Homilie op Witte Donderdagavond 2013

Preek op de avond van Witte Donderdag 28 maart 2013 in kerk van O.L.V. ten Hemelopneming te De Meern toen het Evangelie van de voetwassing gelezen werd.

Lieve zusters en broeders,  wij vinden het een prachtig beeld: Jezus die zijn kleed aflegt, een schort voordoet en zijn leerlingen de voeten wast.
Onze nieuwe paus Franciscus heeft vanmiddag in een gevangenis in Rome jonge gevangenen de voeten gewassen. Iedereen die je hoort, vindt dat fantastisch.
Het ís een mooi beeld: de voetwassing door Jezus. En het is heel verrassend dat paus Franciscus vandaag ditzelfde aan gevangenen doet die hun straf uitzitten in een Romeinse gevangenis.
Maar wàt zegt Jezus aan het eind, als hij zijn bovenkleed weer heeft aangedaan en met de leerlingen aan tafel zit?
“Als ik, de Heer en leraar, jullie voeten hebt gewassen, dan behoren óók jullie elkaar de voeten gewassen. Ik heb jullie een vóórbeeld gegeven, opdat jullie zouden doen zoals ik jullie gedaan heb”.
Wanneer we echt de nieuwe paus prijzen om zijn eenvoud en dat hij ten teken daarvan vandaag in de voetsporen van Jezus gevangenen de voeten wast, dan is dat toch een opdracht aan ons allemaal? De opdracht om elkaar lief te hebben en te dienen?
Of haken we dan toch af, omdat we wat we in Jezus en vandaag in de paus prijzen van onszelf teveel gevraagd vinden?

Misschien toch goed om ons nog even te verplaatsen in de leerlingen. Die vonden het helemaal niet zo’n prachtig beeld dat hun meester hen de voeten waste. Ze zeiden niet: “wat mooi, meester, dat u dit doet!” Nee, ze schrokken ervan. Ze geneerden zich. Petrus weigerde zelfs eerst heftig.
Waarom? Omdat een ander de voeten wassen het werk van een slaaf was. Jezus maakte zichzelf dus tot slaaf om zijn leerlingen te dienen.
Hij legde zijn bovenkleed af. Hij stond dus in zijn hemd. Hij knielde voor hen neer. En met zijn handen waste hij het vuil van hun voeten. Het stof en het vuil van de straat. Want men liep allemaal op open sandalen. Vies, nederig werk. Met de knieën op de harde vloer ook nog eens pijnlijk.
Het deed de leerlingen zeer dat hun meester zich zo voor hun ogen vernederde. Ze schaamden zich.
Pas als we realiseren, dat de ander de voeten wassen, geen lolletje is, maar vervelend en pijnlijk, dan zijn we eerlijk. En pas als we ons bewust zijn, van de moeite die het kost, om de ander de voeten te wassen, zijn we in staat om een reële in schatting te maken, van wat het van onszelf vraagt, om te doen wat Jezus van ons vraagt.
Een ander onecht dat hij jou aandeed, vergeven is niet gemakkelijk. Het is het werk van een slaaf. Een ander verdragen terwijl je moeite hebt met zijn gedrag, is hard werken, nederig werk, het werk van een slaaf.
Maar het komt wel ineens binnen handbereik, want het is werk. En werk dat kun je doen. Mooie illusies koesteren brengt je niet verder, maar wel concrete arbeid zoals vergeving.
Mooie woorden over liefde leiden tot niets als we niet beseffen dat het werk is. Maar dan kunnen we aan de slag.

De voetwassing door Jezus was het werk van een slaaf. Maar het verwijst naar het veel ingrijpendere, unieke werk van een slaaf dat Jezus deed door aan het kruis te sterven om zo aan heel de wereld Gods liefde te openbaren. Dat is zijn dienstwerk aan de wereld. Ons Gods helende liefde schenken.

Zo vraagt Jezus niet van ons om elkaar letterlijk steeds de voeten te wassen. Maar wel dat we zo leven als mensen die elkaar in liefde dienen. Niet omdat die ander zo lief en aardig is, maar omdat wij die andere liefhebben.

Na de voetwassing brak Jezus het brood en liet de beker rondgaan met de woorden: “Dit is mijn lichaam…”en “Dit is mijn bloed” en “doet dit tot mijn gedachtenis…..”
Zo gaf Jezus zijn leerlingen niet alleen een voorbeeld van de ander in liefde dienen. En hij gaf ons niet alleen de opdracht om elkaar te dienen. Hij gaf ook zichzelf ,als blijvend voedsel voor onderweg in deze wereld.
Laten we de eucharistie waarvan we vanavond de instelling weer gedenken altijd vol respect en liefde vieren, omdat de Heer daarin zichzelf aan ons geeft. En omdat hij ons daarmee dient en eert als degenen die hij zo lief heeft dat hij zichzelf voor ons gegeven heeft.
Elke eucharistie mogen we ervaren dat de Heer ons in liefde dient en dat hij ons door zijn liefde nieuw maakt.

