Copyright van de Heilige Geest

Bijbel voor ongelovigen
Met zijn Bijbel voor ongelovigen stelt Guus Kuijer ons voor de vraag  of er zoiets is als copyright van de Bijbel. Kuijer gaat heel vrij om met de tekst van de Bijbelverhalen. Zou iemand dit doen met zijn werk, dan zou er spoedig een rechtszaak volgen met een beroep op copyright. Je mag niet zonder toestemming stukken van iemands werk overnemen, en al helemaal niet naar je eigen smaak en voor je eigen doel veranderen.

Auteur van de Bijbel
Gaat de auteur van de Bijbel Kuijer nu een proces aan doen? Nee, natuurlijk niet, is de reactie. Want de schrijvers van de Bijbelboeken zijn al lang gestorven. Dus er rusten geen auteursrechten meer op. Interessant dat we dan ineens over “auteurs” gaan praten. Want zou de Bijbel zomaar een verzameling losse boekjes zijn, dan zou het niet zo’n uniek monument geworden zijn. Kuijer lift met zijn bewerking mee op de status die de Bijbel in de wereld heeft. Waar is die status aan te danken?

Levende traditie
Naast de schrijvers van de Bijbelboeken, wie dat dan ook mogen zijn, is er de traditie die de boeken heeft bewaard en verzorgd in de tempel en de synagoges. Niet alleen de schrijvers van de bijbel(boeken), maar ook de doorgevers en behoeders in de tijd van voor de perkamenten boeken, de tijd van de boekrol, hebben bijgedragen aan de Bijbel. Zij maakten deel uit van de vierende gemeenschap die samen kwam om te Heilige Schrift te laten spreken door de reciterende zang in de synagoge. Zo was de bijbel nog nauwelijks een boek, maar een schat in de harten en geheugens van de vromen.

Liturgie
Bij deze verzameling van Geschriften die als Tenach (Thora, Nebiim, Chetoebim) al een eenheid vormden, kwamen door het Christendom als een soort verklarend naschrift  en climax tegelijk de Evangeliën met de andere geschriften (brieven, handelingen, Apocalyps).
In de Eucharistie worden vanouds de profeten (Het zogenaamde Oude Testament of Tenach) en de apostelen (Handelingen, Brieven , Apocalyps) gelezen voor het Evangelie uit. Eerst de dienaren dan de Heer zelf als in een processie. Men kan dus de bijbel helemaal niet losmaken van de vierende geloofsgemeenschap, de kerk.
De boekdrukkunst, pas vijfhonderd jaar oud, heeft er toe bijgedragen dat de bijbel gaandeweg een eigen bestaan ging leiden als boek op de boekenplank los van de samenkomst van het gelovige en vierende volk waar dit bijbel luid wordt voorgelezen.
Dit volk van God leest nooit zomaar voor uit de Heilige Schrift zoals men informatie uit de krant tot zich neemt, of een roman leest, maar het omgeeft de lezing met acclamaties. Vergelijk ook de gewoonte om in de synagoge op het feest Simcha Thora, Vreugde der Wet, met de Thorarol in processie door de gebedsruimte te lopen. In de Rooms-katholieke liturgie staat het volk op wanneer het Evangelieboek naar de ambo wordt gedragen en zingt vol overgave Hallelujah. Het boek wordt bewierookt. En na afloop van de lezing mag de priester de opengeslagen bladzijde kussen namens de verzamelde gemeenschap.

De adem van God
En waarom? Omdat de kerk door de voorgelezen woorden heen het Woord van God hoort. Dat is het geheim van de heilige Geest. Heel de heilige Schrift is van de God, dat is de Geest,  doorademd, zegt Petrus.
Het is eenzelfde Geest die de schrijvers van de afzonderlijke boeken inspireerde. Het is eenzelfde Geest die het volk Gods ertoe bracht het woord te vieren en te bewaren.
Het is eenzelfde Geest die de kerk bewoog om de grenzen van de Bijbelboeken vast te stellen, de zogenaamde canon waar vrijwel heel de vroege christenheid het over eens was. Een wonder als zovele gelovigen het ergens over eens zijn!
En tenslotte is het de Geest die de harten van de mensen opent en hun geest verlicht, zodat de stem van God wordt verstaan.

