rituelen en gebeden kennen en uitvoeren? Dat is toch voor gewone mensen niet mogelijk? Dat was ook de vraag waarmee mensen bij Paulus kwamen. Zijn antwoord is zoals we hoorden in de Tweede lezing heel eenvoudig. Geloof is niet moeilijk: ”Het woord is vlakbij, het is in uw mond, het is in uw hart, het woord namelijk van het geloof dat wij verkondigen. Want als uw mond belijdt dat Jezus de Heer is, en als uw hart gelooft dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zul je gered worden”.

Als we dat doen, eenvoudig Jezus als onze Heer erkennen, als de levende die altijd bij ons is, kan het kwade zich geen meester van ons maken.
Natuurlijk kunnen we fouten maken, en soms door zwakheid uitglijden, maar dan mogen we vertrouwen op Gods vergeving want Hij kent ons en Hij is “groter dan ons hart”.
En als we een extra steun in de rug nodig hebben, kunnen we een beroep doen op het sacrament van boete en verzoening, de biecht.
Want God wil niets liever dan dat we weer opstaan door de kracht van het geloof. Wanneer je Jezus liefhebt, en in Hem geloof als de levende Heer, kan geen duivel daar tegen op.

“Maar de duivel bestaat toch niet echt?” zeggen we tegenwoordig. Grappig dat wij denken dat als we de duivel afschaffen, hij niet meer bestaat. De duivel lacht in zijn vuistje over zoveel naïviteit.
Nee, inderdaad de duivel bestaat niet zoals God bestaat. God is de eeuwige die woont in het ondoordringbaar licht. En alles wat God gemaakt heeft, bestaat dank zij hem en houdt hij in zijn hand.
In die zin bestaat de duivel niet. Hij is een soort karikatuur. Dat probeert Jeroen Bosch in zijn schilderijen duidelijk te maken. De duivel is als een schaduw. Een schaduw bestaat, maar niet op zichzelf. Een schaduw valt alleen daar waar het licht wordt tegengehouden door iets of iemand. Alleen waar hij binnengelaten wordt en zijn kilte vat op alles krijgt. In egoisme, materialisme, jaloezie, geweld, uitzichtloze oorlogen, onbarmhartigheid.

We hoeven niet bang te zijn voor die schaduw als we op God, onze Vader, vertrouwen, en op Jezus als onze Heer die zich zelf voor ons heeft gegeven om de macht van de duisternis te overwinnen. Met hem verbonden mogen we leven zonder angst voor de macht van het kwade. Door de doop en het geloof mogen we in vrijheid leven, voor ‘de duvel niet bang’ als kinderen van God, kinderen van het licht, geroepen tot het eeuwige licht. Amen

(c) Pastoor Martin Los
voorgeschreven Schirftlezingen voor deze zondag uit het universele r.k. lectionarium voor zon- en feestdagen: 1e lezing: Deuteronomium 26:4-10; 2e lezing: Romeinen 10:8-13; Evangelie: Lucas 4:1-13

Homilie op de 4e zondag in de Veertigdagentijd C-cyclus

Op zondag (en vooravond) 10 maart 2013 in de Mariakerk in De Meern
bij Evangelielezing: Lukas 15: 1-32

Lieve zusters en broeders, we worden de laatste tijd in de media overstelpt door publieke spijtbetuigingen. Deze week was het de sympathieke wielrenner Michael Boogert die kwam vertellen dat hij vele jaren doping gebruikt had. Een tijdje terug was er de openbare biecht van Lance Armstrong bij Oprah Winfrey. Om maar een paar voorbeelden te noemen.

Wat opvalt aan deze publieke spijtbetuigingen, zoals bijvoorbeeld van topsporters die doping gebruikt hebben, is dit. De bekentenissen komen bijna altijd onder grote druk van buiten tot stand.
Het lijkt op deze manier zo dat de spijt over het feit dat een misstap aan het licht is gekomen, groter is dan de spijt over de misstap zelf.
We kunnen ons daar wel iets bij voorstellen. Hetzelfde publiek en dezelfde media die van sporters elke dag opnieuw bovenmenselijke successen vergen, staan even gretig klaar om de dopingzondaar te verguizen. Hebben niet alle partijen boter op hun hoofd?

Het is jammer dat we op deze wijze zo weinig voorbeelden van echte spontane spijt tegenkomen.
Dat is jammer omdat spijt eigenlijk iets heel moois is. De aanleiding niet, maar wel de spijt. Spijt of berouw effenen voor een mens de weg naar geluk en blijdschap.
Want als wij iets gedaan hebben, wat niet goed is, en we verbergen dat, dan voelen we ons onecht.
Pas wanneer we ergens echt voor uit komen, vallen we weer helemaal samen met onszelf. Dan kunnen we weer onszelf zijn en spontaan doen.
Met een gerust hart weer jezelf zijn, spontaan leven, niet bang zijn dat je vroeg of laat tegen de lamp loopt, dat is iets wat je ieder mens gunt.
Het is iets dat God ieder mens gunt. Daarom heeft hij ook de mogelijkheid tot spijt in ieder mens gelegd.