Maar dat betekent ook dat we zelf zijn opdracht tot liefde in praktijk brengen, naar elkaar als broeders en zusters. Want daar zal de wereld ons ook op afrekenen of we als christenen die de mond vol van Gods liefde hebben, ook inderdaad elkaar liefhebben.

Respect voor de eucharistie betekent ook dat we onze naaste dienen en daarvan genieten ondanks dat het hard werk is.
Maar juist omdat het werk is, kunnen we het. Want werk is iets wat wij als mensen heel goed kunnen.
Het blijkt elke dag in ons dagelijks werk en ons dagelijks bezigheden. Laten we dan ook werk maken van vergeving, van belangeloos helpen, van verdraagzaamheid, van alles wat liefde van ons vraagt. Amen

Pastoor Martin Los

Aan de hand van de initialen

Vier jaar voordat Rienk Troost predikant werd in zijn nieuwe gemeente was de kerk totaal afgebrand.
Ze was net volledig gerestaureerd.
Een paar dagen voordat de kerk zou worden opgeleverd, was het gebouw gevuld met een bepaald soort gas om eventuele larven van de boktor in het houten dak en spant te doden.
Een vonkje door kortsluiting of een onvoorzichtige bouwvakker die een sigaret opstak, was er de oorzaak van dat de kerk in een paar ogenblikken ik lichtelaaie stond.
Ze brandde tot de grond toe af.

Herbouw had geen enkele zin. De kerkenraad besloot van de nood een deugd te maken.
Er werd een nieuw gebouw ontworpen.
Helemaal naar de inzichten van hoe een eigentijdse kerk er uit moest zien.
Met vergaderzalen, een bar, een jeugdhonk en een soort foyer.

Maar in de kerkzaal zelf moest uiteraard alles gericht zijn op het Woord van God.
De vloer liep naar beneden af. De banken vormden een soort amfitheater binnen rechthoekige zaal.
Aller ogen zouden tijdens de dienst gericht op een enorme wand van schoon metselwerk die als de Sinai zelf oprees voor het verzamelde volk van God.
Tegen deze reusachtige muur was een houten preekstoel gemaakt.
Om enigszins in verhouding te staan tot de wand was deze preekstoel ook bijzonder groot.

In oude kerken was de preekstoel meestal niet meer dan een houten broek met een plat klankbord boven het hoofd van de predikant.
Deze preekstoel leek veel meer op een aan de muur gehangen kansel van mahoniekleurig hout.
Midden op de kansel was een lezenaar aangebracht waarop dag en nacht een Statenbijbel open lag.
Deze werd niet meer gebruikt voor de lezingen tijdens de kerkdienst. Er werd uit een nieuwe Bijbelvertaling gelezen.
Maar de oude Statenbijbel met zijn koperen sloten zorgde toch voor de nodige uitstraling.

Het klankbord waaronder de predikant stond tijdens de preek, zag eruit als een enorme hand
Met de komst van de microfoon, en helemaal met de draagbare “halsband” microfoon was een klankbord eigenlijk niet meer nodig.
Maar een preekstoel had nu eenmaal traditioneel een klankbord.
Dus werd ook voor deze preekstoel een klankbord ontworpen.
In dit geval was de traditie eigenlijk minder de aanleiding, dan de enorme stenen wand achter de preekstoel.
De situatie vroeg om een verder aankleding van de preekstoel met een klankbord.
Anders zou de predikant tegen de grote stenen muur nog nietiger geworden zijn dan hij of zij toch al was op die eenzame hoogte.

In de gemeente was een kundige timmerman, Jaap Kouwenaar.
Hem werd gevraagd de preekstoel te maken.
Of het idee van Jaap zelf was, of van de architect, is onduidelijk.
In elk geval zagen gemeenteleden die tijdens de inrichting van de kerk even kwamen kijken, dat boven de preekstoel een enorme hand als klankbord zichtbaar werd.
De palm van een hand waarvan vier aaneengesloten vingers zich kromden boven het hoofd van de predikant.
Het was een vondst, vond iedereen.

Maar een hand heeft toch vijf vingers. Waar was de duim?
Bij nader toezien bleek de hand een rechterhand.
Op de plaats van de duim was een houten plaat tegen de muur in dezelfde mahoniehouten kleur als de rest van de hand.
Was dat nou wel of geen duim?

Wie de eerste was die met de veronderstelling kwam, is onbekend.
Maar er was iemand die zich als eerste realiseerde dat Jaap Kouwenaar aan zijn rechterhand geen duim had.
Die had hij verloren op een ongelukkig moment door een elektrische zaag.
Al gauw ging het verhaal dat het klankbord Jaaps eigen hand moest voorstellen.
De mensen die het hoorden, wisten met deze gedachte niet goed raad.
Ze gniffelden er een beetje om.