Glimlach
Men mag dus gerust spreken van het copyright van de heilige Geest als het gaat om de auteur van de Heilige Schrift. Guus Kuijer hoeft niet bang te zijn dat de heilige Geest hem een proces aandoet vanwege auteursrecht, plagiaat, eigenmachtige aanpassingen. Ze kan slechts glimlachen. Want zeg nou zelf: een “Bijbel” voor ongelovigen, dat is toch een volkomen tegenstrijdigheid. De bijbel is geen los verkrijgbaar boek, ondanks de boekdrukkunst zoals ik in de uitleg hierboven heb laten zien.
Ik vrees dat op onbevooroordeelde niet gelovigen – mensen die helemaal niet opgegroeid zijn met de bijbel – Kuijers Bijbel ook weinig indruk zal maken. “Bijbel voor niet meer gelovigen” zou een betere titel geweest zijn als er dan toch zoiets moet zijn als zijn boek. Want mensen die de bijbel kennen, maar afscheid hebben genomen van de gemeenschap waar de bijbel gevierd wordt, zullen zich er mogelijk mee vermaken of door verlost voelen. Maar dan toch alleen omdat zij ook al is het “in herinnering” niet helemaal los zijn van het huis waar de bijbel thuis is, gehoord, gevierd, bewierookt, omarmd, gekust, soms tegen dovemansoren gezegd en soms verstaan wordt als “een lamp voor mij voet en een licht op mijn pad”

Het zou natuurlijk kunnen dat de niet-meer-gelovige of wie dan ook voor wie Kuijer zijn boek schrijft, bij het lezen ervan denkt:  “Wat zou er eigenlijk in de echte bijbel staan en hoe leest de geloofsgemeenschap haar”. In dat geval is “de bijbel voor ongelovigen” toch ook een instrument van de heilige Geest. Zou er dan op de “Bijbel voor ongelovigen” ook het copyright van de heilige Geest rusten? Je weet het maar nooit. De Geest waait gelukkig waarheen zij wil.

Laatste vraag
Bijbel voor ongelovigen is een tegenspraak met zichzelf. En een Bijbel voor gelovigen dan? Ook dat. Want de Bijbel is voor alle mensen. Niet voor een een groep ongelovigen of gelovigen. Dat zullen de hoorders en vierders van Gods Woord als eerste beamen.

 

Bij het overlijden van een metableticus

Metabletica als eigenzinnige wetenschap

Op 28 september 2012 overleed prof. Dr. J.H. van den Berg op 98-jarige leeftijd. Hoogleraar in de neurologie, psychiater, pastoraal psycholoog. Maar vooral Metableticus.
Op fenomenologische wijze, volgens de methode van Edmund Husserl, beschouwde van den Berg de mensen, de dingen, en ook de geschiedenis. Hij schreef in de jaren 1950-1960 vele boeken. Zijn hoofdwerk, in vele talen vertaald heeft Metabletica.

Van een andere planeet
We herkennen hierin het Griekse woord Metaballein dat veranderen betekent. In de geschiedenis treden niet alleen voortdurend feitelijke veranderingen op. Op bepaalde momenten verandert de hele visie op en beleving van de werkelijkheid waardoor de mensen van voor dat moment en daarna bij wijze van spreken van een andere planeet lijken te komen.
Hij schreef bijvoorbeeld twee delen over het Menselijk lichaam met als ondertitel: een metabletische studie.  In deel I onderzoekt hij waarom de medische eigenlijk pas in de 14e eeuw “open” durfden maken op de wijze van de moderne anatomie. Door deze anatomie ontdekte men dat de beroemde arts uit de oudheid Galenus een onjuiste kijk op de werking van hart en longen had gehad. In de visie van Galanus is er namelijk geen sprake van bloedcirculatie (pas ontdekt in de 16e eeuw)
Voor de hand liggen de gedachte om te denken: ach, de mensen wisten vroeger niet beter. Ze werden dom gehouden door de kerk etc. Gelukkig hebben wij ons bevrijd en kon de moderne wetenschap geboren worden.

Lichaam dode materie?

1e dr 1959

Prof. van de Berg toont op fenomenologische wijze aan dat Galenus en al zijn navolgers geen domme lieden en ondeugdelijke wetenschappers waren, maar dat ze een fundamenteel andere visie hadden op het lichaam en op de mens. Alleen door een veranderende kijk op mens en lichaam die zich aan het einde van de Middeleeuwen, eerst voetstapsgewijs, daarna razendsnel verbreidde, werd de moderne anatomie mogelijk.
Winst is dat we nu weten hoe het lichaam “werkt” bijv. de bloedcirculatie, en dat we kunnen ingrijpen. Maar wat is het verlies? Dat het lichaam in feite dode materie is geworden. En dat terwijl tot in de Middeleeuwen ook de doden nog als levenden werden afgebeeld. Niet als skeletten. De afbeelding op de omslag is uit de tijd dat men op het punt stond het lichaam van een dode te openen, maar voor de opmerkzame kijker ook hier nog geen skelet. En buiten het veld van de anatomie werden doden als levenden “vereeuwigd”. De Franse koningen bijvoorbeeld in St. Denys, voorstad (tegenwoordig banlieu) van Parijs. Daar liggen de Franse koningen en koninginnen (Ja, ook Bertha met de grote voeten) als levend mens afgebeeld wachten op de wederkomst van Christus.