Gelukkig hebben we in het Evangelieverhaal dat we zo-even gehoord hebben, een prachtig voorbeeld van oprecht berouw.
Op een gegeven moment denkt de jongste zoon die zijn bezit er door heen gejaagd heeft: “waar ben ik mee bezig? De dagloners van mijn vader hebben het beter dan ik!”
Hij stelt zich in gedachten voor dat hij naar zijn vader terugkeert, zijn misstappen erkend, en vraagt of zijn vader hem wil terugnemen al was het maar als één van zijn dagloners.
Hier geen dwang van buitenaf, maar eigen inzicht en beslissing. Echt berouw moet altijd geheel vrijwillig zijn. En ze moet volledige erkenning inhouden van de misstap. Echt berouw stelt geen voorwaarden vooraf. Ze onderhandelt niet. Ze is één en al overgave.

Als de zoon dicht bij huis komt, staat zijn vader al op de uitkijk. Hoelang is de jongen van huis geweest?  Een hele lange tijd. Al die tijd heeft zijn vader op de uitkijk gestaan.
Jezus lijkt daarmee te willen zeggen: als jij als mens echt spijt hebt van iets dat je misdaan hebt, dan is die spijt zelf eigenlijk al het werk van God die zijn verlangen naar jou  doet gevoelen.
Wanneer wij verlangen dat het weer goed komt tussen God en ons, dan is dat al het werk van God in ons. Hij is dan al bezig ons naar zich toe te trekken. Het is zijn liefde die we weer volledig willen ervaren.
Spijt is een geschenk van God. Dat is niet iets om voor weg te lopen. Het is een uitstekend medicijn op weg naar totale genezing.

De kerk verkóndigt de vergeving van zonden. Ze maakt een onlosmakelijk deel uit van de geloofsbelijdenis die we elke zondag bidden. De kerk mag ook de vergeving vieren in het sacrament van verzoening, de biecht.
Net als alle sacramenten is de biecht een geschenk aan de kerk en aan alle gelovigen. Het is de plek om zonder dwang en volledig en zonder angst aan God te vertellen wat ons spijt. Daar ervaren we opnieuw de vreugde die God zijn kinderen zo van harte gunt.
De biechtstoelen hier in de kerk zijn opnieuw en eigentijds ingericht. Ze zijn beeld van de Vader die altijd op de uitkijk staat.

Toch is er nog wel een serieuze vraag: loopt de kerk met haar verhaal van de vergeving van zonden niet achter?
Biedt de kerk niet iets aan waar aan geen behoefte meer is? Het woord zonde is helemaal uit de alledaagse taal en uit het eigentijdse denken verdwenen. En zelfs katholieke gelovigen menen dat de biecht lang geleden is afgeschaft.
Zo’n vijfentwintig jaar gelden al zong Barbara Streisand een heel mooi inspirerend lied met de woorden: there are  no mistakes, just lessons to be learned (er zijn geen fouten, alleen maar lessen die je leert).

Inderdaad beleven we tegenwoordig onszelf anders dan vroeger. We beleven ons levensverhaal als één van vallen en opstaan. Ieder levensverhaal is weer anders. We erkennen dat we fouten maken en proberen ervan te leren en zo echte mensen te worden.
In onze tijd telt niet alleen het levensverhaal van koningen en andere beroemdheden. We zijn de hoofdrolspeler in ons eigen verhaal. Onze fouten zijn niet zozeer zaken waar we ons voor schamen, maar prikkel om het de volgende keer anders en beter te doen.
In een wereld waar weinig dingen vast staan, maak je gemakkelijker fouten. En we zijn er terecht trots op als dat lukt.
Vooral jonge mensen hebben weinig moeite om fouten te erkennen. Dat hoort er voor hen gewoon bij. We zeggen: wie nooit een fout heeft gemaakt, heeft niet echt geleefd. En dat is de grootste fout.

De kerk verkondigt de vergeving van zonden. Betekent dat nou: “mensen, die zegt “van je fouten leren” verbeeldt je maar niets. In Gods oog stelt dat allemaal niks voor, want in zijn ogen is iedereen een zondig mens?
Nee, fouten erkennen en van je fouten leren, is mooi. Dat maakt leven boeiend. Het vermogen van je fouten te leren heeft God in ons gelegd om dagelijks te kunnen groeien in verstand, wijsheid, begrip en barmhartigheid.

Maar we staan er niet alleen voor. God wil ons ook helpen. Gelukkig zijn niet alle fouten zijn zonden. Maar soms kunnen we het gevoel hebben, dat we niet “iets” verknoeid hebben, maar dat we onszelf in de knoei gebracht hebben. Als er iets gebeurd is wat onze persoon in de waagschaal stelt. Dat we onze integriteit en onze geloofswaardigheid kwijt zijn. Dat we in de relatie naar anderen en naar God en naar onszelf iets kapot gemaakt hebben.

Wat mooi als we dan als de verloren zoon opstaan en naar “Onze hemelse Vader” durven gaan. Wat mooi dat hij dan in het sacrament van vergeving al op de uitkijk staat, om ons te omhelzen als zijn kind en ons weer aan onszelf terug te geven als een nieuwe mens.

Ik ben dit weekend 22 jaar priester. Ik ben elke dag dankbaar voor dit grote voorrecht dat mij gegeven is. Het evangelie dat ik mag verkondigen, alle pastorale taken die ik mag vervullen en de sacramenten die ik mag bedienen, vervullen me echt elke dag met vreugde.
Maar de keren dat ik een mens die oprecht spijt heeft, de handen mag opleggen en namens God en zijn kerk vergeving mag schenken behoren tot de meest onvergetelijke momenten.
Wat is het mooi om een andere de hand op te leggen en te zeggen: “uw zonden zijn u vergeven! Ga in vrede”.  Amen