Een kerk in de minderheid is niet minder kerk

Preek op de vierde zondag in de Paastijd 6 en 7 mei 2017 Mariakerk en Willibrordkerk

Lieve zusters en broeders, in de vijftig dagen tussen Pasen en Pinksteren leest de kerk ieder jaar elke zondag en alle andere dagen uit het boek van de Handelingen der apostelen. In dat boek vertelt de schrijver, de evangelist Lucas, over het begin van de kerk, over hoe de apostelen en de eerste christenen de dood en verrijzenis van Jezus verkondigden, hoe ze samen het Evangelie handen en voeten gaven.
We horen van hun tegenslagen, maar ook hoe de Blijde Boodschap zich als een lopend vuur verspreidde door de toenmalige wereld. Overal ontstonden in korte tijd christelijke gemeenschappen die bleven bestaan onafhankelijk van elkaar met eigen leiding.
Het is heel goed om die tijd waarin de kerk nog helemaal in de kinderschoenen stond steeds opnieuw voor ogen te houden. Zeker in deze paastijd waarin we stil staan bij het begin van de kerk en het geloof. Het begin is de dood en verrijzenis van Jezus. Dat is het begin, dat is de bron. En dat blijft het. Voor ons nu niet minder dan voor hen toen.
In deze tijd van het jaar gaan veel mensen erop uit met de caravan en tent. We verlaten de luxe van onze huizen om ons met redelijk primitieve middelen te beredderen. Zo doorbreken we de sleur. Maar ook stelt het ons gerust dat we eigenlijk met heel weinig toe kunnen alsof we vluchtelingen waren, van huis en haard verdreven. Op een zelfde manier kan het ons als gelovigen helpen ons de verplaatsten in de eerste christenen. Zij hadden nog geen kerken, geen boeken, geen prachtige liturgie, geen priesteropleiding. In onze ogen hadden ze niets, dan de herinnering aan Jezus, de beleving van Pasen, dat de Heer waarlijk is opgestaan, en ze hadden elkaar.
Zaten ze daardoor met de handen in het haar? Nee, want ze hadden voor hun gevoel alles wat ze nodig hadden om samen kerk te zijn, het geheim van geloof in de levende Heer, de Goede Herder, samen de waarden van het Evangelie in hun leven vorm te geven, en samen met enthousiasme de Paasboodschap te verkondigen.
Petrus treedt op het Pinksterfeest naar voren en verkondigt: “Voor heel het huis van Israël moet onomstotelijk vast staan dat God die Jezus die jullie gekruisigd hebben, tot Heer en Christus heeft gemaakt” *). De mensen in Jeruzalem zijn diep getroffen door zijn boodschap. Ze beseften wat ze gedaan hadden. De Verlosser gekruisigd. Hadden ze daarmee niet voorgoed al hun glazen ingegooid?
In de wereld waarin wij leven, is het gebruikelijk om tegenstanders af te straffen, en wraak te nemen. We zien het in andere landen. Met een kleine meerderheid sluit de ene partij de anderen helemaal buiten. We merken ook in onze samenleving dat verharding toeneemt. We schrikken van het verbale geweld in de media.
Maar wat doet Petrus? Hij overlaadt zijn publiek niet met spot en hoon omdat ze zo verschrikkelijk fout hebben gedaan door aan te dringen Gods Zoon aan het kruis te hangen. Hij nodigt alle mensen uit die daar met tranen in de ogen stonden en met een gebroken hart, om te geloven in deze Jezus, om zich te laten dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van hun zonden. Ze mogen allemaal met een schone lei beginnen. Door het geloof in Jezus mogen ze de Heilige Geest ontvangen en ook ervaren dat God hen als zijn kinderen geroepen heeft.
Dat is het begin van de kerk, de bron en het fundament. Vandaag niet minder dan toen. De verkondiging van Gods barmhartigheid. Het nieuwe eeuwige leven vanuit Pasen. Van de eerste christenen kunnen we leren dat het daarom gaat, om de beleving van de levende Heer in ons midden, om de verkondiging van Gods barmhartigheid, om de liefdevolle gemeenschap van de gelovigen die allemaal kostbaar zijn in elkaars ogen als erfgenamen van het eeuwige leven.
Niets staat ons in de weg om zo te leven en te geloven en vol verwachting te zijn als de eerste christenen. Daarvoor hoeven we niet een eigen nieuwe kerk te stichten zoals hier en daar gebeurt, uit ongeduld.
In elke parochie en geloofsgemeenschap is één vonkje genoeg om de oude kerk waartoe we behoren te vervullen met nieuw en zichtbaar elan. Wanneer we om ons heen kijken in onze katholieke kerken zien we op elke muur drie kruisjes, zgn. wijdingskruisje***) die bij de bouw van de kerk zijn aanbracht. Ze vertellen dat de kerk gebouwd is op het fundament van Christus, het kruis, en op de twaalf apostelen die het Evangelie naar alle windrichtingen verkondigd hebben, aan de hele wereld. We mogen op hen voortbouwen.
Maar dan moeten we echt vanuit de vreugde en de verwondering van Pasen leven, van de levende Heer die altijd bij ons is, waarvan de sacramenten getuigen, in het bijzonder de eucharistie. Dan moeten we echt eensgezind zijn. Een team. Als iemand onder ons een enthousiaste gelovige is, laten we daar dan blij mee zijn en niet denken “doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”. Laten we ons aan elkaar optrekken. Laten we dankbaar met elkaar zijn dat Jezus ons aan elkaar gegeven heeft als zusters en broeders.
Laten we ons vooral niet schamen voor ons geloof omdat we een minderheid zijn. Een kerk die in de minderheid is, is daarom niet minder kerk.
Wat hadden de apostelen dan wel niet moeten denken? De hele wereld was nog onbekend met Christus en het Evangelie. Het was niet toegestaan een nieuw geloof te verkondigen.
Wie weet zien meer mensen dan we denken, uit naar God die ze nog niet kennen. Zoals toen. Al die velen die teleurgesteld zijn in onze consumptiemaatschappij, de harde concurrentie, de verharding en tegenstellingen.
We moeten niet terugkijken naar wat we verloren hebben, maar naar voren kijken wat we te winnen hebben. Hoe kunnen we in onze tijd opnieuw ervaren dat Christus de herder is die ons leidt, **) en die ons kent en bemint. Hoe kunnen we ieder op eigen manier onze roeping in praktijk brengen? Natuurlijk zijn daarvoor priesters, diakens en religieuzen nodig. Maar op de eerste plaats zijn er gezinnen en gemeenschappen nodig waarin het geloof leeft, even nieuw en krachtig als aan het begin van de kerk. Wat dat betreft staat de kerk altijd in de kinderschoenen. Gelukkig maar. Want dan is er alle ruimte voor de Geest. Amen