Op de dag van de officiële opening zat de kerk bomvol.
Iedereen was trots op de mooie, eigentijdse kerk.
Voor het eerst stond er nu echt een predikant op de kansel onder de machtige hand.
Het deed de aanwezige gelovigen wel iets.
Want een predikant wordt immers behoed door de hand van God die hem als nietig wezen toch bijstaat door de heilige Geest om tijdens de  preek zulke grandioze woorden te spreken over genade en verlossing?
En door die troostvolle woorden van de predikant voelde toch iedereen de hand van God om zich heen?

Kortom, iedereen vond de enorme preekstoel mooi en passend.
Jaap Kouwenaar ontving tijdens de receptie veel complimenten.
Maar de mensen de hem een hand gaven om hem te feliciteren, konden toch niet laten een blik op zijn hand te werpen: ze zagen op de plaats van de rechterduim een vormeloos stompje.

Intussen gingen er tijdens de bezichtiging gemeenteleden de preekstoel op om even vanaf de positie van de predikant de nieuwe kerk in te kijken.
Het was een indrukwekkend uitzicht over de lege banken en paden.
Eén van die nieuwsgierige mensen moet zich op de preekstoel hebben omgedraaid om de hand wat beter te bekijken.
Wat zag deze beklimmer van de kansel?
Midden in de handpalm stonden de letters J K.
Waarom stonden die letters daar? Wat betekenden ze?
Er was eigenlijk maar één antwoord mogelijk meenden sommigen: J K stond voor Jaap Kouwenaar. Hij had zijn eigen initialen in de preekstoel gezet.
Want die hand zonder duim was toch ook van hem?
“Maar je eigen initialen in de preekstoel kerven, dat gaat toch wel heel ver!” vond men

Toen Rienk vier jaar later in die kerk tot predikant werd bevestigd was hij uiteraard onder de indruk van de hand boven zijn hoofd.
Hij zag ook de letter J K in de handpalm uitgesneden.
En het duurde niet lang of Rienk kreeg het verhaal van de hand te horen met de bijbehorende gniffel.
Hij vond het wel een grappig verhaal.
Maar het overtuigde hem niet helemaal.
Die J kon toch ook een handgeschreven hoofdletter I voorstellen zoals je dat vroeger op school leerde?
Dan verwezen die letters naar God die zich bekend maakte aan Mozes als “IK ben met u” kortweg “IK”

Een jaar later kreeg Rienk een telefoontje van mevrouw Kouwenaar dat haar man in het ziekenhuis was opgenomen.
Haar stem klonk bezorgd.
Diezelfde dag ging hij naar het plaatselijke ziekenhuis.

Daar trof hij Jaap Kouwenaar voorovergebogen aan in een stoel bij het raam.
Een forse man in pyama en pantoffels.
Jaaps gezicht lichte op toen hij voetstappen hoorde en Rienk de ziekenzaal zag binnenkomen.
Hij stak zijn hand uit. Rienk pakte die hand om hem te begroeten.
Zijn eigen hand schoof door tot de pols van Jaap.
De duim ontbrak.
Rienk realiseerde het zich meteen weer wat hij over die hand gehoord had.

Jaap was een krachtige persoon.
Rienk kon zich nu nog beter voorstellen dat deze man hier voor hem bed die enorme hand ontworpen en getimmerd had.
Hij voelde een bijzonder sympathie voor de maker van de preekstoel waar hij zondag aan zondag op stond tijdens de preek.
“Ik vind het heel bijzonder om de maker van de preekstoel waar ik zo vaak op sta, te ontmoeten” zei hij “het is en heel bijzondere preekstoel!”

“Dank u”antwoordde de man “U kent ongetwijfeld ook wel het verhaal dat de ronde doet over de preekstoel?”
Rienk wachtte even met een reactie omdat hij benieuwd was wat de ander verder zou zeggen.
“Ze denken dat ik mijn eigen naam in die hand gezet heb. Maar het is de hand van God die zegt: “IK sta achter je”

“Voelt u dat zelf ook zo?”vroeg Rienk in een poging het gesprek te verleggen naar de zorgelijke situatie van de ander.
“U bedoelt of ik nu ook de nabijheid van God ervaar?”
Rienk knikte.
Het werd even stil. Er verscheen een traan in de ogen van de man.
“Ik klamp me aan die hand vast” antwoordde hij snikkend.

Een week later kreeg Rienk het bericht dat de maker van de preekstoel was overleden.
Vijf dagen later was de afscheidsdienst in de kerk.
Normaal ging hij bij een afscheidsdienst niet op de preekstoel staan bij de preek.
Hij stond dan liever dicht bij de overledene en de familie bij de lezenaar beneden.
Maar die dag beklom hij vastberaden de preekstoel.
Natuurlijk vertelde hij aan de aanwezigen het geheim van de hand achter en boven hem.
Hij voelde zich heel bewust gedragen door de hand van God ………en van Jaap Kouwenaar

© Martin Los