Natuurlijk wilde van den Berg niet als een nostalgisch romanticus de geschiedenis terugdraaien. Wel wilde hij wijzen vanuit de fenomenologie op het feit dat in de moderne natuurwetenschap alles aan reductie onderworpen is. We brengen alles terug tot dode materie, meetbaar, herhaalbaar, en we noemen dat de echte werkelijkheid. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de medische wetenschap, maar voor heel onze kijk op en beleving van de eigen werkelijkheid, ja van het leven zelf.

Steeds minder begrepen en geaccepteerd
Door zijn essayistische manier van schrijven en door zijn verassende vondsten kwam deze Metableticus op collega’s over als eigenzinnig en niet helemaal wetenschappelijk. De heersende wetenschappelijke richting was immers juist de reductionistische en succesvolle natuurwetenschappelijke visie.

Bovendien schreef en doceerde hij in de tijd van de grote omwentelingen van de jaren zestig. Door het tumult kwam hij die al naast de hoofdstroom stond, nog meer in een isolement. Hij werd al door velen niet begrepen, maar door de politiek en maatschappelijk stromingen die volgden op de studentenopstanden al helemaal niet meer. Want van den Berg waarschuwde niet alleen voor reductionisme op natuurwetenschappelijk terrein, maar ook op maatschappelijk terrein.
Op dat terrein ging men er steeds mee toe over om de blanke Westerse beschaving met zijn instituten te zien als later en dus minder natuurlijk, echt en waardevol, dan de volkeren die leefden in wat even later de Derde Wereld genoemd werd. Tegelijk speelde het groeiende verzet tegen racisme en met name de apartheidspolitiek in Zuid-Afrika. In veler ogen was de niet-blanke mens niet alleen oorspronkelijker en zuiverder dan de Westerse, maar ook nog eens slachtoffer van diezelfde beschaving. Dit triggerde allerlei schuldgevoelens die eerder uiting waren van onzekerheid over eigen identiteit, dan een evenwichtige constructieve bijdrage aan de wereld.

Van den Berg was absoluut geen racist, en ook geen voorstander van de toenmalige Apartheid in Zuid-Afrika. Maar wel zag hij het gevaar van schaamte over eigen identiteit en zelfondermijning van de heersende stromingen in de Westerse wereld. Het kost geen moeite om tot op vandaag deze zelfhaat van de moderne elite en gaandeweg een groot deel van de burgerij in het Westen te herkennen. Van den Berg’s uitdagende stelling uit de schaakwereld “wit begint en wint” droeg ertoe bij dat hij in het wetenschappelijk en maatschappelijk discours niet meer meetelde. Een etiket is iets dat je nooit meer kwijt raakt.

Wie vandaag de dag zijn boeken ter hand neemt wordt verrast door zijn inzichten op allerlei terreinen. Zijn kritiek lijkt in vele gevallen niet ongegrond geweest te zijn. De snelheid waarmee de Europese elite en vervolgens de brede lagen van de bevolking de christelijke cultuur van zich afschudden, is door hem al meer dan vijftig jaar geleden voorzien. De met deze zelfondermijning gepaarde angst voor de Islam en überhaupt voor godsdienst (dus ook de christelijke) is een logisch gevolg.

Jan van den Berg en Charles Taylor
De Metableticus Van den Berg en de Canadese filosoof Charles Taylor zijn geheel verschillende personen en denkers. Hun taal is heel verschillend. De eerste is vooral fenomenoloog, de andere meer een dialecticus met toch ook wel fenomenologische trekken.
Toch valt mij op dat ze op een zeer wezenlijk punt overeenstemmen: dat de geschiedenis en onze kijk op de geschiedenis aan verandering onderhevig is en dat op beslissende momenten haast ongemerkt een drempel wordt overgaan als in een Eschertekening waarin vogels tot vissen worden. Maakt men deel uit van de cultuur die volgt op en is voortgekomen uit een andere cultuur, dan kan men zich nauwelijks meer voorstellen waarom mensen daarvoor leefden, dachten en handelden zoals ze deden.

Het lijkt mij de moeite waard om het werk en de boeken van van den Berg opnieuw te bestuderen. Mogelijk was hij in alle eigenzinnigheid toch een profeet die in zijn tijd een roepende in de woestijn was. Maar wat waar is laat zich uiteindelijk nooit de mond snoeren.