(c) Martin Los
*) 1e lezing: Handelingen der Apostelen 2:14a,36-41
**) Evangelie van deze 4e zondag: Johannes 10:1-10
***) afbeelding wijdingskruisje in de muur van de Mariakerk De Meern

Getuigen van de verrijzenis

Preek op Paasmaandag 2017 in de Mariakerk

We hoorden in de lezing uit de Handelingen der apostelen een deel van de Pinksterpreek van Petrus over de persoon en de betekenis van Jezus die alles overstijgt: “Deze Jezus heeft God doen verrijzen en daarvan zijn wij allen getuigen” *). De apostelen zijn getuigen van de verrijzenis. Dit getuigenis is door de kerk doorgegeven en beaamd als de waarheid. De kerk leeft uit die waarheid. Ze staat of valt ermee. Anders leidt ze tot niets.
Vanaf begin zijn er ook stemmen geweest die de Paasboodschap bewust probeerden te ontkrachten. Zo horen we in het Evangelie van Mattheus dat de bewakers van het graf van Jezus in slaap gevallen waren en dat zij hun plicht verzaakt hadden **). Maar de overheidspersonen geven hen geen standje. Ze geven de soldaten zwijggeld en dragen hen op een leugen te verspreiden: “zeg maar: zijn leerlingen zijn Hem in de nacht komen stelen terwijl wij sliepen”.
De apostelen zouden dus maar een sprookje vertellen als ze verkondigden dat Jezus verrezen was, om zo de mensen te misleiden. Maar als dit werkelijk het geval was geweest, dan zouden de Evangeliën niet benadrukken dat vrouwen***) de eerste waren die het graf leeg vonden en de levende Heer ontmoeten.
Want vrouwen mochten niet officieel getuigen. Evenmin als slaven. Alleen volwassen, vrije mannen mochten een rechtsgeldig getuigenis afleggen. Het bijzondere in de Evangelien is juist dat daarin alle eer aan de vrouwen toekomt om de eerste getuigen te zijn. Zij riepen de apostelen om snel te komen om te delen in hun ontdekking van het lege graf. De apostelen zouden moeten getuigen in de wereld.
Hadden christenen een leugen om bestwil willen vertellen dan zouden zij nooit vrouwen als eerste getuigen hebben genoemd. De evangelieen zijn alle vier zonneklaar in hun getuigenis van het lege graf en van de ontmoetingen met de verrezen Heer. Dat zou ons alleen al moeten overtuigen. Vier geschreven documenten van bijna tweeduizend jaar oud. Die met elkaar overeenstemmen ondanks dat ze door verschillende personen geschreven zijn en op onderdelen verschillen.
Wij, christenen, vergeten vaak zelf wat voor een krachtige onderstreping van de waarheid we daarmee hebben. Maar in de ogen van de critici en onverschilligen is het nooit genoeg. Als we ons beroepen op mondelinge overlevering – die in ongeletterde samenlevingen zoals in de tijd van de apostelen doorgaans heel betrouwbaar was – schudden velen het hoofd meewarig: hoe kun je je nou op overlevering baseren voor de waarheid. Maar als we over schriftelijke documenten beschikken, is het ook niet goed. Want dan is het geschrevene bedacht en puur symbolisch bedoeld.
Soms zijn ook christenen zelf die mening toegedaan. Heel gemakkelijk denken ook wij – soms ook om in de ogen van de wereld niet voor dwaas versleten te worden – dat verhaal over de verrijzenis alleen maar symbolisch bedoeld zijn. Maar lieve zusters en broeders, voor iets dat puur symbolisch was, zouden de apostelen en de eerste christenen niet de hele bewoonde wereld van hun dagen zijn rondgetrokken, gevaren hebben getrotseerd, hun leven gegeven. Als de verrijzenis louter symbolisch was – dus iets wat alleen in onze gedachten maar niet in werkelijkheid was gebeurd – zou het getuigenis van de apostelen niet zo krachtig zijn geweest. Velen werden er door geraakt, lieten zich dopen, ondanks de gevaren van uitstoting uit familie en samenleving, die dit met zich meebracht in de eerste eeuwen. En wij in onze tijd mogen na zovele eeuwen voortbouwen op talloze generaties van gelovigen die met hart en ziel hun leven hebben laten bepalen door het geloof in de verrijzenis van Christus.
Is de verrijzenis dan een geschiedkundig feit dat je kunt bewijzen? De verrijzenis heeft wel in deze wereld en in onze geschiedenis plaats gevonden. Het moment waarop het geschiedt, heet daarom in de Bijbel zelfs de volheid van de tijden. Het doel en hoogtepunt van de geschiedenis. Datgene wat aan alles daarvoor en daarna betekenis geeft. Maar de verrijzenis gaat niet op in de geschiedenis, in die zin dat ze zoals elk geschiedkundig feit verleden tijd wordt. De verrijzenis overstijgt de geschiedenis. Het is de eeuwigheid die onze tijd raakt en een nieuwe betekenis geeft. Want we leven niet meer ten dode. Het duister heeft niet meer het laatste woord. De Heer die verrezen is, is daardoor altijd bij ons. Zijn woord en sacrament en het getuigenis van de kerk is vervuld van Hem als levendmakende Geest.
Zo mogen we zelf getuigen worden van de verrijzenis door onze hoop, ons geloof en onze liefde die niet gebaseerd zijn op voorbijgaande aardse zaken of bewijzen, maar aanwijzing van de levende Heer in ons leven en in zijn kerk.
Zijn werkelijke tegenwoordigheid mogen we daardoor ook hoopvol ontdekken in de wereld om ons heen, die immers ook de wereld is van God, de wereld waarover het duister niet het laatste woord heeft, en die mag delen in Gods beloften. De leerlingen krijgen de boodschap te horen: “Gaat naar Galilea. Daar zullen jullie Mij zien”. Daar in hun alledaagse leven.
Dat we soms twijfelen is niet vreemd. Het hangt samen met onze kleinheid als mens, en dat we ons soms alleen voelen in ons geloof, en soms met een mond vol tanden staan als het om de Paasboodschap gaat. Een mysterie kun je niet uitleggen. Maar ons hart gaat telkens weer sneller kloppen en gloeien als we de kerk horen belijden dat de Heer leeft. En door ons doopsel en geloof mogen we nu reeds delen in de dood en de verrijzenis van Christus. Het nieuwe leven stroomt door ons heen. De Heer is waarlijk opgestaan. Alleluia. Amen

Pastoor Martin Los
Lezingen in de Mis op deze 2e Paasdag volgens het r.k. leesrooster: 1e lezing *): Handelingen der Apostelen 2:14,22-33. Evangelie: Mattheus 28:8-15 **)
Afbeelding ***) Het veelluik Passie en Verrijzenis in het heiligdom O.L.V. van Scherpenheuvel